Weltschmerz, medicijnen en mijmeringen

De dag van gisteren is gestart onder een dingsig gesternte. Waar het door kwam, daar kwam het door. Een mens heeft zulks maar zelden in de hand.

Het begon die morgen al: ik raakte ineens diep ontroerd door de intense goudkleurigheid van mijn ochtendurine. Met trillende lippen prees ik mijn blaas om zoveel liquide schoonheid. Toen ik na de plas rechtstond om mijn broek op te hijsen, bereikte een uitermate miniem en warm gedruppel mijn linkerdij. Tranen, zo vermoedde ik. Al riep de plotsheid ervan evenwel verwondering bij me op.

Tijdens het ontbijt vloog er een musje tegen het keukenraam. ’t Kan ook een meesje geweest zijn. Of een winterkoninkje, ‘k wil er vanaf zijn. Het beestje was in ieder geval kleiner dan de meeuwen die hier veelvuldig rondcirkelen. Wat restte, was een bloederige smurrie waarin tal van pluimen kleefden. Ik raakte diep ontroerd door de intense goudkleurigheid van het gevederte. Er bengelden opnieuw tranen. Tranen om wat vermoedelijk dan toch een goudvink zal geweest zijn.

In de brievenbus ontwaarde ik een grote enveloppe. Ik scheurde ze open en zag vette doch zwierige gouden letters. Ik had met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tienduizend euro gewonnen. Dat zou al blijken na een eerste bestelling van tweehonderd vijftig euro. Wederom tranen. In mijn koffie dit keer. Het doet wat met een mens.

Onder dat droefgeestig gesternte stapte ik een wijl later in mijn bestelwagen. De dag stond in het teken van een nieuw aan te leggen tuin in het verre Assebroek alwaar ik allerhande opmetingen te verrichten had. Meer zat er jobgewijs niet in, want sinds vorige week is mijn rechterschouder kaduuk en is diens aanhangsel, ook wel rechterarm genoemd, vleugellam. Sturen deed ik dientengevolge met mijn linkerhand en de versnellingspook bediende ik met de rechterknie. Geen fijne manier om een werkdag aan te vatten, temeer daar ik ook koffie aan het manoeuvredrinken was.

“Alles goed?” begroette de klant me monter en opgewekt.
Dat ik zware medicatie moet nemen die heel mijn maaghuishouding verstoort, iets waartegen ik eveneens pillen slik, hield ik wijselijk voor mezelf. Dat die medicinale combinatie heeft geresulteerd in een blaasjeseczeem over gans mijn lichaam, ik dienaangaande een dermatologisch onderzoek moest ondergaan en vervolgens een antibioticum, een ontstekingsremmer en cortisonezalf werd voorgeschreven, deelde ik de brave man evenmin mee. Zelfs over de gekmakende jeuk die dit euvel veroorzaakt, hield ik mijn lippen stijf op elkaar.
En dus verkondigde ik hem met een gekunstelde glimlach: ‘Alles prima, hoor.”

Tijdens de opmetingen en het foto’s nemen, welden er drie tranen op in de linkerhoek van mijn rechteroog. Was het de snijdende noorderwind die mijn gelaat als met naalden teisterde, of werd ik dan toch geraakt door de schoonheid van het project dat me te wachten stond? In mijn hoofd maakte ik tal van calculaties: zoveel ton compost, zoveel zakken bentoniet, zoveel plantjes, zoveel heesters, zoveel geld. Zoveel te doen en zoveel pijn. Zo verdomde veel treurnis. Het leek wel of ik me aan het wentelen was in zelfbeklag en er stiekem van genoot.

Later die dag plaatste ik de bestellingen, betaalde voorschotten en reed huiswaarts, doch niet alvorens nog even wat rust in mijn hoofd te tanken. Dat bewerkstelligde ik, zoals wel vaker, op een mij vertrouwde plek: de groene oase waar ik al sinds mensenheugenis kom. (Zie link onderaan dit logje.)
Er ontsprong wederom wat zoutwater in mijn ooghoeken. Toen ik naar mijn zakdoek tastte, viel er een houtduif uit een grote, knoestige eik. Ze bleef roerloos en ruggelings op de grond liggen met haar beide vleugels wijd opengespreid. In de verte hoorde ik een donderslag, ook al kon de hemel niet helderder zijn.

Nogmaals: weltschmerz.
Lach er gerust om.
Maar sta me toe dat ook te doen als ú erdoor overvallen wordt. Want – gaf ik het u reeds mee? – een mens heeft zulks maar zelden in de hand.

