Categorie: Uit d’ouwe doos

Als een eitje

Medio de jaren zestig van de vorige eeuw lieten mijn ouders een regenput plaatsen. Dan werd daar een handbediende smeedijzeren pomp op aangesloten waarmee mijn moeder op een relatief vlotte wijze haar wasmachine kon vullen.
Wasmachines werden toentertijd nog getankt via een luik aan de bovenkant waardoorheen emmers water werden gekipt. Zo’n machine had als hoofdtaak het in zeepsop verzonken wasgoed te verwarmen en het wat loompjes te laten ronddraaien in een soortement verzinkte kuip. Er was nog lang geen sprake van hoogtoerige inox trommels die textiel spoelen en het tevens handdroog zwieren.
Anno 2019 lijkt het folklore, maar toen was het bittere ernst.

Een regenput dus. Het betrof een overmaatse ronde kuip met deksel uit gewapend beton zoals we die heden nog steeds kennen. De inhoud was in die dagen met drieduizend liter echter geringer dan onze huidige modellen.
Met een stoere hijskraan zou de zware put ter aarde worden besteld, hetgeen een kleine volkstoeloop teweegbracht in het destijds slapende ouderlijke gat.
Maar het liep mis.
Nog voor de put kon worden neergelaten, brak de kabel van de hijskraan. Het betonnen gevaarte kwam met een doffe bons op de grond terecht en vertoonde prompt een barst van bodem tot top.
De aannemer trof schuld in dezen. Hij liet een nieuwe regenput aanrukken die dit keer zonder hindernissen werd geplaatst. Maar de gebarsten regenput werd achtergelaten in de tuin, tegen de omheining met de achterburen.

Pa besloot er kippen in te gaan kweken. Hiertoe werd, middels moker en beitel en met veel geduld en mankracht, een gat ter grootte van een deur uitgekapt. Een houten poortje sloot deze toegang af en hield ’s nachts tien gevederde dames binnen. Rond dit massieve betonnen kippenhotel werd een ren geconstrueerd die een beperkte uitloop garandeerde. En ziedaar: mijn vader startte zijn eigen kweekstation, want het pluimvee werd op schier anderhalve maand vetgemest, geslacht, gereinigd en in de diepvriezer gepropt. Daarna kwamen tien nieuwe dames logeren voor een week of zes.

Het slachten deed mijn vader zelf, hoewel dit geschiedde met een geweldige tegenzin van zijn kant. En die van de kippen, dat ook.
Pa had een aversie tegen dierenleed. Daarom diende het doden zo snel mogelijk te worden geëxecuteerd. De eerste poging, met een helaas iets te botte bijl, bracht geen soelaas. De kip in kwestie trok haar kop weg met als gevolg dat haar bek van haar kop werd gescheiden en ze bloedde als een rund. Ze werd uiteindelijk afgemaakt met een genadeslag van de spade, na haar eerst een tiental minuten achterna te hebben gezeten.

Om kip nummer twee naar het hiernamaals te verwijzen werd gebruik gemaakt van een aardappelmesje. De snavel werd met één hand vastgehouden wijl pa met zijn andere hand het mesje bediende. Ik moest tegelijkertijd de poten van de kip vasthouden omdat ze te heftig de lambada danste met haar lijf hetgeen doelgericht werken danig bemoeilijkte. Onze samenwerking lukte aardig. Met vaardige hand scheidde mijn vader de kop van de romp. Ik vond het vooral fascinerend dat de kop op zich nog een tijdje bleef leven en me gedurig knipoogjes toewierp. Ook het lijf leek nog een poos een eigen bestaan te leiden; de vleugels klapwiekten als gek wijl de poten houvast zochten in het ijle.
Deze methode werd echter afgevoerd wegens te arbeidsintensief en te ongecoördineerd.

