Categorie: It’s my life

De nervositeit voorbij

Mocht u het zich al afvragen: ik heb de feestdagen manhaftig overleefd, dank u. In onze kringen staan ze, naar aloude traditie, voor vier keer tafelen: kerstavond, kerst, oudjaar en nieuw. En tussenin wordt er ook al eens bij een buur, een collega of een kennis binnengewipt voor een natje en/of een droogje en de bijhorende beste wensen en kleffe zoenen.
Om kort te gaan: ik heb het weer gehád voor een jaar. Teveel drank, teveel vette spijs, teveel kussen, teveel oude moppen en steevast te laat in bed.

Wonder boven wonder is er na al dat feestgedruis geen gram bijgekomen, zo meldde me mijn weegschaal toen ik ze eerder deze week blode besteeg. Het zullen de zenuwen zijn geweest, vermoed ik, want ik kan in ieder geval niet worden beticht er alle calorieën eventjes snel te hebben afgesport. Ik bespaar mijn kathedraal van een lichaam die vrijwillige marteling met graagte.

Dat ik gewag maak van nervositeit tijdens dagen die bol zouden moeten staan van de ontspanning, zal u wellicht bevreemdend toeschijnen. Doch als ik merk dat tante Hildegonde, na het lichten heurer derrière, ook dit jaar weer verantwoordelijk was voor het achterlaten van een okergele urinevlek op een onzer witte simililederen stoelen, dan heb ik veel goesting om dat immer lekkende mens in plasticfolie te wikkelen en terug te sturen naar afzender.
Toen ze zich vervolgens, volgevreten en gedraineerd, wou neerploffen in de bank, was ik haar gelukkig voor. Onder het voorwendsel dat zoveel zachts haar zitgemak ten zeerste zou bevorderen, drapeerde ik alras een vierdubbelgevouwen strandlaken onder ’s vrouws kont. Hulde aan de eerste die haar eindelijk eens een cadeaubon van Pampers offreert als kerstgeschenk. En nee, dat durf zelfs ík niet.

Nonkel Hugo, zesenzeventig gure winters oud, had, toen 2018 zijn laatste stuiptrekkingen beleefde, de weledele taak op zich genomen om, evenzeer naar aloude traditie, de Druivelaar uit het hoofd te leren en die met de regelmaat van een klok ook nog ’s te debiteren. Tot ieders vermaak, leek het wel, behalve dan het mijne. Ik weet niet of u de Druivelaar kent, maar de moppen op de ommezijde van elk kalenderblaadje zijn van een niveau om u tegen te zeggen. Thans ziet u wellicht de ironie van uw scherm druipen. Enfin, ik mag het toch hopen.
De brave man schept er bovendien een heimelijk genoegen in zich bij elke opdissing in mijn richting te draaien als ware ik de eregast in zijn publiek. Ik verzeker u: daarbij iedere keer weer een geforceerde lach uit mijn keel moeten sleuren, heeft mijn leven danig verkort. Ik was dan ook effenaf opgelucht dat ik eerder deze week alsnog mijn tweeënvijftigste verjaardag mocht meemaken.

Waar ik ook zo van baal? Van zoenen. Ik ben hoegenaamd geen zoenmens. Laat voor mijn part al die kussen maar achterwege en hou het bij een hand. Een stevige handdruk prefereer ik ver boven een mondafdruk, zelfs als de tegenpartij van het andere geslacht is. Toen tante Hildegonde zich aanbood, kreeg ik gelukkig ineens een bloedneus. Was mijn avond toch nog een beetje gered, zeg.

Voor de genodigden van volgend jaar heb ik, op de valreep van dit schrijven, nog één goede raad: laat uw huisdieren thuis. Of denkt u werkelijk dat iedereen gediend is van twee enkelhoge keffers die zich de godganse avond continue tegen je been aanschurken? Het jeukt nóg, zeg ik u.

Doch laat ik afsluiten met voorname, welgemanierde mensen die mij hun zoenen gelukkig slechts virtueel kunnen toesturen: mijn lezersschare. Ik wens u allen twaalf maanden van goede gezondheid, tweeënvijftig weken boordevol geluk en driehonderdvijfenzestig kommerloze dagen.

Cheers!

[ Foto: © Menck ]

Advertenties

K staat voor kut

Maandag 1 januari 2018

Er wordt getoost op het nieuwe jaar. ‘En op een goede gezondheid’ blijft voor het eerst onvermeld. De glazen worden enigszins schoorvoetend geheven waarna er welhaast werktuiglijk wordt genipt van de gouden bubbels. De stilte die volgt, duurt een fractie te lang. Aretha Franklin zet vanuit het behang een nieuw lied in. Sisters are doin’ it for themselves klonk nooit eerder zo gesmoord.
Ik zie dat Katrien naar haar zus kijkt. Hun ogen vinden elkaar. Haar zus wendt het hoofd af, reikt naar een borrelhapje op de salontafel, zet haar glas neer en staart vervolgens voor zich uit. Haar jongste dochter slaat een arm om haar heen. Ik merk hoe hun beider ogen waterachtig worden.

