Categorie: It’s my life

Wanderlust

.
Katrien en ik lijden beiden aan het Syndroom van Lockdown, in de volksmond ook wel eens coronagenoodzaakt wandelen genoemd.

Enkel op de zevende dag van de week geven we uiting aan onze wandellust, en dan bij voorkeur als de gesteldheid van de atmosfeer enigszins welwillend is.
Afgelopen zondag waren de weergoden ons gunstig gezind en trokken we, tot vrolijkheid stemmende marsliederen fluitend, op pad in de verblindend mooie groene gordel rond ons dorp. En aangezien de herbergiers en kasteleinen overal te lande de deuren nog op slot dienen te houden, nemen we tevens wat natjes en droogjes mee tijdens die tochten. De proviand bestond dit keer uit een thermos sterke netelthee, zes broodjes met verschillend caloriearm beleg, een bak van vierentwintig flesjes donker streekgebrouwen gerstenat, een pakje diepvriesfrieten, zes potten met diverse sauzen van het echtpaar Henri Devos en Maria-Elisabeth Lemmens alsook een handige draagbare friteuse. Dat alles – op de friteuse na, die Katrien op haar rug torste – kapten we in twee frigoboxen en weg waren wij.
O ja, ik mag de tros met zes bananen van Chiquitita niet vergeten te vermelden, kwestie van de volledigheid mijner relaas niet te ondermijnen.

Wij wonen in wat Het Houtland wordt genoemd. Die naam draagt veel historiek in zich. Onze regio telt talrijke bossen, doch oorspronkelijk, toen Godfried van Bouillon nog in zijn Pampers Baby Dry scheet, was er sprake van slechts één gigantisch groot bos. Veel later, toen de beschaving haar intrede deed, werd door dat woud een brede straat getrokken en zo bekwam men ineens twee bossen. Zulks werd meerdere malen herhaald zodat Het Houtland thans zevenhonderdeenenveertig bossen van elk een twaalftal bomen rijk is. De vooruitgang, net wat u zegt.

In die bossen worden ook nog eens bomen gekapt, zelfs in die mate dat de groene gordel rond onze regio heden vooral uit weilandpercelen bestaat waarop paarden, koeien, schapen en soortgelijke runderbeesten grazen, waar her en der een herenboerderij is neergepoot en dieselgestookte tractoren opgehoogde voren trekken met daarin duizenden pootaardappelen. Die voren lopen nu eens naar links, dan weer eens naar rechts, en zelfs het volgen van de hoogtelijnen wordt niet vergeten. Diversiteit heet zulks, geloof ik, maar er staat zelden ‘bio’ voor.
‘Hoogtelijnen?’ hoor ik u denken.
Yep, we leven in een regio die zich kenmerkt door glooiingen en heuvels allerhande. Als wij op stap gaan, dan is dat effectief door berg en dal. Zulks zorgt er geheid voor dat schrijver dezes, met alreeds vierenvijftig hete zomers op de teller – en ongeveer evenzoveel uren sport per jaar op zijn palmares – geregeld eens met zijn tong tot op zijn tenen aan het rondbanjeren is. De helft van mijn bed is daarentegen fitter en niet zelden loopt ze dientengevolge tal van meters voor me uit.
Om dergelijke inspanning enigszins te counteren, stop ik geregeld om een foto te nemen van al het schoons dat de omringende natuur ons te bieden heeft. Het is een moment van verademing en bewondering tegelijk, wijl Katrien zich almaar meer van me losscheurt.
Toen de wandeling haar eindpunt naderde, was die kwieke madam van me reeds lang aan de horizon verdwenen. Pas op het moment dat ik afgepeigerd onze woning betrad, vond ik haar terug. Op de bank, alree netjes gedoucht en in pyjama gehesen, en zelfs al tweeënveertig pagina’s ver geraakt in het boek dat ze na onze trip ter hand had genomen: ‘Voetreis uit medeleven’ van ene Rachel Joyce.

Enfin, wat foto’s nog:

[ Foto’s: Menck | zondag 11 april 2021 | foto’s aanklikbaar voor groter formaat ]

SATUR9’s Photo Challenge 11: BRIEVENBUS

.

