Weer op pad

Hij is het type waar slechts weinig mensen voor vallen. Hij stapt traag en plomp en lijkt constant op zijn hoede. Om de vijf voet maakt hij pas op de plaats. Alsof hij elk ogenblik onheil verwacht. Tenzij hij veeleer kortademig is, wat best zou kunnen; zijn corpulente lijf zal hem beslist parten spelen.

Pas als de schemering de dag wandelen stuurt, gaat hij op pad. Mogelijks schaamt hij zich voor zijn pokdalige uiterlijk. Een dermatoloog zou aan hem een vette kluif hebben. Zijn voorkomen schrikt dan ook menigeen af. Sommigen vinden hem een ronduit weerzinwekkend creatuur en blijven bij voorkeur uit zijn buurt. Zijn bolle, priemende ogen boezemen angst in. Ze lijken dwars door je heen te turen met een blik die gif spuwt.

Hij staat te boek als de eeuwige loner, geïsoleerd en in zichzelf gekeerd. Ik heb hem nooit anders gekend. Zijn onooglijke vrijgezellenflat zal stellig donker, groezelig en van elke vorm van knusheid verstoken zijn. Een louter functioneel onderkomen waarin hij zich bij het krieken van de dag terugtrekt.
De nacht is zijn partner. Velen beweren dat hij dan uit is op gewillige prooien. Enkelingen dichten hem zelfs een smoezelig en profaan seksleven toe. Ze nemen daarbij expliciete woorden als gangbang in de mond, evenals wurgseks en geslachtsverkeer op openbare plaatsen. “Van zodra het warmer wordt, is het van dat” wordt er bedachtzaam gefluisterd. “Stel het u voor zeg, zoveel onbetamelijke bandeloosheid!”
Recentelijk vernam ik dat hij kinderen zou hebben bij verschillende vrouwen. Niemand weet precies hoeveel en met wie, maar sowieso zou hij zijn nakomelingen niet erkennen. Het maakt er hem niet bepaald sympathieker op.

En toch fascineert hij me. Hij is rap van tong. Hij zuigt zich vast aan nachtelijke omstanders. Dat is aanvankelijk even schrikken, maar met zijn verbazend lieflijke stemgeluid en zijn hypnotiserende blik trekt hij de argelozen moeiteloos naar zich toe. Dolzinnig kan je hem hierbij bezwaarlijk noemen; hij gaat immer omzichtig te werk. En telkens treft hij doel.

’s Winters weet niemand wat hij uitspookt. Dan verlaat hij zijn kluizenaarsstek onder geen beding. Er wordt wel eens smalend opgeworpen dat hij daar dan misschien één langgerekte winterslaap houdt. Een uitlating die iedere keer weer op massale instemming wordt onthaald wegens “echt iets voor hem”.

Gisterenavond liep ik hem onvermoed tegen het lijf. Hij staarde me een ganse poos verbolgen aan alvorens doodgemoedereerd zijn weg te vervolgen.
De winter loopt op zijn laatste benen. Hij is weer op pad.
.

[ Foto: © Menck | aanklikbaar voor groter ]

Advertenties

Boom shake the room

Soms zullen de mensen om je heen je keuzes niet begrijpen. Dat is niet erg, want je maakt ze ook niet voor hen.
Toen ik destijds onze keuken ten dele in fel limoengroen wilde verven, werd daar door een aantal mensen uit mijn nabije omgeving met afschuw op gereageerd. Maar na de transformatie draaiden ze bij: “Hm, dat valt best wel mee, eigenlijk.”
Ondertussen zijn we menig jaartje verder en zijn Katrien en ik dat opdringerige groen wat beu geraakt. Dat komt wel vaker voor met kleuren die niet meteen als neutraal te boek staan. We hebben dan ook besloten om het groen te vervangen door wit.
En wat blijkt? Daar wordt door sommige mensen uit mijn nabije omgeving met afschuw op gereageerd. “Je gaat dát toch niet doen, zeker?”
Tja.

Afgelopen zomer maakten we nog maar eens een bewuste keuze. Die hield echter een behoorlijk drastische ingreep in. Doch dit keer geen kat die ze afkeurde.
We hadden namelijk weken op voorhand een cognitief proces gefinetuned. De merites van meerdere mogelijkheden werden telkens nauwgezet tegen elkaar afgewogen. Uiteindelijk kon ik onze beslissing perfect funderen. En dat vernemen de meeste mensen graag, het waaróm van een keuze. Als het dan om een praktische en nuttige beweegreden gaat, wordt er doorgaans instemmend geknikt.