Anderhalf uur later wordt het hoofdgerecht geserveerd. Kabeljauw op een bedje van weetikveelwat begeleid door een te zoete wijn. De babbels na het maal zijn luid en worden zo nu en dan gelardeerd met een gulle lach om geestige anekdotes. De alcohol sorteert effect.
Ik ben met Katriens zus verwikkeld in een gesprek over pijnlijk dure Parajumpersjassen die heden opmars maken bij de jeugd en het Millet-tijdperk uit onze schooltijd doen herleven. We halen tal van herinneringen op, vergelijken toen met nu, laten ons treiterend-laatdunkend uit over de materialistische ingesteldheid van haar twee dochters die naast ons aan tafel zitten en kelderen elk verweer van de tieners.
“Je lach doet me goed”, geef ik haar ineens mee. Waarna ze haar gezicht instant in serieuze modus plooit als wil ze zich verontschuldigen om zoveel misplaatste uitgelatenheid.
Ik leg over tafel mijn hand op de hare. “Niet doen,” zeg ik, “een mens is het strijdbaarst als hij de lach blijft vinden.”
Ze kijkt me een hele tijd aan en glimlacht wijl de tranen over haar wangen rollen.

Woensdag 10 januari 2018

“Het ergste is achter de rug”, meldt mijn schoonbroer me telefonisch. “De tumor was helaas wel groter dan gedacht.”
“Wat houdt dat in?” vraag ik hem zenuwachtig.
“Dat de operatie jammer genoeg niet borstsparend was.”
Er volgt een lange stilte.
“En nu?”
“Sowieso bestraling. En afwachten of er geen uitzaaiingen zijn.”
“Ja.” Meer kan ik niet uitbrengen.
“Als de uitslag gunstig is, wordt er gedurende twee weken een soort ballon ingebracht om de huid op te rekken. Daarna volgt een reconstructie met eigen weefsel.”

Carried away by a moonlight shadow

Vorig jaar verraste ik het innemende dochtertje van vrienden nog door voor haar uit twee houten wijnkratjes een fleurig poppenhuis te vervaardigen waarin ze haar Playmobilfamilie kon huisvesten. Het kind was, het moet gezegd, danig in de wolken met mijn polychrome constructie. Toch voor een maand of twee. Daarna was het finaal uit met de liefde voor de vierkamervilla en diens plastic bewoners.
Heden staat het kleinood stof te vergaren op zolder, stof waarin ik onlangs ‘vergane glorie’ schreef met mijn rechter wijsvinger.

Sedert enkele weken is deze uk – drieënhalve lentes ondertussen – geheel en al in de ban van de maan en de sterren. De échte maan, beste lezer, en niet de veelal banaanvormig getekende Janneke Maan en diens cartooneske consorten uit tal van kinderboekjes.
Zij aanschouwt de maan zoals volwassenen dat al lang verleerd zijn, tenzij ze Frank Deboosere heten: met onverholen bewondering, grote ogen incluis. Ze weet dat er diepe putten op de maan zijn, en zand en bergen en dat er al eens mensen op hebben rondgelopen. Al twijfelt ze bijwijlen nog wel eens aan dat laatste. Nu al niet vies van een conspiracy-theorietje, die kleine.

Ook overweldigend: de maan geeft zowaar licht! ’s Nachts dan nog wel, als het buiten voor de rest helemaal donker is. De maan is wat haar betreft het nachtlampje van de tuin en de sterren zijn pinkeltjes. Aan fantasie alvast geen gebrek.
Dat de maan eigenlijk de zonnestralen terugkaatst naar ons en zelf geen licht produceert, trachtte ik haar laatst bij te brengen. Ze schudde geagiteerd en langdurig van neen waardoor haar pijpenkrullen een onstuimige dans executeerden. Dat ik er helemaal niks van kende en toch eigenlijk wel een beetje dom was. Dat de zon voor overdag is en de maan voor ’s nachts. En dat ik toch nog véél moest leren.
Tegen dergelijk gefundeerd verweer kon ik geen woord inbrengen, dat spreekt voor zich.

