Uit het (hoveniers)leven gegrepen

Als hovenier betreed ik de meest uiteenlopende tuinen. Op vrijwel elk groen perceel steel ik met mijn ogen, want hoe alledaags een tuin soms ook lijkt, er valt vaker dan verwacht wel iets te ontdekken. Fijne creaties, creatieve oplossingen en charmante trouvailles leg ik met graagte op de gevoelige plaat vast, al zeker als ze vallen onder de noemer ‘goed(koop) gevonden’.

* * *

Behalve misschien in het schuurtje van opa, op – vooral Waalse en Franse – brocantemarktjes en in sommige veel te dure vintagewinkels, vindt u quasi nergens anders meer de geheel in onbruik geraakte metalen flessendroogrekken. Ze zijn zwaar, overmaats en voorbijgestreefd.

Ooit waren dergelijke rekken een zekere noodwendigheid en werden er melk-, limonade- en waterflessen op gedroogd teneinde die (verplicht!) proper te kunnen retourneren aan de plaatselijke melkboer dan wel brouwer. Heden leven we al tijden in een plasticmaatschappij en is een flessendroogrek nog slechts folklore.
Al zijn er tuiniers die een dergelijk vergeten object toch een coole nieuwe bestemming offreren:

* * *

Wat doet een kattenliefhebber wiens geliefde huisdier liever in de tuin dan binnenshuis vertoeft? Juist: een gezellig eigengemaakt buitenverblijf onder het lover voorzien voor dat beest, kekke kussentjes incluis:

* * *

Een zieke boom omleggen en de stam in moten zagen, betekent niet altijd dat er brandhout wordt gewonnen. Wat dacht u bijvoorbeeld van een geheel eigentijdse overwinteringsplaats voor egels?
Dit kunstzinnige ontwerp werd later trouwens afgewerkt met aarde, graszoden en mos. Ganz toll!

* * *

Bolacacia’s snoeien en de takken aan de composthoop toevertrouwen? Geen verkeerd idee, al kan er ook, zelfs gedurende langere tijd, eerst een tuinhoekje plattelandsromantisch mee opgeleukt worden:

* * *

Een kruiwagen die het hard te verduren krijgt, slijt en roest en wordt uiteindelijk afgeschreven. In plaats van hem dan maar meteen naar het containerpark te verwijzen, kan er evenzeer wat creatiever mee worden omgesprongen:

Bij diezelfde klant van me eten (’s winters) en drinken (’s zomers) de vogeltjes uit zijn handen:

* * *

Een wat kleinere tuin(hoek) kunt u optisch groter doen lijken door pienter gebruik te maken van een forse spiegel. Eenmaal strategisch goed geplaatst, creëert hij een immer in beweging zijnde trompe-l’oeil:

* * *

Plankresten gooi ik zelden weg. Want niks is leuker dan ze te investeren in nuttige kleinoden voor tuin en terras:

* * *

Wilt u op Moederdag vrouwlief verrassen met een weelderig en langlevend boeket zonder uw bruintje te plunderen? Vanaf volgende maand kan zulks weer volop. Een vaas gevuld met in de berm geplukt Fluitenkruid oogt ronduit feeëriek.
Of het wegnemen van Fluitenkruid langs de kant van de weg ook wettelijk te verantwoorden valt, weet ik echter niet, doch ik vergrijp me er jaarlijks meermaals aan.

* * *

Een deels vergane, lekke waterton een tweede leven geven? Met potaarde in plaats van water kan ze prima als attractieve plantenkuip dienen!

Hetzelfde geldt overigens voor zinken exemplaren:

* * *

Een aanhanger hoort bij een hovenier als bier bij een café. Maar soms, heel soms, laat dat ding het afweten en wordt het ter verzorging bij de remorquedokter gedropt. Op dergelijke momenten komt de plantrekker in mij naar boven: een bolderkarretje is dan alvast beter dan niets:

* * *

Bij één welbepaalde klant van me was het verlangen om ooit eens een ijsvogel bij zijn vijver aan te treffen een pak groter dan zijn gevoel voor goede smaak. Ach, nood breekt wet, zeg maar:

* * *

Eindigen doe ik met een foto die me tevreden en gelukkig stemt. Want als hovenier plant je meermaals een tuin aan zonder, enkele jaren later, het volwassen resultaat te mogen aanschouwen. Bij onderstaand stukje (voor)tuin kon dat wel, en bovendien vanuit de hoogte.
De foto nam ik vorig jaar in juni toen Rosa ‘Jacky’s Favorite’ (*) op haar fraaist te bewonderen viel tussen het symmetrisch opgebouwde groen van siergrassen en bolbomen.
Onstuimigheid binnen de perken: gotta love it.