Mijn toevluchtsoord in tijden van innerlijke onrust vindt u overigens HIER.
Fijne plek vol persoonlijke nostalgie en in een ver verleden zelfs de werkstek van wijlen mijn moeder.

Cover battle

Tot op heden ben ik er nog steeds niet uit welke cover ik nou de beste vind:
.

A. De meest gekende, van Disturbed:

 

B. De meest verrassende, van het Zuid-Afrikaanse duo Touch of Class:

 

C. De meest rockende, van Pellek:

 

D. De meest mysterieuze, met tevens de fraaiste videoclip waarin Sarah McCreanor het beste van zichzelf geeft:

 

Zegt ú het mij maar.

PLOG: mijn klein geluk in 20 puntjes

Geluk is geen kathedraal,
misschien een klein kapelletje.
Geen kermis luid en kolossaal,
misschien een carrouselletje.

Geluk is geen zomer van smetteloos blauw,
maar nu en dan een zonnetje.
Geluk dat is geen zeppelin,
’t is hooguit ’n ballonnetje.

[ Toon Hermans ]


M I J N    K L E I N    G E L U K    I S:

1 | Genieten van hoe mijn madam diverse variaties op een thema uitwerkt:

2 | Een passende vintagevaas op de kop kunnen tikken voor de retrokamer:

3 | Bij IKEA dé oplossing vinden voor de immer rondslingerende haardroger:

4 | Zohra die denkt dat ze een appel is:

5 | Eindelijk eens dat leeshoekje inrichten:

6 | Mijn 751ste uiltje cadeau krijgen:

7 | Katrien die onverwacht een succulente fruitcake bakt:

8 | Zien hoe mijn madam met wat zilverdraad en een haakpen een sieraad ontwerpt:

9 | Hoofdschuddend glimlachen omdat madam Menck het speciaal voor haar aangelegde zonneterras naast zich neerlegt:

10 | Een gerecht van Pascale ‘kijk eens naar mij’ Naessens onverhoopt zeer lekker vinden:

11 | Tijdens een wandeling deze olijke bende – waaronder een Racka- of schroefhoornschaap – ontdekken:

12 | Bij tuinwerkzaamheden een Romeins aandoend voorwerp (speerpunt?) opgraven:

13 | Gaan vissen met buurman en een kanjer van een – overheerlijke! – zalmforel boven water halen:

14 | Tevreden constateren dat de aardpeeroogst ook dit jaar weer geslaagd mag worden genoemd:

15 | In de dorpskom een heuse beauté tegen het lijf lopen:

16 | Merken dat de uk voor wie ik een poppenhuis knutselde er nog steeds zeer enthousiast over is:

17 | Een bakje bricoleren om naast de wastafel te hangen en opgelucht vaststellen dat ik nauwkeurig gemeten heb:

18 | Bij klanten een pergola bricoleren en opgelucht vaststellen dat ik nauwkeurig gemeten heb:

19 | Thuiskomen van het werk als eenieder reeds languit voor de tv ligt, maar dankbaar zijn om een geslaagde dag:

20 | De woonkamer binnenstappen en mijn madam aldaar op deze wijze op de bank aantreffen:

[ foto niet geschikt voor publicatie op deze stek ]

En u?


[ Foto’s: Menck ]

Prille lente: kolder in de kop!

Mijn vrouw en mijn kat zijn allebei krols
Het valt me moeilijk ze rustig te houwen.
Ik zal binnenkort weer een heleboel
Nesten moeten bouwen.

Daar is de lente, daar is de zon
Bijna, maar ik denk dat ze weldra zal komen.
De Phallus impudicus staat al in bloei
En de blaadjes krijgen bomen.

De bloembollen barsten open met ’n knal
En de meisjes ontbloten de kuiten.
De bouwvakkers hebben na een nare tijd
weer iets om naar te fluiten.

[ Via deze video ]

Dat de lente in het land is, werd gisteren meer dan duidelijk: de trui werd afgestroopt, snoeischaar en spade werden geslepen en tal van jonge flora werd ter aarde besteld.
Mijn madam en ik genoten met volle teugen. We voelden ons één met de natuur én met elkaar wijl onze floristische hormonen in alle richtingen uiteen stoven.
Op de achtergrond knorde een vroege kikker en hing de was wat lui te slingeren in een wind die naam onwaardig.
We bewonderden citroenvlinders en koolwitjes, hummende hommels en een legertje vuurwantsen, en in onze beider zonovergoten hoofden danste de kolder dat het geen naam had.