Uiteindelijk is mijn ouwe een methode beginnen uit te dokteren die hij jarenlang heeft volgehouden. Deze briljante werkwijze was adequaat, pijnloos en wist de tien kippen tegelijk in één vlotte beweging het leven te ontnemen.
Mijn broer en ik maakten daartoe met onze schopjes tien putjes op rij in de moestuin. Daarin werden de kippen stuk voor stuk gedeponeerd op hun achterwerk en werden de putjes dichtgegooid. Thans staken nog slechts de koppen boven het maaiveld uit. Yep, maaiveld: de grasmachine werd over de koppen gedirigeerd en het eens zo akelige klusje was op een wip en een scheet gepiept. De koppen belandden netjes in de opvangbak van de grasmaaier, wat meteen ook een stuk properder werken was.
Vervolgens kon het slachten beginnen, een klus waar ook mijn broer en ik werden voor ingeschakeld. Ik heb alzo geleerd om vlot een chick binnen te doen en ze als een kip zonder kop compleet kaal te pluimen. Een behendigheid die me in mijn latere uitgaansleven meermaals goed van pas is gekomen.

Het leven als leermeester? Het heeft me geen windeieren gelegd, zeg ik u.

De Koektrommel: mijn jonge ouwe

De blogchallenge voor 2017, De Koektrommel, werd gelanceerd door Thomas Pannenkoek. Ik geef er met graagte nog eens gevolg aan.


Na heel lang zoeken vond ik, in een piepkleine muziekzaak, eindelijk de LP waar ik al tijden naar op zoek was: ‘Take me back’ van The Remo Trio:

De gelijknamige single had ik al een poos in mijn bezit, een uptempo rock-’n-rollnummer uit het begin van de sixties:

Kent u de groep?
Nee?
Nou, ik ook niet. Wegens onbestaande.
Rechts op de foto bemerkt u namelijk mijn vader in zijn veel jongere jaren. Draai Remo om en je weet meteen hoe hij heet. Ja, ik ben wel tuk op een lolligheidje zo nu en dan.
De andere twee heren op de foto ken ik niet. Straks eens vragen aan mijn ouwe, want dergelijke nostalgische foto’s dragen beslist mijn interesse weg.

Laat me u nóg een exemplaar serveren:

Dit is de oudste foto van mijn vader in mijn bezit. Hij moet hier een jaar of vier zijn geweest, schat ik. Inderdaad, ik heb het over die bedeesd kijkende blonde uk. Vermoedelijke datum van opname: 1937.
Achter mijn vader staat zijn moeder, wijlen mijn grootmoeder. Rechts staat haar zus en links op de foto treft u niet de lokale champetter doch wel de postbode. Het vestimentaire modebeeld kon zo uit een album van Kuifje komen, water-in-de-kelder-broek incluis.

In het begin van de zestiger jaren is mijn pa lang ziek geweest. TBC. Frons vooral de wenkbrauwen niet, want in die tijd was dat nog een aandoening van zéér ernstige aard waar tal van mensen aan stierven. ‘Een gat in de longen’, luidde toen het angstaanjagende verdict.
Mijn vader verbleef dientengevolge elf (!) volle maanden in het sanatorium te Sijsele. Als ik me niet vergis, is daar thans een rusthuis gevestigd.


[ Pa staat uiterst links op de foto. ]

Naast hem op de kamer lag een vrolijke Frans die alras mijn vaders beste vriend werd. Die vriend had ook een zus die regelmatig op bezoek kwam. Mijn vader keek in haar ogen en zij in de zijne et voilà: het was koekenbak.
Ziehier hoe mijn moeder ten tonele kwam. Of waar TBC al niet toe leiden kan.

Na elf maanden mochten mijn vader en zijn kompanen het sanatorium verlaten. Ze waren officieel genezen verklaard “met kans op een honderdjarig leven”. Dat heuglijke nieuws werd in de tuin van het ziekenhuis middels een foto voor het nageslacht vastgelegd. En zoals dat ging in de sixties: daar hoorde, o bittere ironie, steevast een saffie bij:

Kwam daarna op mijn pa’s pad: de obligate legerdienst:

Het gepofte pak heeft hij welgeteld drie dagen gedragen. Wegens voormalig TBC-lijder werd hij afgekeurd in Het Klein Kasteeltje. Deze heden schier vergeten Brusselse kazerne deed toentertijd dienst als plaats waar alle Belgen met dienstplicht een eerste onderzoek ondergingen (de zogenaamde ‘drie dagen’, later werd dit slechts één dag).
Voor zijn schoonbroer in spe was echter minder geluk weggelegd: hij moest wél onder de wapens. Hier ziet u hem de dag voor hij naar zijn legereenheid afreisde, volle kitzak incluis:

Diens lief, heden mijn tante, leek niet bepaald te malen over zijn vertrek. Integendeel: er moest zowaar op gedronken worden!