Toen Katrien en ik vierentwintig jaar geleden besloten om onze huidige woning aan een grondige inspectie te onderwerpen teneinde met volle zekerheid de notariële akte te verlijden, was het allereerste dat in het oog sprong de brievenbus. Het bleek je reinste gedrocht, en dat is nog zeer zacht uitgedrukt. Gelukkig betrof het een losstaand exemplaar; een snelle eliminatie zou geen probleem vormen.
Ik weet nog dat we prompt elkaars ogen zochten toen we er voor het eerst mee werden geconfronteerd. Daarin stond ongeloof en verbijstering te lezen. Dat iemand zoveel wansmaak in een ontwerp had weten te leggen, konden we nauwelijks vatten, net zomin als dat de vorige huiseigenaar deze complete aanfluiting van verantwoorde esthetica daadwerkelijk had aangeschaft. ‘ASAP weg ermee!’ was dientengevolge onze resolute conclusie.

Vierentwintig jaar later staat de brievenbus er nog. Of beter: stond. Want onlangs is het ondenkbare gebeurd: iemand heeft ze opgehaald.
Nu, dat had wat voeten in de aarde. Ik had de bewuste brievenbus al enkele keren op de zoekertjessite 2dehands.be gezwierd onder de rubriek ‘Gratis’. Een tweetal foto’s erbij en klaar was Kees.
U raadt het al: elke vorm van respons bleef uit. En dus bleef de brievenbus staan. Want hey, veel zin om dit honderdvijftig kilogram zware betonnen gedrocht naar het containerpark te versjouwen, had ik niet. Zulks zou me ook nog eens een aardige duit kosten.

“Probeer het eens op een andere manier”, opperde madam Menck.
“Dynamiteren?”, riposteerde ik.
“Soort van. Haal de brievenbus volledig neer. Maak ze belachelijk op een humoristische manier. Wedden dat zoiets effect sorteert?”
Hm, dacht ik. Daar zit verdorie iets in.
En zo ontsproot volgend zoekertje aan mijn malle fantasie:

De gevolgen bleven niet uit. Al lagen ze niet meteen binnen mijn verwachtingspatroon:




Tja.
Edoch, beste lezer, het zoekertje sorteerde uiteindelijk tóch het gewenste vervolg: er doken zowaar acht geïnteresseerden op!


.
Om een lang verhaal kort te maken: de brievenbus is weg! Nog diezelfde dag werd ze vervangen door een sober maar stijlvol nieuw specimen, apart krantenluik incluis. Ein-de-lijk.
U ziet: wie geluk wil oogsten, moet humor zaaien. Want zoals Arthur Clarke ooit liet optekenen: de beste manier om een probleem op te lossen, is de humor ervan te ontdekken.

Waarvan akte.

Het nieuwbakken exemplaar

Beter dan zomaar wat

.
Mijn leven voelt momenteel aan als een Monopolyspel waarin ik alle kanskaarten trek zonder de gevangenis te mogen verlaten. Corona, zegt het u iets?

Gisteren vroeg buurvrouw me nog wat het eerste is dat ik zal doen eens corona geheel en al kapotgevaccineerd zal zijn.
“Je zulk een tong draaien dat al het wit uit je ogen wordt gezogen”, gaf ik haar instant te kennen.
Ze kirde als een bronstige duif wijl ze haar rechterhand door haar vette zwartgrijze haardos streek.
“Ik help het je onthouden”, was haar repliek. Waarna ze me scheef in de ogen blikte.
Buurvrouw loenst dat het niet schoon meer is. Bovendien ruikt haar adem naar veertien dagen oude maatjesharing en heeft ze okselvijvers waarop een met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tal van algen welig tieren. Ik hoop dientengevolge van harte dat de viruscrisis nog een behoorlijke poos mag standhouden.
“Nog iets?” proestte ze. Ze speelde het spel der onuitvoerbare verleiding, dat was duidelijk. Edoch we gingen erin op.
“Uiteráárd zal ik me vervolgens tomeloos verdiepen in een spelletje plietsepletse met die twee vleestomaten van je”, gaf ik haar met een stalen blik te kennen. “Bevrijd zijn van corona dient doorwrocht te worden gevierd, denk je niet?”
“Ik zal me met veel graagte overgeven aan je botviering, buurman. Uiteraard niet zonder tegenprestatie, dat spreekt voor zich.”
“Doe maar een voorstel”, haakte ik daarop in.
Thans viel er een stilte die pijnlijk lang duurde. Buiten het geknars van haar leuzige hersenraderen viel er hoogstens een eenzame merel met paardrang te horen. Ja, we dolden in de buitenlucht met elkaar, gescheiden door de gemeenschappelijke heg. Een afstandsgebeuren zoals dat nou eenmaal hoort in tijden van woekerende virussen.
“Ik zal er nog even moeten over nadenken”, besloot ze uiteindelijk met een stem die drie octaven was gezakt.
Een anticlimax als antwoord en een inbreuk op de speelse interactie. Mijn enthousiasme smolt als boter in een oververhitte pan.
“In dat geval trek ik me terug. Ik heb nog wat handwerk te verrichten.”
“Zolang het maar niet uit de hand loopt, Menck.”


