Wreed accident

Of ook: hoe een foto kan worden afgestemd op de inhoud van een artikel.

                                                              * * *

 

@ deredactie.be: een vacature voor een corrector dringt zich hoe langer hoe meer op.

Heel wat te biede: Ter Yde

Het was er zó onaards mooi dat ik mijn madam rozewolkgewijs voorstelde om er voor ons tweetjes een huisje neer te poten en er permanent te gaan wonen. Maar dat mag niet in een natuurreservaat, natuurlijk.

Zondag 14 augustus | Oostduinkerke | Exploratie ‘Ter Yde’

Zwoel, windstil en een handvol verdwaalde schapenwolkjes aan een verder staalblauw firmament: afgelopen weekend liet de zomer zich ontegensprekelijk van zijn fraaiste kant zien. Mijn madam en ik besloten die zondagmiddag om de benenwagen te nemen en daarbij de platgetreden paden bewust te mijden. Ons oog viel op natuurreservaat Ter Yde, een uitgestrekte duinengordel waar fauna en flora hun gang kunnen gaan zonder al te veel menselijke inmenging.
Achteraf gezien hadden we die dag misschien toch maar beter de koelte van een of ander bos opgezocht, want niet eens halverwege de ruige wandeling parelde het zweet ongegeneerd op onze beider voorhoofden en hadden mijn okselvijvers reeds apparente vormen aangenomen. We zetten onze klautertocht onder de loden zon verder na een poos te hebben gepauzeerd op een karakteristieke mosduin waar wat schaduw te rapen viel. Iets meer dan zeven kilometer sappelen door rul duinenzand in een zwaar glooiend kustgebied is in niets te vergelijken met een gezapige zondagse wandeling op de dijk of het natte strand, zelfs niet voor mensen mét een topconditie.

Ter Yde in Oostduinkerke is de verzamelnaam voor een uitgestrekt duinencomplex van 260 hectare. Deze natuurparel heeft een grote variatie aan duintypes zoals duinpannen, duinbos, open graslanden en kammen vol dwergstruweel en vormt een brede overgang tussen duin en polder.
Het Hannecartbos, dat er deel van uitmaakt, is een nat elzenbroekbos waardoor de enige duinbeek van de Vlaamse kust stroomt. Een wandeling door dit natuurreservaat openbaart kwetsbare en zeer gediversifieerde flora, schitterende landschappen en wilde paarden en ezels die een deel van het gebied begrazen.

Onze kust is ronduit lelijk, vinden veel landgenoten. Ze storen zich voornamelijk aan de monotone, allesoverheersende hoogbouw. Maar de kustregio omhelst zoveel meer dan bewaakte zonnebaadzones, wandeldijken en veel te dure restaurants en prullariawinkeltjes. Het natuurschoon treft u niet zelden al op een steenworp van deze commerciële bastions. Enkel voor wie het toeristisch circuit wil verlaten, dat spreekt.
Overigens is het geheel en al onwaar dat de Belgische strandlijn slechts zou worden gevormd door flats, betonnen zeewering, schreeuwerig beschilderde strandcabines en overbevolkte terrasjes. Ik ben er, chauvinist zijnde, dan ook maar weinig mee opgezet als mensen me wijsneuzerig verkondigen dat ze naar Nederland dienen uit te wijken “om aldaar nog ongerepte stukken strand en natuurlijke duinen te treffen”.
Triple bah.

De dag afronden deden we desalniettemin op het – compleet verlaten – strand. Daar heerste een verfrissende woei. De ondergaande zon zorgde daarenboven voor genietbare taferelen.

[ Foto’s: Menck W. ]


Meer foto’s zien? KLIK.