Ach, les neiges d’antan. Door dergelijke ouwe foto’s geniet ik er mateloos van, ook al zou ik voor geen geld ter wereld in die jaren mijn jeugd hebben willen slijten.

Er was eens…

Dertien jaar geleden hield ik me, op een drukbevolkt terras in Gentbrugge, in opperste concentratie bezig met het tot leven wekken van Women’s Best Friend. De kleine naast me was onmiskenbaar geïnteresseerd in het curieuze overmaatse object dat zich uiteindelijk, zacht trillend en in tegenwijzerzin draaiend, in beweging zette. Er zaten, voor zover ik mij kan herinneren, zelfs drie versnellingen op deze gestroomlijnde brommer: van tergend traag over geestdriftig zwiepend tot niet meer te volgen.
Heden zou een beschamende toestand als deze niet langer mogelijk zijn: er geldt namelijk een rookverbod op dat terras.

De juffrouw voor wie dit kleinood bestemd was, bleek er – na zich eerst een behoorlijke poos te hebben teruggetrokken met haar presentje – zodanig mee in de wolken dat ze me prompt trakteerde op een leutige lapdance ter appreciatie. Volgens mij was mijn madam toen net even naar het toilet.

Foto’s: vergeten wie ze nam. Of verdrongen, dat kan ook. ]

Tiny’s tag: voorgeboortelijke muziek

In 1963 veranderde de rock-‘n-roll voorgoed toen vier jonge knapen, The Trashmen, besloten om Surfin’ Bird op de wereld los te laten. Het nummer sloeg in als een bom: alleen al tijdens het eerste weekend van de release gingen ruim dertigduizend exemplaren over de toonbank.
Surfin’ Bird werd uiteindelijk zo’n groot succes dat het naderhand ettelijke malen werd gecoverd. De versie van The Ramones is wellicht de bekendste. Ook hun eerste grote hitsingle, Rock ’n’ Roll High School, was erop gebaseerd.

Middels dit logje geef ik zodoende met graagte gevolg aan de oproep van Tiny:

Noem het een tag, noem het een stokje, noem het gewoon een zot idee. Ga eens op zoek naar een liedje van een hele tijd geleden. Zo lang geleden dat je zelfs nog niet eens geboren was. Maar toch blijft het hangen, vind je het mooi of net niet – dat kan ook.

Surfin’ Bird werd uitgebracht vier jaar voordat ik mijn baarmoederlijke bestaan inruilde voor een plekje op deze aardkloot. Via mijn ouders – en hun voorliefde voor de piratenzenders van weleer – leerde ik het nummer kennen. Ik was er meteen wild van en ben dat tot op heden gebleven. Het nummer belichaamt immers datgene wat rock-‘n-roll altijd zou moeten zijn: ruig, snel, meeslepend en zonder al te veel franjes; de sound wint het van de lyrics, quoi.

Rest mij nog slechts een advies: volume op tien en shake that booty, folks!

Verstild zilt

Een strook desolaat Noordzeestrand in de winter: als ik u er een foto van toon, merkt u daarop niet dat het koudste der jaargetijden heerst. Op legestrandfoto’s visualiseren de seizoenen zich niet; er bloeien geen bloemen, u treft er nimmer vallende blaadjes, sneeuw blijft er zelden tot niet liggen omwille van de hoge zoutconcentratie en de meeuwen zijn er het jaarrond levendig.