Bleek dat gekke mens dan toch gevatter dan ik bevroedde.

.

Internationale Vrouwendag – Ode aan mijn elf ladies

.

Vandaag is het Internationale Vrouwendag.

Die dag staat elk jaar op 8 maart in het teken van strijdbaarheid en het gevoel van solidariteit van vrouwen overal ter wereld, meestal aan de hand van een specifiek thema. Dit jaar is dat overigens #ChooseToChallenge ofte kies voor uitdagingen.
Internationale Vrouwendag is in de twintigste eeuw ontstaan doordat vrouwen opkwamen voor hun rechten, onder andere op het gebied van arbeid en vrouwenkiesrecht. In 1911 werd de Vrouwendag internationaal voor het eerst gevierd.

Exact elf vrouwen zijn bijzonder belangrijk (geweest) in mijn bestaan. Ik stel ze hieronder, geheel fotogewijs en zonder veel woorden, met veel graagte aan u voor. Want de meeste dingen in mijn leven doe ik, ook al doe ik het wel eens anders voorkomen, vanwege hen.
.

.
[ Foto’s: © Menck ]

Uw interieur = uw persoonlijkheid

.

De wijze waarop uw huis is ingericht, zegt veel over uw persoonlijkheid. Dat is opnieuw aangetoond door recent onderzoek van de Amerikaanse psycholoog Sam Gosling.

Uit zijn navorsingen kwam eerder al naar voren dat mensen die bijvoorbeeld kerstversiering voor het raam hangen extra gehecht zijn aan de buurt en dat mensen met een hek of afsluiting rond hun huis niet van plan zijn de buurt te verlaten.
Ook toont Gosling in zijn onderzoek aan dat het interieur behoorlijk veel zegt over de persoonlijkheid van de bewoner(s). Hij hanteert hierbij vijf grote persoonlijkheidsdimensies: extraversie, emotionele (in)stabiliteit, openstaan voor ervaringen, vriendelijkheid en gemoedelijkheid. Uit het onderzoek blijkt onder meer dat :

1) plichtsgetrouwe mensen (georganiseerd, doelgericht en gedisciplineerd) in nette en opgeruimde huizen wonen, met boeken en cd’s keurig geordend. Ze zijn echter ook te herkennen aan een licht huis, een minimalistische, moderne inrichting en comfortabele meubelen.
2) Mensen die openstaan voor nieuwe ervaringen hebben vaak creatieve spullen als schildersgerief, internationale landkaarten en gezelschapsspellen in huis.
3) In huizen waar zogeheten no-nonsense-types wonen zijn volgens Gosling opvallend vaak artikelen als zonnecrème, schoenpoets en een ventilator voorhanden. (Neen, ik verzin dit niet.)
Extraversie, emotionele (in)stabiliteit en vriendelijkheid zouden dan weer moeilijker uit iemands interieur af te lezen zijn.