Met Kerst schonk ik haar de maan. De realistisch ogende versie, die zich reusachtig en glorieus verheft boven een dennenbosje te midden van menigvuldig sterrengefonkel. Ik schilderde dit nachtelijke tafereel op een groot dunhouten paneel dat ik vervolgens achter glas heb ingelijst.
Om na meer dan dertig jaar nog eens lekker loos te kunnen gaan met fijne penselen en tubetjes olieverf, maakte me pueriel gelukkig. Er is aan mij geen groot artiest verloren gegaan, doch een kinderhand is gauw gevuld.
Alleen de sterren zijn zo fake als de borsten van La Cicciolina. Het zijn nachtelijk lichtgevende stickertjes. Een bewuste keus ten faveure van de kindervreugd. Een ruimhartige mens doet al wel eens een toegeving, ziet u.

En zo komt het dat er sedert deze week een heuse maan hangt te schitteren op de kamer van een kleine meid. Dat schitteren mag u overigens letterlijk nemen: een welgericht ledlampje speelt hierbij voor zon. Het eigenzinnige juffertje zal me binnenkort wel bijtreden wat mijn uitleg over de zonnestraalreflectie betreft, geloof me.

   

[ Foto’s: Menck | onderste foto’s: papa van de kleuter ]

The most wonderful time of the year

Sinds vanmiddag zit er een deuk in de linkerkant van mijn bestelwagen.
Ze begint op de hoek van de voorbumper, loopt via de voorflank verder over de bestuurdersdeur én de achterliggende schuifdeur om te eindigen in een fikse inbuiging op de achterflank, vlak voor de lichtunit.
Om en bij de vierenhalf meter, schat ik.
Een halve centimeter diep. Achteraan minstens twee.

Er stak geen briefje onder de ruitenwissers met een telefoonnummer dan wel een adres of – ocharme – een verontschuldiging. Anno 2017 hoort zulks niet meer, moet u weten.
Gebakken peren, dat is het enige wat ik aantrof. Op de lege parkeerplaats links van mijn bestelwagen, waar even daarvoor nog een aftandse Citroën Xantia had gestaan. Een grijze.
Bewijsmateriaal te over, kortom.

Triple blèh, zeg ik u.

Laserman

Toen ik het Torhoutse Sint-Rembertziekenhuis betrad, was het eerste dat ik rook het toilet bovenaan de traphall. Pas aan de receptiebalie werd ik de typische weeë geur van ether, ontsmettingsmiddelen en aambeienzalf gewaar.
De piepjonge receptioniste verzocht me om mijn identiteitskaart, dewelke ik haar gedwee aanreikte.
“Meneer Weserhütte? Zandstraat? Dokter Jacques als huisarts? Blablabla?”
Ik mompelde een paar keer instemmend wijl mijn blik ondertussen een aardig van billenwerk voorziene verpleegster achternazat.
De baliejuffrouw reikte me een vel met een twintigtal identieke etiketten aan en schoof vervolgens mijn pas naar me toe. “Einde van de gang rechts, dan links, weer rechts en tenslotte nog eens rechts. Gelieve Route 92 te volgen.”

De wachtzaal van de dermatoloog – een rij stoelen aan weerszijden van een gangetje – zat ei zo na vol. Ik vond nog één zitje naast een niet meer zo jonge bejaarde zeventigplusser op leeftijd met een warrige snor die gelig kleurde.
Voor me zaten drie Rubensiaanse meiden van een jaar of veertig ingespannen te turen naar hun respectievelijke smartphones, terwijl een pezige en netjes in het pak gehesen senior op het einde van hun stoelenrijtje zijn ijlbehaarde hoofd tegen de muur liet rusten, ondertussen spiedend naar het gefriemel hunner handen.
Eén van de dames legde haar mobieltje terzijde en richtte zich, geheel onverwacht en ongevraagd, tot mij.
“Bent u hier ook voor dokter Stockman?”
Enigszins verveeld hield ik een stonde haar blik vast, knikte vluchtig en nam een beduimelde Knack van het tafeltje.
“Hoe laat is uw afspraak?”
Ik keek op, sloeg de Knack dicht en zuchtte onhoorbaar. “Kwart over twee. Waarom?”
“Die van mij stond geprikt om halftwee. Zodoende ben ik al drie kwartier overtijd.”
In gedachten feliciteerde ik haar om zoveel heuglijk nieuws wijl ik het magazine weer opensloeg.
“Waarvoor bent u hier trouwens? Bij mij gaat de dokter ein-de-lijk eens het irritante vetknobbeltje op mijn rechterschouder verwijderen.”
Nou moe, dat mens wist duidelijk van geen ophouden. Haar vragen werden bovendien per seconde onbetamelijker.
Zonder me van mijn leesvoer los te maken, gaf ik haar traag, afgemeten articulerend en met een licht verheven stemgeluid mijn antwoord. “Dokter Stockman zal deze middag mijn hoofd van plaats wisselen met mijn reet. Omdat ik zo’n stinkende adem heb, ziet u.”
Prompt werd het stil in de kleine wachtruimte. Al was die ommekeer slechts van korte duur: een jongeman begon te gniffelen waarna het meisje naast hem het op een luid proesten zette.
De zo-even nog nieuwsgierige vrouw stond op, liet haar gsm in haar jaszak glijden en begaf zich met gebogen hoofd richting het toilet in de hoek van de wachtruimte.