Fotoreportage zien van die zon-dag?
Check PICMENCK, de no click image viewer van deze stek.


[ Foto’s: Menck | locatie: eigen tuin ]

Gezocht: red-actie

Noem mij gerust een muggenzifter dan wel een taalnazi, maar als ik almaar vaker flagrante dt-fouten zie opduiken in artikels van de VRT-redactie, vraag ik me toch af wat heden de vereisten zijn om aldaar aan de slag te kunnen. Ik bevroed dat een diploma lager middelbaar onderwijs ‘met noties van het Nederlands’ volstaat.
Ook De Standaard, tot voor kort zowat mijn journalistieke bijbel, bezondigt zich steeds vaker aan spel- en/of taalfouten. Ongetwijfeld doet zulks geen afbreuk aan de inhoud van een artikel, de authenticiteit krijgt desalniettemin een deuk.
Ik kan me niet langer van de indruk ontdoen dat de kennis van het Nederlands er steeds meer bij inschiet. De oude garde, op school nog gedrild in taal, maakt hoe langer hoe meer plaats voor jong journalistiek geweld dat niet langer zweert bij ultieme schrijfvaardigheid doch veeleer bij puur perskrediet.
Wat mij betreft een betreurenswaardige evolutie. Alles waar verloedering ook maar enigszins op van toepassing is, ga ik met veel graagte uit de weg.

 

[ Wellicht is bovenstaand artikel op deredactie.be reeds gecorrigeerd als u dit logje leest, doch mogelijks ook niet. ]

Natte Gitte

Even tien jaar terug in de tijd gaan: mag dat?
Uiteraard mag dat.

“Stond je hier al lang?”
Ze gooide haar natte linnen tas op de achterbank.
“Een half uur. Misschien iets langer.”
“Ik dacht dat meisjes sneller werden opgepikt.”
“Niet als ze doorweekt zijn.”
Ze droeg een gebleekte jeans en een kabeltrui. Beiden slobberden om haar frêle lijf.
“Had je geen jas om aan te doen?”
“Nee.”
“Zal ik de verwarming wat hoger zetten?”
“Graag. Dank je.”
“Naar waar moet je?”
“Naar waar moet jij?”
“Ik? Eh, naar huis. Ichtegem.
“Prima. Zet me daar dan maar af.”
“Heb je geen eindbestemming?”
“Niet echt, nee.”
Ze bleef voor zich uit kijken terwijl ze sprak.
“Dus jij zwerft maar wat?”
“Ik zwerf, ja.”
“Wil ik je ergens naartoe brengen? Geen probleem hoor. Ik word niet meteen thuis verwacht, dus het kan.”
Ze zweeg. Ineens diepte ze een pakje Marlboro vanonder haar trui op.
“Mag ik hier roken?”
“Nee.”
“Ow. Oké.”
“Zet je raam op een kier en gooi je as op straat.”
Nu keek ze me voor het eerst aan. Een vage glimlach speelde om haar lippen.
“Hé, bedankt.”
Ze stak de sigaret tussen haar lippen en knipte haar aansteker aan.
“Is dat trouwens een cd-speler?” Ze wees naar de muziekunit in de middenconsole.
“Nee, een broodroostertje.” Ik grinnikte.
“Mag ik een schijfje opzetten?”
“Tuurlijk.”
Ze draaide zich om en griste haar tas van op de achterbank. Na wat rommelen haalde ze een vochtig uitziend doosje boven.
“Nat. Enfin, het cd’tje gelukkig niet.”
“Wat ga je opleggen?”
Triggerfinger. Keigoed. Ken je die?”
Ze schoof het schijfje in de speler. Dra weerklonk een gitaarriff.
“Da’s ‘On My Knees’. Machtig nummer.” Ze neuriede zacht mee.
“Dit nummer ken ik niet, nee.”
“Daar ben je te oud voor.”
Ik verslikte me. Ze giechelde.
“Zo’n ouwe zak ben ik nou ook weer niet. Schat eens?”
Ze vorste me enkele seconden.
“Kweenie. Zeven-, achtenveertig?”
“Laat maar.” Ik zuchtte.
“Nee?”
“Veertig.”
“Sorry. Maar toch: te oud voor Triggerfinger.”
“Hoe oud ben jij? En hoe heet je trouwens?”
“Eenentwintig. Gitte. Jij?”
“Menck.”
“Gekke naam.”
“Dank je.”
Ze lachte thans luidop.