Of ik me geheel en al schaar achter Goslings mening, valt nog te bezien. Daartoe zou ik beter eerst eens zijn boek lezen:

Onze woning – en laat ik me thans focussen op de woonkamer – is een samenraapsel van bovenstaande elementen. Het is er licht en doorgaans netjes, de meubelen zijn een allegaartje van stijlen en periodes, en het is er naar de huidige maatstaven eerder druk door tal van – meestal eigenhandig gecreëerde – prullaria en de kamerplanten. Onder welke groep zou de brave man ons dientengevolge klasseren?
Toch vind ik iemands interieur altijd wel interessant, ongeacht de gehanteerde stijl, kleur of hoeveelheid. Neem mijn vaders woning: sinds de jaren tachtig is het donkere, klassieke interieur aldaar onveranderd gebleven. De keuken dateert zelfs nog van 1964; als dat geen pure vintage is, dan weet ik het ook niet meer.
Mijn vader maalt niet om hoe zijn interieur eruitziet, zolang het maar functioneel is. Dit getuigt van weinig creativiteit en een totaalgebrek aan aanpak en scheppingsdrang. Laat dat nou net mijn ouwe ten voeten uit zijn.
Zelf zijn Katrien en ik uit gans ander hout gesneden. We veranderen graag ons interieur, zowel qua aankleding als qua inrichting. Vaak verkopen we een meubelstuk of wat opsmuk om ons met dat geld een ander – veelal tweedehands – alternatief aan te schaffen, bij voorkeur iets met meer ziel. Decoraties worden te onzent zelfs om de haverklap gealterneerd. Tevens wisselen we tapijten van plaats, experimenteren we me kleuren en schuiven met meubeltjes en planten dat het een lieve lust is. Het zou een teken van creatieve geesten zijn, een predicaat dat we ons wel durven op te spelden.

Nu ben ik natuurlijk benieuwd naar mijn lezers’ interieur. Laat ik er een soort van challenge aan vastknopen.
Wie wil/durft me een foto mailen van zijn woonkamer met wat beschrijving erbij?
De alzo verkregen foto’s giet ik daarna allemaal in het grote blogstuk der lezersinterieurs.

Me mailen doet u op dit adres:

En uiteraard toon ik u meteen ook hoe wij wonen. Op dit moment toch, want zoals eerder vermeld, verandert onze inrichting soms sneller dan we van onderbroek wisselen.

foto aanklikbaar voor groter formaat

Tip:
Voor bovenstaande foto gebruikte ik een groothoeklens, meer bepaald de Canon EFS 10-18 mm.

Wie niet over een dergelijke lens beschikt, kan ook twee of drie foto’s stitchen of naadloos in elkaar laten overlopen via daartoe bestemde programma’s. (Bijvoorbeeld PhotoStitch.) Neem een foto links van uw woonkamer, draai op dezelfde hoogte naar het midden en neem weer een foto en schiet tot slot de laatste foto aan de rechterkant van uw interieur. Daarna kunt u deze drie beelden stitchen tot één foto.
Wie met een smartphone werkt, vindt bij recente modellen steeds vaker een ingebouwde groothoeklens. Gebruik die samen met de daartoe bestemde camera-app.

This is THE voice

.
Die avond zaten we beiden onderuitgezakt op de bank met een dekentje over onze moegestreden benen. De tv stond afgesteld op een digitaal muziekkanaal en strooide gedempte klanken de woonkamer in. De zithoek werd subtiel geïllumineerd door twee sfeerlampjes.

Op Katriens schoot hadden Chatblis en Zohra zich behaaglijk zij aan zij genesteld. Ze sliepen of deden alsof, want hun oren stonden gespitst en vingen ongetwijfeld, net zoals de mijne, het vertrouwde tikken op van breipennen die elkaar tijdens het kruisen lieflijk groetten. Vanuit mijn rechter ooghoek zag ik hoe vlot mijn madam het lichtvoetige spel van vlugge vingers, dikke naalden en warrige wol beheerste. Nog even en ik word eigenaar van een zwarte cardigan met minuscule bleke spikkels. Nooit geweten dat er zoiets als gespikkelde zwarte schapen bestaan.

Mijn aandacht werd afgeleid door de schittering van de welhaast perfect ronde maan die me door de voorramen van de living een stralende goedenavond toewierp. De ganse eettafel baadde in een gevoileerd licht dat het zelfgecreëerde tafelstuk feeëriek in de schijnwerpers zette.
In mijn hoofd overliep ik de dag van morgen. Een gedegen planning vooropstellen is het halve werk. Het gebeurt wel vaker dat ik zulks executeer vanuit mijn luie zetel.
Katrien niesde kort. En nog eens. Daarna hervatten de breinaalden hun nobele taak.