Maar nu ter zake.
Om ons zuidgericht terras te bereiken, dienen we de woning via de achterdeur te verlaten. Die geeft echter uit op de noordkant van onze tuin. U ziet me thans beslist al laveren met een dienblad vol glazen en hapjes doorheen de dichte bosschage en over de lange ruige paden die onze wilde tuin kenmerken teneinde mijn gasten van spijs en drank te voorzien.
Ook zij die, ik zeg maar iets, even naar het toilet willen, moeten dit tracé afleggen. Het wasrek op het terras plaatsen? Idem. Net zoals alles aanslepen voor een barbecue en de boel ’s avonds weer binnenhalen.
En dat terwijl het terras zich vlak naast de erker bevindt. Die laatste is weliswaar voorzien van grote glaspartijen doch niet van een deur. Een afgesloten geheel, zeg maar.

Ja, u voelt me al komen.
Verdere uitleg dienaangaande is overbodig; ik laat de foto’s voor zich spreken.
Weet echter één ding: tot nader order de beste beslissing van ons leven. Oké, oké, op ons huwelijk na, misschien.

.

SITUATIE VOOR:

SITUATIE TIJDENS:

SITUATIE NA:

De buitensituatie nog afwerken en klaar is Kees.

[ Foto’s: © Menck ]

Terrasjesweer

Februari heeft welhaast twee weken lang gesolliciteerd om te mogen fungeren als dienaar van de lente. Al die tijd hield de statistisch koudste maand van het jaar met verve de (zonne)schijn op. Maar schijn bedriegt, want op zijn laatste dag komt februari opnieuw iets nukkiger uit de hoek, ook al zit de traditionele vorst die de maand kenmerkt er niet meer in.

In al dat voortijdig genietbaars schuilt gewis ook een zeker onheil. Duizenden verontruste jongeren voorvoelen en vatten het thans bewuster dan wij, de mature tak van de samenleving. Zo stak ik eerder deze week, zonder de minste gewetenswroeging, de kop in het zand en heb ik de ongenadige koperen ploert dolenthousiast in mijn armen gesloten, onderwijl “Meer van dat!” wensend. Wie in dezen zonder zonde is, werpe de eerste steen.
Zoveel premature lente kon ik onmogelijk links laten liggen. Terrasjesweer, dát was het. En zodoende heb ik dan ook langdurig op mijn terras vertoefd, mijn bleke bovenbast slechts gehuld in een dun T-shirtje. Al heb ik op die zonovergoten plek een en ander verricht dat niet bepaald tot de geneugten des levens kan worden gerekend:

Na meer dan twintig jaar was het gros der houten latten zodanig verweerd dat ik letterlijk putten in het plankier stampte. Deze houtsoort dateert nog van voor er ook maar sprake was van het commercieel succes dat bankirai of andersoortig tropisch hardhout heden kenmerkt. De rijke mosgroei waarschuwde me al een paar jaar: dit terras is compleet óp.

De ontmanteling had best wat voeten in de aarde. De koppen braken af bij het willen uitdraaien van de schroeven, een gekend manco van inox. Zodoende diende ik mijn aloude koevoet en baarlijke spierkracht aan te spreken om de hele zooi los te wrikken. Ik verzeker u: er zijn voorwaar fijnere klussen denkbaar.
Op vandaag is het eerste stuk van het terras ontdaan van deklaag en onderconstructie. Het langszij liggende tweede terrasdeel volgt in een later stadium – zijnde bij tijd en goesting.
Rest er nog het elimineren van alle kiezel tussen de treinbielzenfundering om vervolgens ook die loodzware jongens af te voeren.

In de plaats komt er een stenen terras. Tegels, blauwsteen of klinkers, ik ben er nog niet uit. Als het maar niet meer kan rotten. En als het maar niet meer zo verrekte spiegelglad wordt bij nat weer, dat ook.

U ziet het: februari doet vandaag de boeken toe, maar maart opent meteen een schreeuwerige agenda. Al zal die ten dele worden ingevuld door lieden die meer thuis zijn in het construeren van terrassen dan ik. Om maar te zeggen dat ik me liever stort op groen dan op stenen.

* * * * *

Het terras in betere tijden:

[ Foto’s: © Menck ]

Valentijn

.