Die avond, mijn ouwe en de kraaien

“Er zit etter in mijn plas. Een heel zware blaasontsteking. De dokter is net weg.”
“Moet je pillen nemen?”
“Drie per dag. Antibiotica. Een kuur van twintig dagen. Om te beginnen.”
“En veel drinken, pa. Heeft de dokter dat niet gezegd?”
“Ja. Twee glazen water per dag, commandeerde ze.”
“Je bedoelt twee liter, veronderstel ik?”
“Goh, was het nu twee liter? Zou zomaar eens kunnen. Toeme, dat ben ik vergeten. Ik vergeet wel vaker iets de laatste tijd.”
Er verschijnt een diepe frons op zijn voorhoofd. Hij sluit even zijn ogen en vouwt zijn handen in zijn schoot.
“Het blijft warm, hè”, counter ik zijn gepeins.
“Nog tweeëntwintig graden. Ik heb daarnet de thermometer gecheckt. Gek, maar ik voel geen pijn als ik plas.”
“Dat is omdat er geen leven meer zit in die lul van je.” Ik lach. Mijn lach blijft onbeantwoord.
“Jongen toch, dat was vroeger wel even anders. Je moest eens weten.”
Thans grinnikt madam Menck wijl ze haar blik gericht houdt op het magazine waarin ze verdiept is.

De maan verschijnt sikkelvormig aan het firmament dat van blauw naar oranje overvloeit. Op de toren van de oude maalderij beginnen de kraaien zich te verzamelen. Een dagelijks ritueel alvorens ze met honderden hun slaapboom opzoeken.
“Je hebt dat echt goed gedaan, Menck.”
“Wat bedoel je?”
“De garagepoort.”
“Ach, dat. Nu, die kon na al die jaren wel een lik verf gebruiken, niet?”
“Het is minstens twintig jaar geleden dat ze geschilderd werd. Of misschien zelfs dertig, ik weet het niet meer.”
“Ze kan er weer twintig jaar tegen, pa. Degelijke verf, weet je wel.”
“Ja.”

Het verzamelde kraaienleger krast thans geagiteerd. Straks zal het, als ware het op bevel, ineens het luchtruim kiezen. Een boeiend schouwspel dat al jaren vanop het ouderlijk terras te aanschouwen valt.

“Wil je een gin-tonic, Menck? Het is er dé avond voor, vind ik. Je weet waar de flessen staan.”
“Straks. Wil ik voor jullie een fles cava ontkurken?”
Madam Menck kijkt op en mijn vader grijnslacht. “Het moet niet altijd water zijn, niet?”
“Jij ook, schat?”
“Bwah, waarom ook niet. Het is er inderdaad de avond voor.”
Ik sta recht en geef mijn ouwe een knuffel.

Het geheugen werkt vaak fotografisch.
Een flits van vroeger is er plots weer.
Niets beweegt erin, alsof de tijd besliste om even een korte rustpauze te houden.
Mijn vader zit nog steeds op dezelfde stoel.
Zijn gezicht kun je dichterbij halen.
Dan zie je hoe over zijn ogen een dun laagje vocht ligt en trilt, nog geen echte tranen, maar toch, iets als een pril begin van verdriet.
Zijn handen liggen in zijn schoot, lichtbruin, als gevallen bladeren, wegzakkend in een wolk van weemoed.
En ik, nog immer zijn kind, leg het hoofd met de rode schram over de wang op de harde rondingen van zijn knieën.
Straks, zo besef ik, laat hij mij los en leer ik de eenzaamheid van de volwassenen.

 

[ Foto & video: Menck W. ]

Houdt mij voor de zot: de buxusmot

De afgelopen weken kreeg ik de ene telefoon na de andere van klanten wier buxushagen en/of -vormen belaagd worden door de larven van de steeds frequenter voorkomende buxusmot. Soms gaat het over ettelijke tientallen meters uitzichtbepalend plantgoed.
Ingrijpen in dezen dient snel te gebeuren, want al na enkele dagen larvenvraat ziet de buxus er als volgt uit:

Kortom: een totaalverlies. Uitgraven en weggooien is in dit stadium nog de enige optie.
En dus sproei ik me dezer dagen te pletter met Bio-Pyretrex, een peperduur bestrijdingsmiddel op basis van pyrethrinen dat snel en doeltreffend werkt. Bovendien is dit product van plantaardige oorsprong waardoor het geen nawerking heeft zodat het biologisch evenwicht na de behandeling spoedig herstelt.
Een andere biologische bestrijding is mogelijk met Bacillus thuringiensis var. Kurstaki (Btk). Rupsen die besmet raken met deze bacterie krijgen problemen met hun spijsvertering, stoppen met eten en sterven.

Groot nadeel van deze zogezegde biologische verdelgers: ze doden ook alle andere soorten rupsen die inheems en niet schadelijk zijn.
Helemaal niet ecologisch verantwoord, dus.