“Zeg, schat”, brak ik de relatieve stilte.
“Ja?” Ze antwoordde sloom en keek niet op.
“Moest jij nou je favoriete zangstem van de eenentwintigste eeuw moeten kiezen, van wie zou die dan zijn?”
Het gebeurde wel vaker dat we lukraak een onderwerp aansneden om daar dan op verder te breien. In het verleden zijn alzo reeds geestige en boeiende gesprekken ontstaan. Doch dit keer liet ik me leiden door wat het tv-kanaal op dat moment bracht: het niet meteen zoetgevooisde stemgeluid van Bronski Beats Jimmy Somerville. Toen die groep nog hoge ogen gooide, rolde ik met de mijne. Wat een oorpijniging was me dat, zeg.
“Da’s een moeilijke, Menck. En van de eenentwintigste eeuw? Ik zou het niet zo meteen weten.”
“Waag je er toch eens aan.”
“Hm. Ik heb het wel voor Brian Johnsons ruwe stemgeluid, eigenlijk. Ook na de nillies blijft hij razend actueel.”
Katrien heeft al decennia een voorliefde voor AC/DC, dus vond ik haar mening mogelijks wat te vanzelfsprekend.
“Dus dat is voor jou hét mooiste stemgeluid? Het mag anders ook een vrouw zijn, hoor.”
“Ik denk niet dat er een vrouwenstem is die daaraan kan tippen. Zoals die gast zingt: zowat alle octaven komen aan bod. Oké, ondertussen is hij al een jaartje ouder. Maar het nieuwe album (N.v.d.r.: ‘Power Up’) heeft me toch weer compleet overtuigd van ’s mans vocale talent. En jij?”
“Ik?”
“Aan welke zanger of zangeres behoort jouw favoriete zangstem?”
“Ik twijfel tussen twee.”
“Ga dan gewoon voor beiden.”

En dat deed ik.
Hieronder, meer bepaald.

En u? Welke artiest anno de eenentwintigste eeuw kan ú vocaal in de zevende hemel brengen?

.

1. Eddie Vedder (Pearl Jam)

2. Chris Cornell († 2017) (Audioslave)

Naast zijn eigen muziek – start to google, folks! – vind ik deze twee covers ronduit supergaaf:

Een blokbrood met strooizout

.
Mocht de winter zich niet zo plotsklaps van zijn hardvochtigste kant hebben laten zien, mijn existentie zou zich een stuk rooskleuriger hebben gemanifesteerd deze week.

Thans houd ik me geheel onledig met de meest uiteenlopende trivialiteiten, zoals lusteloos de stapel nog ongelezen Humo’s doorbladeren op de porseleinen troon, mijn weerspannige hoofdtooi meermaals daags te lijf gaan met de grove borstel, occasioneel zodanig diepgaand neuspeuteren tot ik mijn huig kan toucheren en de woning al banjerend doorkruisen teneinde een weinig belangwekkender vertier te ontwaren. Driewerf helaas, ik heb al mijn kruit verschoten tijdens de eerste lockdown, toen ik nog heelder muren verfde, de zolder tot atelier verbouwde en in de gauwte ook het kleinste kamertje vertimmerde middels rücksichtlose inzet van lijf en leden.
Een roman ter hand nemen zou een optie kunnen zijn, doch de onrust in mijn naar actie snakkend corpus is hiervoor te kolossaal. Bijwijlen zwier ik wel eens wat belegen vinyl op de draaischijf, pleur de versterker op standje tien en hos vervolgens wild gesticulerend mijn heup uit de kom. Echter, na drie nummers beginnen mijn vierenvijftig lentes op te spelen en roepen ze zoveel plastische jool zonder mededogen abrupt een halt toe. Mijn pretenties van jeugdigheid hebben me eens te meer genekt. In mijn hoofd ben ik nog twintig, doch mijn rug denkt daar altoos anders over. Het is godgeklaagd, wat ik u brom.