Twintig minuten later hield ik halt voor mijn woning. Gitte had in die tijd vier sigaretten gerookt en zowat heel de geschiedenis van Triggerfinger uit de doeken gedaan.
“We zijn er.”
“Bon.” Ze nam haar linnen tas van de achterbank en plaatste die op de zetel tussen haar benen.
“Waar moet jij nu eigenlijk naartoe?”
“Mag ik een boterham van je?”
“Heb je zo’n honger?”
Ze knikte. “Ik heb al sinds gisteren niks meer gegeten, eigenlijk.”
“Maar enfin, kom dan maar vlug mee.”
“Zal je vrouw of vriendin dat niet erg vinden?”
“Ze is nog aan het werk.”
Toen we binnen waren, gooide ze haar tas tegen de paraplubak in de hall.
“Ik maak je een paar boterhammen klaar. Als je je ondertussen wat wilt opfrissen, daar is de badkamer.”
“Doe ik. Dank je. Jonge kaas is prima.” Ze wees naar de broodzak.
Ik glimlachte toen ik de koelkast opentrok.

“Gitte, je boterhammen zijn klaar. Wil je koffie?”
“Ik kom”, riep ze vanuit de badkamer.
Ik nam twee mokken uit de kast en liep vervolgens de living in om de verwarming wat hoger te draaien. Dat kind zou het beslist koud hebben in haar natte kloffie.
“Menck, ik…”
Ik draaide me om toen ik haar stem ineens vlak achter me hoorde. Wat ik toen zag, benam me een moment de adem. Gitte stond poedelnaakt voor me.
“Wat… Wat krijgen we…? Wat ben jij van plan, als ik vragen mag?” In mijn stem lag zowel opperste verbazing als minachting.
“Ik… ik zal rechtuit zijn: ik heb geld nodig. Je mag me… Ik bedoel, eh, ik ben volledig van jou. Vijftig euro is genoeg.”
Ze zette zich neer op de armleuning van de divan. Ik staarde haar slechts aan, secondenlang, een moment van volle overdondering.
“Ik wil het écht.” Ze keek me smekend aan.
Toen ik niet meteen reageerde, bedekte ze haar schaamstreek met beide handen. Ik stapte ineens op haar af, klemde mijn hand om haar bovenarm en trok haar recht.
“Je krijgt exact twee minuten om je aan te kleden en mijn huis te verlaten.”
“Maar… maar ik dacht dat je…”
“Nú, Gitte!”
Toen ze terug in de keuken was, hoorde ik haar in snikken uitbarsten. Met enkele grote stappen had ik haar bijgebeend.
“Zet er maar wat haast achter, wil je?”
Huilend droop ze af richting badkamer. Ik besloot om haar op te wachten in de hall. Op het moment dat ik haar tas van de vloer plukte, hoorde ik hoe de sleutel in de voordeur werd omgedraaid. Twee tellen later stapte mijn madam binnen. Met open mond keek ik haar aan.
“Ook een goeienavond. Je kijkt alsof je een spook hebt gezien, zeg. Er was geen werk meer. Ik ben twee uur vroeger gestopt.”
Op dat moment klonk luid gesnik vanuit de badkamer. “Menck? Please. Vijfentwintig euro en je mag alles met me doen. Alles!”

De linnen tas viel pardoes uit mijn handen en quasi ogenblikkelijk benamen zwarte dansende vlekken voor mijn ogen me een wijl al het zicht.

Water ademen

Dirk springt uit de warme cabine van zijn vrachtwagen en rilt als hij het ijskoude G-dek betreedt. Het stinkt er verschrikkelijk naar uitlaatgassen.
Uit de slaapruimte achterin de cabine pluk hij zijn oude daim jas van het haakje en sluit daarna de deur van zijn Volvo Globetrotter.
Hij geniet als hij de warme voering van de dikke donkerbruine coat – een cadeautje van Anita voor zijn twintigste verjaardag – strak rond zijn lichaam drapeert. In zijn binnenzak tast hij naar zijn sigaretten. Meteen daarop herinnert hij zich dat hij ze vlak voor het uitstappen tussen zijn broeksriem heeft gestopt. Hij haakt het gekreukte pakje ertussenuit, peutert een sigaret los en laat die achteloos tussen zijn lippen glijden.
Op het moment dat hij door de dikke metalen schuifdeuren van het benedendek stapt, wrijft hij zich stevig in de handen. Hij heeft maar één doel voor ogen: koffie!