En zo beland ik bij mijn vraag aan de ecologische tuiniers van wie de tuin het predicaat ‘zonder is gezonder’ draagt: hoe zou u zoiets aanpakken?
Met een antwoord à la ‘de rupsen gewoon laten doen’ neem ik hoegenaamd geen vrede, net zo min als met het voorstel om de buxus dan maar te vervangen door resistente flora. Mijn klanten willen hun jarenlang gekoesterde en minutieus onderhouden buxus behouden, ziet u.

Zodus, alle goed bezig zijnde en op ecologisch ingrijpen prat gaande tuiniers: tell me something, please.

[ Foto’s: Menck ]


UPDATE 10/08/2016: deredactie.be

Binnenstuifduif

Er zat een duif in de woonkamer. Ik zag ze pas nadat ik me had gedoucht en me vervolgens in de makkelijke fauteuil had geposteerd. Vanop de ficus hield ze me nauwgezet in de gaten. Bewegen deed ze nauwelijks.
Dit was een behoorlijk irreëel tafereel, temeer daar er geen enkele mijner poezen omtrent was en alle ramen in de living gesloten waren. Maar op de ficus zat een echte duif. Hoe was dit beest in godsnaam binnengeraakt?

Toen ik, zo voorzichtig mogelijk, uit de zetel opstond en welhaast in slow motion richting keuken schuifelde, maakte ze aanstalten om weg te vliegen. Even hield ik mijn pas in. Het beest ontspande zich quasi ogenblikkelijk. Twee donkere oogjes priemden zich in de mijne.
“Fuck,” siste ik tussen mijn tanden toen ik merkte dat de onderste bladeren van de ficus reeds rijkelijk bedolven waren onder de duivenexcrementen. “Hoe lang zit jij hier al, vriend?” fluisterde ik daarop richting duif. Het beest zweeg in alle talen, maar hield ineens het kopje schuin naar rechts alsof het effectief mijn woorden proefde.
“Ik ga even naar de keuken, oké?” suste ik fezelend de gevleugelde indringer. Thans bewoog de duivenkop naar links. Daarna verwijderde ik me met kinderpasjes uit de woonkamer.

“Et maintenant?” neuriede ik schier onhoorbaar toen ik me in de keuken en uit het gezichtsveld van de duif bevond. Op het terras lag een vijvernet met uitschuifbare steel. Dat ding binnenshuis wild zwaaiend hanteren zou het effect van de spreekwoordelijke olifant in de porseleinenkast sorteren. Maar hoe vang je in ’s hemelsnaam een te midden van de woonkamer gestationeerd duivenbeest? Het kreng in de kruimeldief zuigen was al even utopisch als het trachten te vangen door zout op zijn staart te leggen. Hier diende kordaat te worden ingegrepen. En aldus toog ik richting badkamer alwaar ik een strandlaken uit het lavabokastje opdiepte.
“Right, Mister Pigeon, here I come.” Met in beide handen een uiteinde van de overmaatse handdoek gevat, liep ik opnieuw de keuken in. Voorzichtig stak ik van daaruit mijn hoofd de living binnen. Geen duif meer te bespeuren op de ficus. Het vliegend stuk fauna had zich thans verplaatst naar mijn televisietoestel, alwaar het er reeds in geslaagd was twee witte stempels op het scherm te drukken.
Ik trok me terug in de keuken en schopte mijn pantoffels in een hoek. Deze jachtpartij diende op kousenvoeten te verlopen, zoveel was zeker. Vervolgens nam ik opnieuw het strandlaken vast en wikkelde mijn beide vuisten in de uiteinden. Ik sloop de woonkamer binnen.