Rond twee uur waag ik me door sneeuw en ijs met de elegantie van een veearts die in een drekkerige stal tot de ellebogen in een drachtige merrie staat te graaien. Ik bereik veilig en wel bakkerij Finesse in de dorpskern, alwaar Conny al sinds mensenheugenis de scepter zwaait.
“Een blokbroodje, gesneden graag”, deel ik de pronte bakkersgemalin mede middels een opgewekte voois.
“Ook goedendag, Menck”, hoont ze, wijl ze zich omdraait teneinde het gewenste baksel van de schappen te lichten.
“Sorry Con, ik heb al betere dagen gekend. Ik ga gebukt onder vorstverlet, coronamoeheid en acute fibromyalgie van het onbeheerst dansen.”
“Je zult met een plausibeler excuus op de proppen moeten komen, vent. Dat is dan twee euro en vijftien cent, alsjeblieft.”

Terug op straat word ik ei zo na van mijn sokken gereden door een strooizoutspuwende tractor. Als de dames en heren arbeidzame stompers straks huiswaarts karren, zullen de wegen er alras een stuk passabeler bijliggen.
Klokslag halfdrie steek ik de sleutel in de voordeur onzer doening. Er rest me nog zowat een half etmaal alvorens ik onder de wol kruip. In mijn hoofd som ik de mogelijkheden op om de rest van de dag door te spartelen. Ik kom niet verder dan belegen Humo’s inkijken, neuspeuteren tot ik mijn amandelen kan schoffelen en een streep muziek opleggen.
Een tegelplakker (*) deze keer, dat staat alvast buiten kijf.

________
(*) slow

Pukkelpop. Eh, kop.

.
Er wordt weleens beweerd dat de schoonheid van het lichaam beperkt is tot de huid.

Die discutabele declaratie is van oorsprong toe te schrijven aan Umberto Eco, een Italiaans auteur en criticus. “Se gli uomini vedessero quello che è sotto la pelle.”
Vier jaar geleden verwisselde deze invloedrijke pasta-eter het tijdelijke voor het eeuwige. Zijn huid ontbond daarna cynisch genoeg als eerste.

Doch in mijn ogen had hij wel een punt. Want iemand met een mooie huid heeft onmiskenbaar een streepje voor. Helaas behoor ik allerminst tot deze categorie van mensen.
Als tiener werd ik langdurig geplaagd door het spook dat acne heet. Ik vind dit nog altijd een vreselijke term. De badkamerspiegel was in die jaren mijn geliefkoosd doelwit. Er zijn ontelbare momenten geweest dat ik hem bevlekte met stroperig dan wel liquide pus. Van een rijpe puist op mijn tronie werd ik ronduit kregelig. Mooi was bovendien anders. Eraf blijven was bijgevolg nimmer een optie. Uitduwen dat kreng, vaak herhaaldelijk, tot er uiteindelijk nog slechts puur bloed tevoorschijn kwam.
Alras bleek ik daar littekens aan over te houden. Ze trekken wel weg binnen onafzienbare tijd, dacht ik, doch dat deden ze niet. Ruim vijfendertig jaar later tekenen ze nog immer present, weliswaar behoorlijk vervaagd. Maar om nou te zeggen dat ik een gladde bast cultiveer, is als beweren dat de PvdA rechtsgezind is. Ik heb een eerder pokdalige tronie, punt aan de lijn.

Ontelbare zalfjes heb ik gesmeerd, talloze crèmes ingemasseerd en sterk alcoholische preparaten aangebracht met engelengeduld en massa’s steriele wattenpads. Telkens op dermatologisch verantwoorde wijze, dat spreekt voor zich. Driewerf helaas, echter.

Drie jaar geleden onderging ik een serie pijnlijke laserbehandelingen teneinde de plooien wat gladder te strijken. Vergelijk de intensiteit van deze medische bejegeningen gerust met het wegstralen van tatoeages.
“Ik hoop dat u een iets hogere dan gemiddelde pijngrens hebt, meneer”, zei de dermatologe doodernstig, onderwijl haar shockwapen in de aanslag houdend. Ik heb geen vermaledijde kreet geslaakt, doch de tranen stroomden rijkelijk over mijn wangen gedurende de ingrepen.
Het resultaat van al dat lijden stemde achteraf slechts enigszins tot tevredenheid.

Vorig jaar heb ik de verstandigste beslissing tot nog toe genomen: er fucking vrede mee nemen. Of om Salman Rushdie te citeren: na een lange, hopeloze strijd zullen mensen vrede omarmen, tegen bijna elke prijs. Beetje uit zijn context gerukt, doch soit.