Exact negentien jaar geleden was dat wel even anders. Gáns anders.
De winter van 1996-’97 was de koudste die ik ooit mocht meemaken. Meer nog: deze winter geldt als een van de strengste van de afgelopen eeuw. We moeten al terug naar 1962 om diens overtreffende trap te vinden.
In de winter van 1996-’97 was het de laatste keer dat ‘It giet oan’ weerklonk in Friesland en de Elfstedentocht op gang werd getrokken. De periode december-januari werd volop beheerst door barre vriesdagen en schrale droogte. Temperaturen haalden niet zelden de -20 °C.

Er voltrok zich een zeldzaam fenomeen op het strand: de golven bevroren welhaast instant en sierden als grillig verstilde witte barenruggen de vloedlijn waardoor er een irreëel aandoend landschap ontstond. Zelfs de Noordzee bevroor ten dele, waardoor zij die zulks riskeerden zich tot vijftig meter zeeinwaarts konden begeven middels een onwezenlijke walk on water.

Op 3 januari 1997 maakten madam Menck en ik onze eerste vereende strandwandeling; we waren hooguit zes maanden samen. Dat we er ook maar meteen een zeewandeling van maakten, hebben we sindsdien niet meer kunnen herhalen.
Eerder die dag schoven en gleden we op de tientallen centimeters dikke ijslaag waarmee de Damse Vaart was bedekt. De bekende waterloop was al een tijd opengesteld voor het grote publiek. Het gros koos echter eieren voor zijn geld wegens de door merg en been snijdende kou.

Met een analoog cameraatje schoot ik die derde januari een tiental inferieure beelden. Heden vind ik het echter veeleer unieke opnames van een meteorologisch verschijnsel dat ik misschien nooit meer zal meemaken.
Na de foto’s te hebben gescand, waardoor ze helaas nog wat aan kwaliteit hebben ingeboet, plaats ik ze met graagte op deze stek. Het contrast met vandaag, precies negentien jaar later, kan namelijk niet groter zijn.

[ Foto’s: Menck | TwaaitLocatie: Wenduine ]

37°2 le matin

Uit de Grote Oude Doos, waarin ik tal van parafernalia bewaar, diepte ik afgelopen weekend onderstaande bedaagde dia op. Het verweerde beeld inscannen teneinde het te digitaliseren, had best wat voeten in de aarde.

De foto werd destijds, 25 (!) jaar geleden, genomen met een analoog flutcameraatje door mijn toenmalige gezellin. In die dagen werden filmrolletjes bij voorkeur omgeturnd tot dia’s. Na afloop van de vakantie werden vervolgens “dia-avonden” georganiseerd om familie en vrienden te laten delen in de vakantievreugde. Anno 2016 heet zoiets Instagram, Picasa dan wel Flickr.

De dag van de opname, zo herinner ik me nog als ware het gisteren, geselde de koperen ploert ongenadig lijf en leden; de thermometer flirtte met de veertig graden Celsius. We waren op doorreis naar Italië en hielden, geheel ter verkoeling – airco was indertijd een schaars goed, halt aan de overmaatse vijver dewelke u op de foto ontwaart. (Weet u overigens waar ik me bevond?) (*)

Enkele bedenkingen:
Mijn haar! Ravenzwart, zowaar. Dat is verdomme lang geleden. Vijfentwintig jaar, dunkt me.
Die kledijkleuren! Nochtans was ik toen nog steeds een fanatieke zwartzak en allerminst een pastellekesmens. Wat er die dag dan vestimentair is misgelopen, kan ik me niet meer voor de geest halen. Wijveninvloed, vermoed ik.
En, o ja, in mijn jonge jaren droeg ik immer mijn horloge aan de rechterarm, me daarmee – in mijn hoofd, althans – ostentatief afzettend tegen kuddegedrag.

Middels deze post draag ik de challenge van de heer Pannenkoek een warm hart toe. Al kan ik een verdere deelname niet garanderen wegens een uitermate schaars reisfotoarchief.

(*) Update:
Locatie: Montreux, meer van Genève. (Einddoel: Lago Maggiore, Italië.)