[ Foto’s: © Menck | laatste foto aanklikbaar voor groter ]

____________

(*) Een creatie van Jaak ‘Jacky’ Vangampelaere, (gepensioneerd) professioneel rozenkweker, en tevens mijn schoonvader. De roos werd op mondiale schaal gecommercialiseerd wegens haar unieke eigenschappen.

Advertenties

Bange besognes

Het moet welhaast twintig jaar geleden zijn dat ik Veerle nog gezien heb. Ze engageerde zich toentertijd voor de natuurvereniging waarvan ik al jaren bestuurslid was. Toen ik het aldaar voor bekeken hield, scheidden zich ook onze wegen. Zo gaat dat wel vaker in het leven.

Vanmorgen las ik, middels een digitaal krantenberichtje, dat Veerle overleden is. Ze is amper vijfenvijftig geworden.
Tijdens een fietstochtje werd ze ineens onwel en stuikte ze kapoeres te gronde neer. Daarbij liep ze tevens een dubbele schedelbreuk op wegens het niet dragen van een fietshelm.
Onder de trieste mededeling was een foto van haar en haar man geplaatst. Die was duidelijk in betere tijden genomen aangezien Veerle nog geheel en al verticaal poseerde.

Het deed me behoorlijk wat, ook al volgde ik haar handel en wandel al twee decennia niet meer. Het was bovendien zo dat er eens te meer een bijna-leeftijdsgenoot – Veerle was drie jaar ouder dan ik – door de poort van de dood was gegaan.
Van mijn klasgenootjes uit de lagere school, zevenentwintig stuks in die jaren, heeft heden al een derde het tijdelijke met het eeuwige verwisseld. Twee ervan een hele poos geleden, doch de rest rond hun vijftigste.

Als ik er de necrologie in de krant op nasla, dan schrik ik bijwijlen van het percentage vijftigers dat wordt geannonceerd. Een paar dagen later lees ik dan weer dat de gemiddelde levensverwachting in België opnieuw wat is gestegen. Ik krijg dat maar moeilijk aan elkaar geknoopt, eerlijk gezegd.
Die levensverwachting is voor mannen overigens 79 jaar. Als het enigszins meezit, dan heb ik nog 27 jaar voor de boeg. Ze-ven-en-twin-tig. Nu ik dat getalletje zie staan, valt me vooral op hoe futiel het is. Zesenzestig (!) procent van mijn gemiddelde leven is daarmee al opgebruikt.
Ik krijg het ineens warm en koud tegelijk.

Mijn eerste zevenentwintig levensjaren zijn in een wip en een scheet voorbijgevlogen. Wat ervan overblijft, zijn slechts luttele herinneringen. Zullen mijn laatste zevenentwintig jaar ook…? En zal ik ze nog wel alle zevenentwintig – lijfelijk en/of geestelijk – beleven?
Nu ik er zo over nadenk: mijn ganse leven heeft zich gevoelsmatig als in een flits voltrokken. Nochtans geniet ik mateloos van elke dag die me gegund is. Is het dan mijn bewustzijn dat me gedurig stevig in het ootje neemt?

Het is, besef ik ineens, de eerste keer dat ik zo beredeneerd nadenk over de finale aftelling. En over de zucht waarin mijn aards bestaan tot zover is voorbijgevlogen. Doch vooral ook over wat er nog amper rest.
Een mens zou verdomme van minder weemoedig worden. En het was al zo’n 
kutdag(*) vandaag.

____________

(*) Over kut gesproken: de gemiddelde levensverwachting van vrouwen in België is 83,7 jaar. Waarmee eens te meer is bewezen dat krakende wagens het langst lopen.

Tijdelijk buiten gebruik

De zondag was te onzent niet bepaald de rustdag zoals hij doorgaans te boek staat. Ik ging een tweede gevecht aan met het terras, waarbij ik even was “vergeten” wat ik tweeëntwintig jaar geleden zo allemaal onder het plankier heb weggemoffeld.

Man, man, man, als dat zo blijft evolueren, vind ik misschien zelfs mijn decennia geleden zoekgeraakte portefeuille terug. Daarin stak, voor zover ik het me kan herinneren, nog een kleine vierduizend frank alsook een niet volledig afgestempelde zuipkaart van de jaarlijks weerkerende Scoutsfuif.