Zou het dan toch kloppen dat naarmate je ouder wordt, je steeds meer lak hebt aan hoe je bij derden overkomt? Of is het eerder zo dat je de problemen die je voorheen onmiskenbaar uitvergrootte, thans eindelijk herleidt tot hun ware proporties? Dat die tenslotte veel kleiner zijn dan gedacht, is benevens lekker meegenomen.

Laatst meldden Katrien en haar beste vriendin me dat veel vrouwen vallen op mannen met een of meer littekens. Ze blikten me daarbij bloedserieus aan, maar mijn achterdocht jegens hun boude en irrelevante uitspraak was evenwel gewekt.

En u?

Faits divers | deel 4

.
Sinds een maand of twee zijn we een telg rijker ten huize Menck. Een goed uitziende vreemdeling kwam hier ineens aanwaaien en is gebleven. Hij is bovenmatig welgemanierd, hogelijk verzorgd en criant zachtaardig, wat ik als een niet te onderschatten meevaller beschouw.
Een druk gedeelde rondvraag op sociale media leerde me dat niemand uit onze contreien hem kan thuisbrengen, letterlijk noch figuurlijk. Mogelijks wordt hij dientengevolge ook nergens gemist.
We kennen zijn naam evenmin als zijn leeftijd en zijn helaas niet in staat om met hem te communiceren. Maar hij is ten zeerste erkentelijk voor de cordiale opvang en de maaltijden die we hem dagelijks offreren én gunnen, genereus als we zijn.
De neiging bekruipt me om hem Remi te noemen wegens ‘alleen op de wereld’. Althans, toch tot voor kort. Ook de drie kleinsten mijner huisgenoten zijn er tuk op en hebben hem quasi onmiddellijk in hun midden geaccepteerd.
Geef maar grif toe dat deze jongen een attractieve verschijning is:

* * *

Eerder deze maand – die zowaar alweer twintig dagen oud is – werd de drie in mijn leeftijd schier geruisloos een vier. Bloemen noch kransen. Volgende maand valt Katrien overigens dezelfde eer te beurt.
Dat we oud worden, zeg ik u. Dat we het al zíjn, aldus vrienden van ons.
Lichtpuntje in zoveel duisternis: eergisteren werd ik, na een grondige check-up in het ziekenhuis, weer geheel en al ‘geschikt voor dienst’ verklaard na een wekenlange revalidatie. Anders gezegd: ik mag de handen opnieuw naar hartenlust uit de mouwen steken. Zulks viel overigens niet in dovemansoren, want prompt construeerde ik wat extra etalageruimte in het pottenbakkersatelier van vrouwlief. Dat kind heeft zowat constante uitbreidingsdrang en ik kan nimmer haar passionele smeekbedes weerstaan.

* * *

Na een virtuele winterslaap van welhaast drie weken, luidt dit eigenste schrijfsel mijn nieuwe blogjaar in, het vijftiende alweer. En ook al hangt boven 2021 voorlopig nog steeds dezelfde zwaarbeladen onweerswolk die in maart vorig jaar werd gevormd, toch stuurde het begin van het kersverse jaar ter algehele afwisseling ook eens een gans andere bui over ons heen: eentje vol sneeuwvlokjes.
Dat ze feeërieke plaatjes genereerde, wil ik u bijgevolg zeker niet onthouden. Op de valreep, zeg maar.

[ Foto’s: © Menck ]

Wil de laatste de deur dichtdoen?

Eerder deze week nam ik een enigszins verkleurde foto ter hand die het levenslicht zag in de donkere kamer van een lokale fotograaf toen de zeventiger jaren nog niet zo bijster lang de eighties hadden gebaard.