[ Foto: ©Menck ]

Dit eekhoornjong viel eind september vorig jaar uit een hoog in de berk opgehangen kweekblok.
Een ongeluk, of verstoten door de ouders.

Als een snoek op zolder

Omdat de vrouw waarmee ik getrouwd ben sinds we een huwelijk aangingen me poeslief doch indringend heeft gevorderd om een stukje van onze zolder in te richten als hobbyruimte, zocht ik het vandaag dan ook hogerop in onze woning. De laatste keer dat ik de zolder betrad, was Obama nog presidentskandidaat voor zijn eerste termijn en moest de iPad nog worden uitgevonden.
Wat schetste mijn verbazing toen ik de ladder had bestegen? Dat het er nog drukker was dan op een avondmarkt in de Marollen. En even groezelig ook. Want hemeltjelief, wát een stof en wélk een hoeveelheid spinrag trof ik me daar aan.
Geen schatten op onze zolder, doch bovenal rommel, vergeten huisraad en uitgerangeerde toestellen allerhande wegens kapot of voorbijgestreefd. Als ik hier ooit grote schoonmaak moet houden – hetgeen er daadwerkelijk zit aan te komen – dan raad ik mezelf aan een container te huren en alles erin te zwieren. Of toch bijna alles, want een aantal elementen werden destijds op zolder geplaatst om bij te houden. Ik denk aan het stevige hardhouten stapelrek, een zelfgemaakte lange bijzettafel en een marktkramerstent die ik ooit voor een habbekrats op de kop wist te tikken. Niet dat ik marktkramerambities heb, doch als abri voor een tuinfuif is ze evenzeer geschikt. Want dat ben ik wel nog van plan in mijn leven: ettelijke tuinfuiven geven.
Doch eerst maar eens een nieuw terras plaatsen, want vorige week ben ik door het bestaande geschoten met mijn rechtervoet, hetgeen me allerminst deugd deed. Houtrot na tweeëntwintig jaar geseling door ons Belgisch klimaat, het mag geen verwondering wekken.

Achter een gitzwarte kast – had ze vroeger geen glazen deuren? – lag er nog een stapel vergeelde Humo’s uit de tijd dat ik nog in kolder en gein geïnteresseerd was. Eén ervan maakte gewag van de oprichting van de commerciële zender VTM, ondertussen toch alweer dertig jaar geleden.
Ik vond er tevens een bundeltje biljetten van twintig Belgische franken (heden een halve euro), opgerold en bijeengehouden door een eindje vlastouw. Een snelle telling leerde me dat ik alzo drieduizend frank heb laten verkommeren, in die jaren een aanzienlijk bedrag doch heden nog amper vijfenzeventig euro waard. De tijden zijn danig veranderd, wat ik u brom.

Ik nam wat foto’s teneinde een schetsje te kunnen voltrekken van de toekomstige hobbyruimte mijner bedhelft. Exact opmeten doe ik immer daarna.
Ik weet nu al dat ik me met een aantal problemen geconfronteerd zie waar ik, nochtans doe-het-zelver zijnde, geen raad mee weet:

  • Er bevindt zich slechts één stopcontact op zolder. En daarop is de brander aangesloten. Elektriciteit installeren is echt niet mijn ding;
  • De verlichting is op één peertje na onbestaande. Er zal extra bekabeling moeten worden geplaatst naar de hobbyhoek;
  • De betonnen vloer is zo ruw en oneffen als de huid van mijn schoonmoeder. Voorlopig geen idee hoe ik dat zal oplossen.

Staat eveneens in de pijplijn voor 2019:

  • Het oude tuinterras afbreken en een nieuw (laten) plaatsen;
  • De grootste van de twee vijvers leegmaken en die ganse tuinhoek heraanleggen;
  • De hall renoveren en schilderen;
  • Overmatig veel werk op de agenda als zelfstandig hovenier.

Ik wou dat ik een kat was.
Dan had ik negen levens.
Ze zouden zéér van pas komen.

 

De zolder van zuid naar noord (boven) en van noord naar zuid (beneden). Afmeting: 16 x 10 meter, stahoogte: 2,5 meter.