Volgende week vat ik het tweede terrasgedeelte aan. Ook hier weer volop kiezelstenen en al dan niet halfvergane treinbielzen.

En mocht u al denken dat ik de aanzienlijke hoop eerder losgewrikte planken stuk voor stuk op mijn aanhanger heb moeten laden om ze vervolgens nog eens te lossen in het containerpark: nope.

Een simpel zoekertje met als titel ‘Gratis brandhout’ volstond om prompt zestien enthousiaste bedes in mijn mailbox te treffen. Hij die me als eerste mailde, is er ondertussen mee weg. De brave man heeft alles netjes opgeladen terwijl mijn madam en ik onze boterhammen aan het verdienen waren. Een fijne mens noem ik zo iemand.

Kortom: wordt vervolgd.
Want wie is er bijvoorbeeld geïnteresseerd in een twintigtal loodzware treinbielzen variërend van erbarmelijke tot matige kwaliteit en een paar ton blauwe kiezelstenen? Gratis, vaneigens.

U misschien?

[ Foto’s: © Menck ]

Madam Menck maakt het bont

zet het blauw
van de zee
tegen het
blauw van de
hemel veeg
er het wit
van een zeil
in en de
wind steekt op

[ Willem Hussem | ‘In Druk’, 1965 ]

.

Ze overviel me compleet toen ze me de grote papieren zak overhandigde. Daarin trof ik tientallen tubes verf, penselen in alle maten, diverse paletmessen en een achttal strak opgespannen linnen doeken. Daarna overhandigde ze me nog een doek dat apart was verpakt wegens het buitenissige formaat: één bij anderhalve meter.
“Als dit niet dé aanleiding is om je verlangen te vervullen, dan weet ik het ook niet meer.” Ze schonk me de liefste glimlach mogelijk.
Nou, verrast ben ik alleszins. Ook over je voortvarendheid, trouwens.”
“Hoezo?”
Ik wilde mijn oude liefde nieuw lezen inblazen eens ik met pensioen ben. Dat is over, pakweg, vijftien jaar pas.”
“Weet ik, weet ik. Maar de microbe heeft je al wél weer te pakken.”
“Dat ontken ik niet. En wie weet wordt me wel eens een rustige week gegund dit jaar.”
“Voilà.”
Ik stond op, omhelsde haar en gaf haar een klappende pakkerd. “Heel erg lief en attent van je, en dat meen ik oprecht.”

Nauwelijks twee dagen later trof ik Katrien in mijn bureel aan voor een maagdelijk wit doek dat ze op mijn tekentafel had geposteerd. Ernaast ontwaarde ik enkele tubes verf en twee penselen.
“Ga jij ook…?” vroeg ik opgetogen.
“Ik wil het zó graag eens proberen.”
“Nooit geweten dat je schildersambities hebt.”
“Ik vind abstract erg mooi. En ik heb schitterende voorbeelden gevonden op Pinterest.”
“Zo werkt dat niet, schat. Originaliteit is hét codewoord bij het creëren van een werk.”
Ik ga heus niet na-apen, mocht je dat denken. Maar ik vond er wel een massa inspiratie.”
“Hm. Abstract dus.” Ik proefde het woord op mijn tong. “Abstract.”
Ja. Met lekker veel felle kleuren en absurde, wilde vormen. Hang zo’n doek tegen een witte muur en je krijgt een contrastelement van jewelste.”
En de, eh, visueel waarneembare werkelijkheid, zegt die je niks?”
“Bwah. Zoiets wordt al snel te klef, vind ik. Bovendien waag ik me daar niet aan. En om nou te zeggen dat ik daar fan van ben? Nee. Ik ben meer voor het moderne genre. Kleuren, vormen, lijnen, ritme, toonwaarden; zoiets.” Ze maakte enthousiaste armbewegingen wijl er een zekere opwinding in haar ogen verscheen.
“Ik denk dat ik je maar beter een hele poos alleen laat. Je hebt duidelijk je muze gevonden.”

Heden hangt Katriens schilderij in mijn werkruimte, beste lezer. Op haar verzoek heb ik er een strakke houten lijst voor geconstrueerd en die wit gelakt. Mocht ik ook eens schilderen.
Mensen die het werkje aanschouwen, worden altijd eerst even stil. Ik ben er nog niet uit of dat een goed of een slecht teken is.
Het is abstract”, zeg ik dan maar. Alsof dat alles verklaart.