De gladde ronde leuning van de stalen trap voelt ijskoud aan. Via het E-dek, dat ondertussen zowat halfvol auto’s en bestelwagens staat, waartussen een drietal toerbussen, belandt Dirk in de cafetaria. De temperatuur stijgt prompt een graad of twintig. Hij beent meteen naar de bar waar het rond die tijd nog relatief kalm is.
Uit zijn portefeuille haalt hij de bedrijfsbonnen die zijn werkgever hem maar mondjesmaat toestak. Hij schuift een beduimeld exemplaar naar de purser van dienst.
“Een koffie graag, one coffee please.” Van dat ferrypersoneel weet je nooit van welke zijde van het kanaal ze afkomstig zijn.
“Mè of zonder suuker? Melk?” vroeg de jonge snaak ongeïnteresseerd. Overduidelijk een Bruggeling.
“Zwart, asjeblieft”, antwoordt Dirk terwijl hij zijn sigaret opsteekt. Hij trekt een op de toog achtergelaten magazine dichterbij. Een Flair van halfweg februari. Achteloos schuift hij het blaadje terug en klopt vervolgens zijn as af in een verzonken asbakje dat schier overloopt van de peuken.
“Asteblief menère, da goat deugd doen sè!” De purser knipoogt. Op slag ziet hij er een stuk minder afstandelijk uit.
“Thanks.” Dirk neemt het dampende kopje aan, zet zich aan een raampje en plant zijn bakje troost in een van de tafeluitsparingen.
De koffie trilt lichtjes door het stampen van de warmdraaiende scheepsmotoren. Ooit had hij aan ditzelfde tafeltje een gesprek met een Brits koppel waarvan de echtgenoot zich profileerde als ferryfreak. ‘Did you know that these diesel engines develop 24.000 horsepower?’
“That’s… amazing”, had hij oprecht verbaasd geantwoord. Zeshonderd maal de kracht van zijn eigen vrachtwagen.

Een dof gerommel en een kortstondige trilling trekken door de scheepsromp. Dirk kijkt op zijn horloge. Tien over zeven.  Het schip is de havengeul aan het uitvaren. Als het even meezit, betekent dit dat hij nog voor middernacht in Engeland aan wal zal rijden. Daarna een hazenslaapje, voor de middag lossen, in de vooravond laden en zaterdagavond terug inschepen in Dover. Zondag is het Anita’s verjaardagsfeestje en daar zal hij dit jaar wél bij kunnen zijn. Vorig jaar was hij niet thuis toen zijn vriendin verjaarde en daar was ze niet bepaald gelukkig mee geweest.
Dirk haalt zich Anita’s opgewekte gezicht voor de geest. Er trekt een warme gloed door zijn maag. Het zijn ten dele zenuwen, want hij heeft een ring gekocht voor hét aanzoek dat hij haar op haar verjaardag zal doen. Goud met één klein steentje. Eenvoudig en toch klasse, net zoals ze het graag heeft.
Dirk mist Anita plots heel erg. En waarom voelt hij zich ineens zo onbehaaglijk?

Buiten is de zon ondergegaan. De ontelbare lichten van de Zeebrugse haven werpen oranje vlekken op de relingen. De zee is kalm.
Beneden in dek G staan twee Britse vrachtwagenchauffeurs in stilte een sigaret te roken. Ze genieten van het uitzicht door de open boegdeuren. Mocht Seabruges by Night een film zijn, dan zouden ze als eerste in de rij staan om een kaartje te kopen. Alles is er ‘Great’, en dan vooral het bier. Ze lachen om de kwinkslag. Direct daarop voelen ze de massieve ferry een enorme slingerbeweging maken. In een fractie van een seconde worden ze omringd door ijskoud Noordzeewater dat hevig schuimend de romp binnenstroomt en al direct kniehoog reikt.
Beide chauffeurs reppen zich lijkbleek naar de stalen trap die nog gedeeltelijk boven het steeds woester binnendringende zeewater uitsteekt. Achterin het dek horen ze iemand schreeuwen. “De boegdeuren! De boegdeuren staan nog open! O mijn god!”
Bovenaan de trap rukken de beide mannen aan de hendel die normaliter de mechanische deuren ontgrendelt. Het mechanisme weigert thans alle dienst. Eén van hen grist in paniek de zware reddingsmoker van de wand en begint er als een bezetene mee op de deur te rammen. Het is vijf over halfacht. De Herald of Free Enterprise draait zich in een woeste beweging op zijn zijde.