De duif koesterde aanvankelijk geen argwaan, ook niet nadat ik ze behoedzaam tot op een drietal meter was genaderd. Thans hield ik mijn strandlaken in de aanslag en bracht ik met ingehouden adem zo traag mogelijk mijn armen naar omhoog toen plots de telefoon begon te rinkelen. Op een wip en een scheet stoof het beest op, scheerde wild fladderend langs mijn hoofd en zocht beschutting bovenop de grote boekenkast. Ik kon het kreng wel schieten.
“Hallo?”
“Hey, ik ben het. Ik zal wellicht een uur moeten overwerken vanavond.”
“Doe maar rustig, schat. Ik heb mijn handen vol op dit moment.”
“Waarmee dan?”
“Met een strandlaken. Ik ben op duivenjacht.”
“Je bent op wát?”
“Ik leg het je vanavond wel uit. Doei doei.”
Toen ik inhaakte en me omdraaide, zette de duif zich van de boekenkast af en liet zich sierlijk uitzweven tot op de rugleuning van de divan. Op dat moment kwam Waldo, onze gewiekste kater, binnen getrippeld en kreeg hij de vogel in het oog. Wat toen volgde, ging bliksemsnel en laat zich nog het best omschrijven als zoef!-sprong!-fladder!-pluimen! Met de wild spartelende duif in zijn bek stoof hij de woonkamer uit richting keuken. Meteen zette ik in looppas de achtervolging in. Ik kon nog net zien hoe hij hooglijk geagiteerd met het stevig tegenwerkende pluimenbeest door het kattenluik in de berging de tuin indook.

Ik stapte terug naar de living met de bedoeling de feces van ficus en tv te gaan verwijderen toen ik het wijd openstaande raam in mijn bureel bemerkte.
Van mijn computerscherm droop een… juist, ja.

De (puber)tijd van toen: Linde-bos

In de tijd dat ik al enkele jaren niet meer met mijn handen boven de lakens sliep, leerde ik een grietje kennen. Ze was jong en onervaren en droeg de schone naam Linde. Bovendien was ze door moeder natuur gul bedeeld met alle toeters en bellen die van een meisje een vrouw maken. Kortom: ik was smoor op dat kind en koesterde, gezonde jonge knaap zijnde, hoge verwachtingen aangaande onze eerste lichamelijke exploraties.

Tijdens de kortste nacht van dat jaar belandden we, werkelijk geheel toevallig, middenin een stukje ongerepte bosschage. Terwijl we ons neervlijden op het hoogpolige mos dat welig tierde onder de diverse loofbomen, sprak ik haar de lieflijkste zinnetjes toe. Haar ogen draaiden regelmatig weg onder zoveel verbaal genot. Op het moment dat de krekels rondom ons hun nieuwste zomerhit begonnen te sjirpen en er aan de einder een eenzame wolf naar de maan huilde, schoof ik mijn tong tussen haar lippen en schreef er haar naam mee. Nog een geluk dat het schone kind niet Marie-Antoinette heette, want vlak nadat ik mijn sierlijke schrijfbewegingen had beëindigd, voelde ik alras hoe een acute kramp zich van mijn kaken meester maakte.

“Laten we roken,” stelde ik gewiekst voor. Ik ging rechtop zitten.
“Ik rook niet,” sprak ze verdedigend.
“Nu nog niet,” knipoogde ik schalks. Wegens de obscuriteit van de ons omringende nacht ontging dit dubieuze gebaar haar.
Daarna begon ik behoedzaam haar T-shirt op te stropen. Dat liet ze zich, onder nauwelijks hoorbaar gekreun, erg welgevallen. Pas toen mijn hand haar linkerborst omvatte, schoot ze wakker uit haar verdoving.
“Ik… ik ben nog…”
“…niet uitgekleed? Ik weet het. Laat ik je helpen met dit omslachtige manoeuvre.” Hetgeen ik ook deed. Nog voor de wolf een derde maal huilde, lagen we beiden spiernaakt te wezen op het mostapijt.
Aanstonds vatte mijn rechterhand een grondige detectie van Linde’s lichaam aan. Geen enkel plekje, op down under na, werd hierbij overgeslagen. Ik streelde over, kneep in en punnikte aan elke heerlijkheid die ik op mijn verkenningstocht tegenkwam. Ons beider gezucht oversteeg weldra het krekelgesjirp.
Ineens baadde onze plaats in het bos in een helder wit licht. De maan kwam vol vanonder een wolk geschoven en zette daarmee vijfenvijftig kilogram begeerlijk vlees in lichterlaaie. In mijn hoofd werd een schot gelost. Een startschot, zo interpreteerde ik het. En dus bracht ik datzelfde hoofd naar het – door een vakkundig bijgewerkte haarstrip bedekte – deeltje van Linde’s lijf dat door menig taalartiest al in de kleurrijkste termen werd geparafraseerd.

Ten tweede male schoof ik mijn tong tussen haar lippen, doch dit keer allerminst met de bedoeling er haar naam mee te schrijven.