Met graagte laat ik ook u een oordeel vellen. Klad het reactieluik van deze stek maar vol.
En geef vooral eens een onomwonden antwoord op de volgende prangende vraag:
“Zou u het schilderij ophangen of eerder de schilder zelf?”

.

[ Foto’s: © Menck ]

Weer op pad

Hij is het type waar slechts weinig mensen voor vallen. Hij stapt traag en plomp en lijkt constant op zijn hoede. Om de vijf voet maakt hij pas op de plaats. Alsof hij elk ogenblik onheil verwacht. Tenzij hij veeleer kortademig is, wat best zou kunnen; zijn corpulente lijf zal hem beslist parten spelen.

Pas als de schemering de dag wandelen stuurt, gaat hij op pad. Mogelijks schaamt hij zich voor zijn pokdalige uiterlijk. Een dermatoloog zou aan hem een vette kluif hebben. Zijn voorkomen schrikt dan ook menigeen af. Sommigen vinden hem een ronduit weerzinwekkend creatuur en blijven bij voorkeur uit zijn buurt. Zijn bolle, priemende ogen boezemen angst in. Ze lijken dwars door je heen te turen met een blik die gif spuwt.

Hij staat te boek als de eeuwige loner, geïsoleerd en in zichzelf gekeerd. Ik heb hem nooit anders gekend. Zijn onooglijke vrijgezellenflat zal stellig donker, groezelig en van elke vorm van knusheid verstoken zijn. Een louter functioneel onderkomen waarin hij zich bij het krieken van de dag terugtrekt.
De nacht is zijn partner. Velen beweren dat hij dan uit is op gewillige prooien. Enkelingen dichten hem zelfs een smoezelig en profaan seksleven toe. Ze nemen daarbij expliciete woorden als gangbang in de mond, evenals wurgseks en geslachtsverkeer op openbare plaatsen. “Van zodra het warmer wordt, is het van dat” wordt er bedachtzaam gefluisterd. “Stel het u voor zeg, zoveel onbetamelijke bandeloosheid!”
Recentelijk vernam ik dat hij kinderen zou hebben bij verschillende vrouwen. Niemand weet precies hoeveel en met wie, maar sowieso zou hij zijn nakomelingen niet erkennen. Het maakt er hem niet bepaald sympathieker op.

En toch fascineert hij me. Hij is rap van tong. Hij zuigt zich vast aan nachtelijke omstanders. Dat is aanvankelijk even schrikken, maar met zijn verbazend lieflijke stemgeluid en zijn hypnotiserende blik trekt hij de argelozen moeiteloos naar zich toe. Dolzinnig kan je hem hierbij bezwaarlijk noemen; hij gaat immer omzichtig te werk. En telkens treft hij doel.

’s Winters weet niemand wat hij uitspookt. Dan verlaat hij zijn kluizenaarsstek onder geen beding. Er wordt wel eens smalend opgeworpen dat hij daar dan misschien één langgerekte winterslaap houdt. Een uitlating die iedere keer weer op massale instemming wordt onthaald wegens “echt iets voor hem”.

Gisterenavond liep ik hem onvermoed tegen het lijf. Hij staarde me een ganse poos verbolgen aan alvorens doodgemoedereerd zijn weg te vervolgen.
De winter loopt op zijn laatste benen. Hij is weer op pad.
.

[ Foto: © Menck | aanklikbaar voor groter ]

Boom shake the room

Soms zullen de mensen om je heen je keuzes niet begrijpen. Dat is niet erg, want je maakt ze ook niet voor hen.
Toen ik destijds onze keuken ten dele in fel limoengroen wilde verven, werd daar door een aantal mensen uit mijn nabije omgeving met afschuw op gereageerd. Maar na de transformatie draaiden ze bij: “Hm, dat valt best wel mee, eigenlijk.”
Ondertussen zijn we menig jaartje verder en zijn Katrien en ik dat opdringerige groen wat beu geraakt. Dat komt wel vaker voor met kleuren die niet meteen als neutraal te boek staan. We hebben dan ook besloten om het groen te vervangen door wit.
En wat blijkt? Daar wordt door sommige mensen uit mijn nabije omgeving met afschuw op gereageerd. “Je gaat dát toch niet doen, zeker?”
Tja.

Afgelopen zomer maakten we nog maar eens een bewuste keuze. Die hield echter een behoorlijk drastische ingreep in. Doch dit keer geen kat die ze afkeurde.
We hadden namelijk weken op voorhand een cognitief proces gefinetuned. De merites van meerdere mogelijkheden werden telkens nauwgezet tegen elkaar afgewogen. Uiteindelijk kon ik onze beslissing perfect funderen. En dat vernemen de meeste mensen graag, het waaróm van een keuze. Als het dan om een praktische en nuttige beweegreden gaat, wordt er doorgaans instemmend geknikt.