[ Foto’s: © Menck | aanklikbaar voor groter ]

Als een eitje

Medio de jaren zestig van de vorige eeuw lieten mijn ouders een regenput plaatsen. Dan werd daar een handbediende smeedijzeren pomp op aangesloten waarmee mijn moeder op een relatief vlotte wijze haar wasmachine kon vullen.
Wasmachines werden toentertijd nog getankt via een luik aan de bovenkant waardoorheen emmers water werden gekipt. Zo’n machine had als hoofdtaak het in zeepsop verzonken wasgoed te verwarmen en het wat loompjes te laten ronddraaien in een soortement verzinkte kuip. Er was nog lang geen sprake van hoogtoerige inox trommels die textiel spoelen en het tevens handdroog zwieren.
Anno 2019 lijkt het folklore, maar toen was het bittere ernst.

Een regenput dus. Het betrof een overmaatse ronde kuip met deksel uit gewapend beton zoals we die heden nog steeds kennen. De inhoud was in die dagen met drieduizend liter echter geringer dan onze huidige modellen.
Met een stoere hijskraan zou de zware put ter aarde worden besteld, hetgeen een kleine volkstoeloop teweegbracht in het destijds slapende ouderlijke gat.
Maar het liep mis.
Nog voor de put kon worden neergelaten, brak de kabel van de hijskraan. Het betonnen gevaarte kwam met een doffe bons op de grond terecht en vertoonde prompt een barst van bodem tot top.
De aannemer trof schuld in dezen. Hij liet een nieuwe regenput aanrukken die dit keer zonder hindernissen werd geplaatst. Maar de gebarsten regenput werd achtergelaten in de tuin, tegen de omheining met de achterburen.

Pa besloot er kippen in te gaan kweken. Hiertoe werd, middels moker en beitel en met veel geduld en mankracht, een gat ter grootte van een deur uitgekapt. Een houten poortje sloot deze toegang af en hield ’s nachts tien gevederde dames binnen. Rond dit massieve betonnen kippenhotel werd een ren geconstrueerd die een beperkte uitloop garandeerde. En ziedaar: mijn vader startte zijn eigen kweekstation, want het pluimvee werd op schier anderhalve maand vetgemest, geslacht, gereinigd en in de diepvriezer gepropt. Daarna kwamen tien nieuwe dames logeren voor een week of zes.

Het slachten deed mijn vader zelf, hoewel dit geschiedde met een geweldige tegenzin van zijn kant. En die van de kippen, dat ook.
Pa had een aversie tegen dierenleed. Daarom diende het doden zo snel mogelijk te worden geëxecuteerd. De eerste poging, met een helaas iets te botte bijl, bracht geen soelaas. De kip in kwestie trok haar kop weg met als gevolg dat haar bek van haar kop werd gescheiden en ze bloedde als een rund. Ze werd uiteindelijk afgemaakt met een genadeslag van de spade, na haar eerst een tiental minuten achterna te hebben gezeten.

Om kip nummer twee naar het hiernamaals te verwijzen werd gebruik gemaakt van een aardappelmesje. De snavel werd met één hand vastgehouden wijl pa met zijn andere hand het mesje bediende. Ik moest tegelijkertijd de poten van de kip vasthouden omdat ze te heftig de lambada danste met haar lijf hetgeen doelgericht werken danig bemoeilijkte. Onze samenwerking lukte aardig. Met vaardige hand scheidde mijn vader de kop van de romp. Ik vond het vooral fascinerend dat de kop op zich nog een tijdje bleef leven en me gedurig knipoogjes toewierp. Ook het lijf leek nog een poos een eigen bestaan te leiden; de vleugels klapwiekten als gek wijl de poten houvast zochten in het ijle.
Deze methode werd echter afgevoerd wegens te arbeidsintensief en te ongecoördineerd.

Uiteindelijk is mijn ouwe een methode beginnen uit te dokteren die hij jarenlang heeft volgehouden. Deze briljante werkwijze was adequaat, pijnloos en wist de tien kippen tegelijk in één vlotte beweging het leven te ontnemen.
Mijn broer en ik maakten daartoe met onze schopjes tien putjes op rij in de moestuin. Daarin werden de kippen stuk voor stuk gedeponeerd op hun achterwerk en werden de putjes dichtgegooid. Thans staken nog slechts de koppen boven het maaiveld uit. Yep, maaiveld: de grasmachine werd over de koppen gedirigeerd en het eens zo akelige klusje was op een wip en een scheet gepiept. De koppen belandden netjes in de opvangbak van de grasmaaier, wat meteen ook een stuk properder werken was.
Vervolgens kon het slachten beginnen, een klus waar ook mijn broer en ik werden voor ingeschakeld. Ik heb alzo geleerd om vlot een chick binnen te doen en ze als een kip zonder kop compleet kaal te pluimen. Een behendigheid die me in mijn latere uitgaansleven meermaals goed van pas is gekomen.