[ Foto: Menck | Twaait – scan van dia ]

Het boek der idolatrie

De grote doos voelde wat klef aan toen ik ze uit de kast trok. Voorzichtig plaatste ik ze op de betonvloer. De kartonnen flappen waren getapet, maar het plakband hechtte nauwelijks nog. Bij het openen, steeg er even een muffe lucht van oud papier en schimmel op.
Bovenin lag een vaalgroen schriftje. Op een roodomrand etiket stond mijn naam in balpen geschreven. Ik herkende meteen mijn handschrift van weleer. De rechterbovenhoek vermeldde in oubollige zwarte drukletters ‘Schoonschrift’. Een wijl doorbladerde ik het kleinood. Piet eet een appel. Eet Jan een appel? Nee, Jan eet een peer. Ik grinnikte, terwijl ik vruchteloos naar een datum zocht. Ik gokte op het tweede of derde leerjaar.
Ik vroeg me af of er thans nog aandacht uitgaat naar wat destijds als schoonschrift werd bestempeld. Wordt een leerling van pakweg zeven, acht jaar op vandaag nog wegwijs gemaakt in de beheersing van kalligrafie tussen voorgedrukte lijntjes? Ik meen ergens te hebben gelezen van niet, maar ik kan me vergissen. Ik legde het schriftje opzij en bedacht dat hetgeen waar toentertijd zo op werd gehamerd, maar weinig vruchten heeft opgeleverd. Mijn eigen onontcijferbare hanenpoten zijn daar heden het beste bewijs van.
Ik diepte een witkartonnen diploma op. Zesde leerjaar, 91 %. Het was het laatste jaar dat ik dergelijke goede cijfers haalde.
Stuk voor stuk waren het schriften, kladblokken en diploma’s die ik uit de doos plukte. Hierin zat zowat mijn ganse lagereschooltijd vervat. Of ik dit alles moet bijhouden? had mijn vader me gevraagd. Want naast de doos van de lagere school stonden er nog drie met paperassen, boeken en cursussen aangaande mijn middelbare opleiding. Ik gaf hem te kennen dat ik niet van plan was om daar ook maar iets van te bewaren, maar dat ik wel nog even wilde grasduinen in de inhoud.
En zo kwam het dat ik me helemaal achterin de grote ouderlijke kelder bevond waar de donkere eiken kloosterkast stond die al deze schoolsouvenirs jarenlang heeft geherbergd. Onderin de doos met het opschrift ‘1 ASO’ vond ik een lijvig boek dat ik niet direct aan mijn schooltijd kon liëren. Het omslaan van de harde kaft bracht een golf van herkenning teweeg, al wist ik niet meer hoe dat boek hierin was verzeild geraakt. Een soortement van muziekplakboek, begot. Foto’s met begeleidende teksten, vele eigenhandig neergepend, aangaande mijn toenmalige favorieten. Ik was een Joepie-adept, jawel. En muziek veroverde stormenderhand mijn jonge leventje.
Al op de eerste pagina stond een datum: 4 februari 1980. Mijn dertiende levensjaar was pas begonnen.
Ik glimlachte toen ik het dikke werk doorbladerde. ‘Ik heb een engel ontdekt, en ik denk dat ik er verliefd op ben’ stond er onder een foto van Stevie Nicks (*). Jeetje. Alsof het gisteren was. En ik was wel degelijk verkikkerd op la Nicks, die schone frontvrouwe van Fleetwood Mac. Zowel haar stem als haar looks bliezen me destijds behoorlijk van mijn sokken. Ik weet nog dat ik de nacht nadat ik voor het eerst de videoclip van ‘Sara’ zag, niet met mijn handen boven de lakens sliep. Vier pagina’s had ik vol gekleefd met foto’s van haar. De vijfde pagina was een summiere weergave van de rest van de groep.
Zonder tekst.
Ik raapte al de schriften, blaadjes, cursussen en boeken van mijn diverse schooljaren bijeen en propte ze terug in hun respectievelijke dozen. Ik drukte er de tape op, doch de lijm was volledig verstorven.