Maar nu ter zake.
Om ons zuidgericht terras te bereiken, dienen we de woning via de achterdeur te verlaten. Die geeft echter uit op de noordkant van onze tuin. U ziet me thans beslist al laveren met een dienblad vol glazen en hapjes doorheen de dichte bosschage en over de lange ruige paden die onze wilde tuin kenmerken teneinde mijn gasten van spijs en drank te voorzien.
Ook zij die, ik zeg maar iets, even naar het toilet willen, moeten dit tracé afleggen. Het wasrek op het terras plaatsen? Idem. Net zoals alles aanslepen voor een barbecue en de boel ’s avonds weer binnenhalen.
En dat terwijl het terras zich vlak naast de erker bevindt. Die laatste is weliswaar voorzien van grote glaspartijen doch niet van een deur. Een afgesloten geheel, zeg maar.

Ja, u voelt me al komen.
Verdere uitleg dienaangaande is overbodig; ik laat de foto’s voor zich spreken.
Weet echter één ding: tot nader order de beste beslissing van ons leven. Oké, oké, op ons huwelijk na, misschien.

.

SITUATIE VOOR:

SITUATIE TIJDENS:

SITUATIE NA:

De buitensituatie nog afwerken en klaar is Kees.

[ Foto’s: © Menck ]

Terrasjesweer

Februari heeft welhaast twee weken lang gesolliciteerd om te mogen fungeren als dienaar van de lente. Al die tijd hield de statistisch koudste maand van het jaar met verve de (zonne)schijn op. Maar schijn bedriegt, want op zijn laatste dag komt februari opnieuw iets nukkiger uit de hoek, ook al zit de traditionele vorst die de maand kenmerkt er niet meer in.

In al dat voortijdig genietbaars schuilt gewis ook een zeker onheil. Duizenden verontruste jongeren voorvoelen en vatten het thans bewuster dan wij, de mature tak van de samenleving. Zo stak ik eerder deze week, zonder de minste gewetenswroeging, de kop in het zand en heb ik de ongenadige koperen ploert dolenthousiast in mijn armen gesloten, onderwijl “Meer van dat!” wensend. Wie in dezen zonder zonde is, werpe de eerste steen.
Zoveel premature lente kon ik onmogelijk links laten liggen. Terrasjesweer, dát was het. En zodoende heb ik dan ook langdurig op mijn terras vertoefd, mijn bleke bovenbast slechts gehuld in een dun T-shirtje. Al heb ik op die zonovergoten plek een en ander verricht dat niet bepaald tot de geneugten des levens kan worden gerekend:

Na meer dan twintig jaar was het gros der houten latten zodanig verweerd dat ik letterlijk putten in het plankier stampte. Deze houtsoort dateert nog van voor er ook maar sprake was van het commercieel succes dat bankirai of andersoortig tropisch hardhout heden kenmerkt. De rijke mosgroei waarschuwde me al een paar jaar: dit terras is compleet óp.

De ontmanteling had best wat voeten in de aarde. De koppen braken af bij het willen uitdraaien van de schroeven, een gekend manco van inox. Zodoende diende ik mijn aloude koevoet en baarlijke spierkracht aan te spreken om de hele zooi los te wrikken. Ik verzeker u: er zijn voorwaar fijnere klussen denkbaar.
Op vandaag is het eerste stuk van het terras ontdaan van deklaag en onderconstructie. Het langszij liggende tweede terrasdeel volgt in een later stadium – zijnde bij tijd en goesting.
Rest er nog het elimineren van alle kiezel tussen de treinbielzenfundering om vervolgens ook die loodzware jongens af te voeren.

In de plaats komt er een stenen terras. Tegels, blauwsteen of klinkers, ik ben er nog niet uit. Als het maar niet meer kan rotten. En als het maar niet meer zo verrekte spiegelglad wordt bij nat weer, dat ook.

U ziet het: februari doet vandaag de boeken toe, maar maart opent meteen een schreeuwerige agenda. Al zal die ten dele worden ingevuld door lieden die meer thuis zijn in het construeren van terrassen dan ik. Om maar te zeggen dat ik me liever stort op groen dan op stenen.

* * * * *

Het terras in betere tijden:

[ Foto’s: © Menck ]