De matglanzende afdruk exposeert tafelende familieleden in de ouderlijke woonkamer op oudejaarsavond. Mijn moeder zag er ravissant en vooral nog heel levend uit. Mijn vader was de enige die niet aan tafel zat; hij was opgestaan teneinde de asbak te kunnen overhandigen aan een rooklustige disgenoot en was door de camera in die fase bevroren.
Van het gezelschap rookte toentertijd zowat iedereen; meer dan de helft actief, de rest passief. Heden is schier tachtig procent van de afgebeelde genodigden reeds zelf tot as verworden en is de overige twintig procent stokoud dan wel van middelbare leeftijd. Tot die laatste categorie reken ik, niet geheel onterecht, ook mezelf.
Op de foto spring ik een weinig uit de band met mijn menageuze aanzet tot een hanenkam. Hiermee trachtte ik me bovenal af te zetten tegen de verwelkte bloemenkinderen uit het hippiedom. Daartoe rekende ik, behalve mijn ouwelui, ook enkele andere individuen op deze prent. Het muziekgenre dat in mijn eigen kringen de boventoon voerde, was progrock die sterk naar punk neigde. Sociaal en cultureel tegenwicht bieden was ons motto. Van naïveteit had ik in die dagen alvast nog nooit gehoord en klein geluk was evenzeer een onontgonnen terrein.

De woonkamer was destijds getooid met een donkergroen behang dat bijzonder druk aandeed. De overdadig aanwezige dessins buitelden over elkaar heen middels hallucinante kronkelingen. Thans is het moeilijk te geloven dat ik zoveel wansmaak ettelijke jaren heb moeten aanschouwen.
Pas toen hij te nicotinekleurig werd bevonden, besloot mijn vader om de ganse woonkamer te laten updaten door een bevriende schilder-behanger. Vanaf dan was het meteen ook afgelopen met roken in huis.

De voor die tijd al stokoude houten radio op de schoorsteenmantel hoor ik in mijn verbeelding nog steeds amechtig klaroenen over de hoofden van eenieder aldaar aanwezig. Het kranige kleinood produceerde trouwens ternauwernood schelle tonen wegens dof klinkende middengolfmuzak.
De enige die ontbreekt in het gezelschap, is mijn zus. Ze was nochtans al geboren maar hield zich die avond ongetwijfeld onledig met het vullen haren luier in de kleinste der drie bedsteeën.

Wat niet op de afbeelding te zien is, doch absoluut rijkelijk aanwezig was, is de ongedwongen sfeer tussen de opeengehoopte feestvierders die luidop lachten, kommerloos knuffelden en klinkend kusten dat het een lieve lust was. De kleuren van het leven waren fel, de zorgen stevig opgeborgen. Boven de hoofden hing een blinkende kristallen luchter in plaats van Damocles’ zwaard.

Ik schoof de foto terzijde, trok een dubbele wenskaart uit haar cellofaanverpakking en hield mijn balpen in de aanslag. De woorden wilden niet meteen komen.
Hoe graag had ik de oude familiefoto in deze kaart gestopt met daarop – handgeschreven – een gelijkaardige tijd als in die dagen ambiërend. Toen geluk nog eenvoudig was, om maar eens een dooddoener te gebruiken.
Doch in mijn hoofd maakte ik een doorslagje van 2020, vouwde het achteloos in vieren en stuurde het naar eenieder met de kreet: ‘2021 wordt vertrouwd, laat ons daar maar een Corona op drinken.’

Nee.
Nee, nee, néé!
Aangezien ik volgend jaar elke vorm van zwartgalligheid uit mijn bestaan wens te bannen – ja, dit klinkt zowaar als mijn goede voornemen – wil ik er, zeg maar als opwarming, op gelijkaardige wijze dit roerige jaar mee afsluiten:
.

De langverwachte overgang vieren we dit jaar
met een ander soort alcohol weliswaar.
Er zijn wel bubbels, doch niet in champagne,
vieren mag buiten en daar kan je
honderduit klinken op een positieve start
zolang je die niet met een covidtest verwart.
Hierbij wensen Katrien en ik jullie allen

een jaar van opstaan en nooit meer vallen,
een toekomst vol knuffels en zonder handgel,
een virusvrij leven, hetgeen elkeen wil.
Voorspoed voor allen, geen mondmaskers meer,

geen handen ontsmetten, keer op keer,
doch een bestaan zoals ook wij ’t verkiezen,
waarbij je elkaar in ’t gezicht kan niezen,
en vervolgens oreert, gemeend en geheid:
Ik wens je hiermee een goede gezondheid!”

.
Tot in 2021, gij allen!

[ Foto: © Menck ]