“Alles mag weg, pa”, zei ik toen ik de woonkamer binnenstapte.
“Ben je er zeker van? Ook je diploma’s en zo?” peilde mijn vader nog.
“Zet de ganse meuk maar bij het oud papier,” verzekerde ik hem. “Alleen dit hou ik bij.” Ik legde het plakboek op tafel.
“Goh ja, je muziekboekske. Weet je nog hoeveel uren per week je daarmee bezig bent geweest? En hoe minutieus je alles bijhield? Weet je dat nog?”
“Ik herinner me er nog wel iets van, maar niet al te veel meer, eerlijk gezegd.” Ik sloeg het boek op een willekeurige bladzijde open. Pat Benatar (**) blikte me vanop een zwart-witfoto toe. ‘Hell is for children’ had ik onder het plaatje neergepend. Er trok een glimlach over mijn lippen.
“Ik weet zelfs nog exact wie je lievelingszangeres was toen.”
“O ja?” Zou mijn vader zich Stevie Nicks echt nog herinneren?
“Blondie! Enfin, de zangeres van die groep, hoe heet ze ook alweer?”
“Debbie Harry (***). Echt? Dat geloof ik niet.”
Ik zocht de letter B in het plakboek. Er waren talloze foto’s van Debbie Harry aanwezig. Elke pagina waar ze op voorkwam, had ik met een rode stift van massa’s hartjes voorzien. Ik sloeg het boek snel dicht.
“Het zou kunnen, pa. Ik weet het niet meer”, loog ik, waarna ik haastig een slok van mijn koffie nam.

(*)

(**)

(***)

Van naaldje tot plaatje

Driewerf hoera, want dit weekend heb ik, zonder de minste twijfel, een oude liefde van 41 lentes in mijn armen gesloten met een innigheid van heb ik jou daar. Prompt sloegen de vonken van weleer in alle hevigheid over.
Wat meer is: ik hoop van harte dat onze nog prille relatie heel lang mag blijven duren, want ik geniet er met volle teugen van. Er is weer muziek in mijn leven. Het soort muziek waar ik véél te lang van verstoken ben gebleven.

Mijn madam was oprecht blij voor me. “Wat een heerlijk model!” fluisterde ze me toe na de eerste kennismaking. “Echt een klassieke schoonheid.”
Iets wat ik alleen maar kon beamen.

“Kunnen je helden van weleer eindelijk eens uit de kast komen”, gaf ze me enthousiast mee.

“Wees maar zeker! Beter dan ze te moeten ophangen, nietwaar?”

Ik stuurde een omineuze knipoog haar richting uit. Waarna we schier gelijktijdig naar de deurklink grepen en Sint-Valentijn binnenlieten.

* * *

Deze snaaraangedreven Philips electronic 677 direct control is van bouwjaar 1976 en kwam mijn richting uit met een heuse meevaller: een – gloednieuwe! – reservenaald. (Waar kun je die dingen nog kopen tegenwoordig?) Bovendien is hij aansluitingsgewijs geheel compatibel met mijn trouwe stereoketen (anno 1991).
Hoewel Philips niet echt gekend was als platenspelermerk, viel deze draaitafel destijds op door zijn zeer goede prijs-kwaliteitsverhouding. Niet zelden kwam dit model als beste uit de tests. Natuurlijk werd het dan wel vergeleken met draaitafels uit dezelfde prijscategorie, maar het kon desalniettemin makkelijk de concurrentie aan met de toenmalige duurdere merken zoals Dual (mijn allereerste platenspeler!) en Thorens.

[ Foto’s: Menck | Twaait ]

Struinen in de Middeleeuwen (UPDATE op 27/10)

Mijn madam en ik, samen met de schone ouders, doken onlangs in de duistere catacomben van een in het jaar 944 na Christus opgetrokken majestueus gebouw dat, als onrechtstreeks gevolg van de tweede Franse inval, in de 18e eeuw werd gesloopt.
Om deze wijdverbreide onderaardse gangen annex spelonken te kunnen betreden, dienden we eerst een poepchic en meer hedendaags bouwwerk te betreden. Van de bevallige deerne achter de balie kregen we de toestemming om in de mysterieuze middeleeuwse krochten af te dalen.
Tot ik er onlangs op werd gewezen, was ik me er totaal niet van bewust dat er zoiets imposants schuilging onder een overbekend plein van mijn geboortestad.
In moeilijke lichtomstandigheden nam ik flitsloos tal van sfeerfoto’s. U vindt ze hieronder.