Net op het moment dat Dirk zijn lege koffiemok terug naar de bar wil brengen, voelt hij de grond vanonder zijn voeten wegglijden. Hij strekt zijn armen voor zich uit om houvast te zoeken, maar wordt als door een reuzenvuist tegen de wand van de cafetaria geduwd.
‘Dit kan niet! De ferry zinkt en hij is nog niet eens vertrokken!’ flitst het door zijn hoofd. Meteen daarop trekt er een nietsontziende pijnscheut door zijn rug. In paniek tracht hij recht te krabbelen, maar hij komt steeds schuiner te liggen. Voor zijn ogen richt de vloer zich op als een gigantische gestoffeerde muur. Hij hoort panisch geschreeuw doorheen gans de ruimte, overstemd door een donderend geraas van vallend glas. Iets dringt zijn dij binnen en meteen voelt hij een warme gloed. En dan gaan ineens alle lichten uit en verstomt het angstige gegil één seconde.

Er rukt iets aan zijn arm. “Help me! Somebody help me!” Een zwaarlijvige vrouw tracht zich via zijn mouw recht te trekken. ‘Wait’, fluisteren zijn hersenen, maar de woorden blijven onuitgesproken. Plots lost de greep van de vrouw en ze glijdt hysterisch gillend van hem weg. In een snelle beweging klauwt hij om zich heen en zijn hand vindt grip aan iets metaalachtigs.
Als in een derderangs rampenfilm braakt de aanpalende scheepsgang opeens tonnen zeewater uit. De ganse cafetaria vult zich met een oorverdovend geraas. Dirk voelt een hevige tocht door zijn haren trekken en voor hij beseft wat er aan het gebeuren is, staat het zilte zeewater hem tot aan de kin. Instinctmatig verstevigt hij zijn grip op het metaal dat hij vasthoudt, maar de immense kracht van zoveel binnenstormend natuurgeweld sleurt hem praktisch ogenblikkelijk mee. Hij voelt het ijskoude water zich boven zijn hoofd sluiten.
Een nooit eerder gevoelde panieksensatie maakt zich van hem meester. Hij tracht naar boven te zwemmen, zijn adem inhoudend. Zijn bewegingen zijn slechts een amechtig gespartel in hevig verzet.
‘Oh nee!” flitst het door zijn hoofd. ‘Oh god néé!’
Hij voelt iets tegen zich stoten. Iemand tegen zich stoten. Twee tellen later wordt een hard voorwerp vol in zijn maag gedrukt. Zijn hersenen doen verwoede pogingen om de oorzaak van die immense pijn te ontleden. Dirk schreeuwt het uit. Zijn schreeuw is submers en veroorzaakt een wilde stroom luchtbellen. Meteen ademt hij ijskoud zoutwater. Reflexmatig slikt hij, slikt hij, slikt hij. Zijn ogen puilen uit hun kassen van angst terwijl zijn lichaam spastisch begint te schokken. Als een razende grijpt hij om zich heen, wild en onbeheerst. zijn benen zoeken houvast in een steeds sneller stampen. Hij voelt zij hart als een op hol geslagen stoomhamer slaan, steeds vlugger, steeds krachtiger. Er duikt een beeld op. Zijn moeder trekt hem uit zijn loopfietsje. Hij blijft aan het houten stuurtje haken met zijn rechterbeen. Onbedaarlijk begint hij te huilen. ‘Ik haal je er wel uit, schat!’ hoort hij zijn moeder lachen. ‘Ik haal je er wel uit. Ik haal je er wel uit. Ik haal…’
Dirk voelt zich wegzakken. Zijn verstand kan zijn plotse zaadlozing niet bevatten. Er is geen logica meer. Zwarte plekken dansen voor zijn ogen. Hij ziet stroken groene waas maar registreert niks meer.
Vier en een halve minuut nadat Dirk zijn koffie wilde wegbrengen, begeeft zijn hart het.

Vandaag is het exact dertig jaar geleden dat de Herald of Free Enterprise zonk voor de kust van Zeebrugge.
Van de 543 mensen aan boord, kwamen er 193 mannen, vrouwen en kinderen om door de verdrinkingsdood. Een grove menselijke fout lag aan de basis van deze immense scheepsramp.
Enkele maanden na de berging voer de Herald of Free Enterprise in Chinese wateren onder de naam Flushing Range. Het spookschip werd pas anderhalf jaar nadien gesloopt.