Het leven als leermeester? Het heeft me geen windeieren gelegd, zeg ik u.

Boe noch ba

We namen plaats aan een ronde glazen tafel, hij met een kloeke bel cognac en ik met een veel te slappe koffie. Op een aftands taboeretje dat in de hoek van de verder lege kamer stond, bevond zich zijn jonge bruid. Ik schatte haar begin dertig, mogelijks iets ouder. Het gros van de tijd zat ze met gebogen hoofd in haar glas water te staren als ware ze verlegen om in onze nabijheid te vertoeven.
V
orig jaar had hij haar ten huwelijk gevraagd. Ze had meteen ja gezegd, zelfs nadat hij haar had voorgesteld om definitief in België te komen wonen.
Ze liet zich, welhaast op fluistertoon, ontvallen dat ze nooit meer terug wil naar Thailand. “Belgium bettel”, besloot ze kordaat, al was van enige overtuiging in haar nederige decisie niet veel merkbaar.
Haar Engels gaat erop vooruit”, gaf haar nieuwbakken echtgenoot me enigszins meesmuilend mee. “Maar nu volgt ze ook Nederlandse les. Nietwaar schat?”
“Ies moeluk, Dutch.” Waarna ze opnieuw het hoofd boog en haar volle aandacht weer op het glas water in haar handen richtte.

Hij is een naar België uitgeweken norse Duitser van achter in de zeventig. Drie jaar geleden verloor hij zijn eerste vrouw aan de dood door sterfte wegens overlijden. Zij had erop gestaan dat hij niet single zou blijven.
Na meer dan dertig jaar verblijf in ons land, is zijn uitspraak nog steeds erg Pfaffiaans. Voor de niet-Belgen onder u: hij spreekt Nederlands met een zware Duitse tongval.
“Nog ein Kaffee, Menck?”
“Nee, dank u. Laten we terzake komen.” Ik schoof mijn kartonnen mapje dichterbij en diepte een balpen uit mijn binnenzak op.
“Gut idee. Maar ich neem da nog ein beetchen cognac bei.” Hij stond op en slofte, zijn lege glas in de hand, naar het kleine aanpalende keukentje.
Er viel thans een welhaast breekbare stilte. Zij bleef gefascineerd naar haar glas water staren, misschien wachtend tot het geheel en al verdampte, en ik bladerde geruisloos door mijn schetsen en berekeningen.

Ein kot, dus. Ein afdak, eigenluk. Für de fietsen enerzeids en für de containers anderzeids.”
Met containers bedoelde hij de plastic gft- en vuilnisbak. Onze noorderburen plegen die dingen wel eens kliko te noemen.
De constructie diende te worden opgetrokken in een onregelmatig gevormde, scherpe L-hoek van de tuin. De afmetingen werden me een paar weken geleden bij benadering doorgemaild. Voor de rest kreeg ik carte blanche, zolang het maar “Nicht zu duur” zou zijn. “Geen kostbare tand- und groefplanken, bitte. Als de rommel an das sicht van de straat onttrokken ist, ist das al lang goed voor mei. Alles klar?”

Toen de klus eenmaal achter de rug was, werd ik snel en correct vergoed. Via-via vernam ik dat meneer erg tevreden was over mijn werk. Me deze heuglijke tijding in eigen persoon meedelen, was echter teveel van het goeie. Hij is een man van weinig tot geen complimenten met een star, koud gezicht dat zich nimmer laat aflezen. Zoals het een rechtgeaarde stoïcijnse Duitser betaamt, denk ik dan.

Dit voorjaar mag ik tevens de nu nog geheel uit gazon opgetrokken tuin aanleggen. En er zelfs een tuinschuurtje construeren. Dat is me ook wat waard, natuurlijk, al had een persoonlijk compliment of een gemeende dankjewel wellicht nóg meer deugd gedaan.

* * * * *

Aanvangssituatie:

Schets van de berging vóór opmeting:

Uitvoering en afwerking:

Materialen:

  • kerngeïmpregneerd vurenhout;
  • dakbedekking: multiplex + EPDM rubberfolie;
  • vloer: verharde dolomiet.

Later nog te plaatsen:

  • goten + regenpijp

___

[ Foto’s & schetsen: © Menck ]