Rest uiteraard mijn vraag: We bevonden ons in middeleeuwse catacomben, maar weet u ook van welk door het verleden opgeslokt gebouw?
Onderaan dit logje licht een video een tip van de sluier zonder evenwel de naam te verraden.

En terug naar buiten:

Aan wie op dit punt in dit logje nog vraagtekens ziet, presenteer ik onderstaande video.
Let wel: SPOILER ALERT.
Al moet ik er volledigheidshalve bijvertellen dat de “wijsheid” die de juffrouw in het filmpje verkondigt de waarheid serieus geweld aandoet.

[  V I D E O  ]

* * *

UPDATE 27/10/2014:

We bevonden ons inderdaad in de catacomben van de verdwenen Brugse Sint-Donaaskathedraal onder De Burg – het plein waarvan sprake in dit logje – in Brugge.
Meer uitleg vind je HIER.

De catacomben betreden, gebeurt middels de receptie van het ‘Crowne Plaza’-hotel op de Burg:

Dit is hoe De Burg er toentertijd uitzag. Rechts op de foto herken je het nog immer aanwezige stadhuis, links de verdwenen Sint-Donaaskathedraal (voorheen Sint-Donaaskerk):

Deze ets toont hoe het majestueuze gebouw eruitzag:

Met dank aan Tiny voor deze toffe uit-tip!

As Tears Go By

Op zekere morgen sta je voor de spiegel en bespringt je het besef: ‘Ik ben oud en lelijk geworden.’ Voor wie dat moment nog niet mocht meemaken: het kómt, geloof me.
Wat volgt, is gelatenheid. Toch in mijn geval. Want wat verdwenen is, komt nooit meer terug. En face it: het zal er niet fraaier op worden de komende jaren, dus wees je maar beter tevreden met het heden. Tranen pleng ik er zodoende niet om. Ik kijk hooguit wat minder in de spiegel. Of toch wat minder gefocust.
Zij die me dagelijks ervaren, merken dat allemaal niet. Daar ga ik althans van uit. Maar zij die me na een afwezigheid van, pakweg, tien jaar terugzien, zie ik deerlijk de wenkbrauwen fronsen. En je hóórt ze welhaast denken: ‘Was hij vroeger niet slank?’ ‘Hij had toch inktzwart haar?’ ‘Heeft hij nu een halve kilo hazelnoten in zijn mond of zijn dat echt beginnende hamsterwangetjes?’ In de plaats daarvan zeggen ze, een vette knipoog meesturend: “Het leven heeft je goed gedaan, Menck.” De nadruk op ‘goed’.
Yeah, right.
Als ze vervolgens madam Menck ontwaren, klinkt het ineens: “Maar wat zie jij er fantastisch uit!”
Yeah, right bis. Alsof de jaren op mijn madam geen vat hebben, zeker. Gek toch dat de complimenten jegens een man een pak zeldzamer zijn dan die naar een vrouw toe. Het zal tot de etiquette behoren, vermoed ik.
Met degene die ‘Het leven begint bij veertig’ op de mensheid heeft losgelaten, zou ik toch graag eens een hartig woordje wisselen. Dat zulks alleszins niet het uiterlijk betreft, bijvoorbeeld. Of althans toch niet al te lang. Want ik ben ondertussen al zeven jaar veertig, en merk dat de houdbaarheidsdatum van die fameuze stelling nu toch enigszins overschreden is. En o ja: dat geldt evenzeer voor de lichamelijke gesteldheid. Op veertig limbodanste ik nog met twee vingers in de neus onder een vijftig centimeter hoog geplaatste lat, daarbij uitzinnig bewonderend gefluit en minutenlang applaus in ontvangst nemend. Heden kan ik er, als het even meezit, nog net overspringen zonder mijn knie te verrekken.

Toeme toch, waar is dat alles zo ineens gebleven, zeg?

[ Foto’s: Menck/Twaait | gescande analoge opnames ]