Enfin, om maar te komen tot de reden mijner bezoek: ik heb na lang dralen mijn tronie laten laseren. Een nogal pijnlijke gebeurtenis die zowat anderhalf uur in beslag nam, onder andere wegens twee ingrepen: eentje met een CO2-laser en quasi meteen daarna een rondje met de zo mogelijk nog brutalere ablatieve laser.
Doel: couperose verwijderen en mijn van oudsher pokdalige gezicht gladstrijken.

Momenteel – twee dagen na de ingreep, that is – zie ik eruit alsof ik twintig keer knock-out ben geslagen door Mohammed Ali himself. Mijn gezicht valt nog het beste te vergelijken met een overmatig hard opgeblazen voetbal die tegelijkertijd bezaaid is met tig bloeduitstortinkjes. Om maar te zeggen dat het werkelijk géén gezicht is.
Ik moet een aantal weken de zon mijden – Zei daar iemand zon? Haha! – en zal pas na een veertiental dagen mijn nieuwe ik kunnen bewonderen.

Ondertussen houd ik me binnenshuis onledig met tal van tijdverdrijvende zaken. Bloggen, bijvoorbeeld.
Alles beter dan nu en plein public te verschijnen, geloof me.

 



[ Twee uur na de ingreep ]

 


[ Anderhalve dag later en al een verwrongen, gezwollen kop ]

Ondertussen, te onzent

[ Maandag ]

“Toch jammer dat Charles Bukowski er niet meer is”, verbrak mijn madam de stilte. Ze legde haar boek, ‘Het spit’ van Lize Smelt, terzijde en nam haar breigerief uit de rieten mand.
“Kind, ik zat net hetzelfde te denken”, trad ik haar bij, waarna ik uit de bank opstond, naar de boekenkast slofte en er Het Postkantoor uitnam, de eersteling van Bukowski. “Dat,” sprak ik plechtstatig wijl ik de paperback in de lucht stak, “was je reinste openbaring. Vergeet niet dat het werk al dateert van 1971.”
“En daarna is het eigenlijk alleen maar nóg beter geworden”, beaamde madam Menck wijl ze zich focuste op drie naalden tegelijk. “Pulp, bijvoorbeeld. Een meesterwerk avant la lettre.”
“Ja”, zuchtte ik. “Is dát trouwens genietbaar?” Ik wees op ‘Het spit’.
“Bwah, valt wel mee. Een dertien-in-een-dozijnboek. Ik snap de hype die er destijds rond ontstond eigenlijk niet zo goed.”
“Jan Wolkers. Diens werk moet ik ook dringend eens herlezen. Want, toegegeven, dat was toch ook een hele grote meneer.”
“Absoluut.”

Waarna het weer stil werd in de woonkamer, op het lichte snorren van de kater en het zachte, secure getik van de klok en een trio breinaalden na.

[ Dinsdag ]

“Weet je wat het is met veel bloggers?” Mijn madam legde haar breiwerk in haar schoot.
“Wat dan?”
“Het zijn dertigers. Dat is blijkbaar een populaire blogleeftijd. Jij bent vijftig en dus per definitie een ouwe zak met dito geneuzel.”
Die uitspraak liet ik een poos bezinken. Waarna ik haar gelijk gaf.
“Er spelen wel meer dingen mee”, vulde ik haar aan. “Wij hebben geen kinderen. Mama- en papablogs worden graag gelezen. Enfin, toch door mensen met kinderen. Dertigers, zoals je zegt.”
“We gaan niet op reis voor het zoveelste jaar. Geen beeldende verslagen, geen exotische foto’s.”
“Ja, dat ook. En ik doe niet aan sport, heb geen Facebook- of Instagramaccount, lees veel te weinig hedendaagse schrijvers, beoefen geen interessant beroep en televisie boeit me al evenmin.”
“Tuinieren, pff, dat zegt de gemiddelde dertiger niets.”
“Nope. Kijk maar naar mijn klandizie: steek ze samen in een bus en je hebt honderd ogen en twee tanden.”
Katrien schoot in de lach.
“Misschien moet je maar op Seniorennet gaan bloggen. WordPress is een te hip platform geworden voor je.”
“Ik ben het aan het overwegen.”
“Of je laten ombouwen tot vrouw. Tachtig procent van de bloggers zijn vrouwen, beweer je altijd. Die klitten bij elkaar, dat weet je toch?”
“En of.”

Waarna het weer stil werd in de woonkamer, op het lichte snorren van de kater en het zachte, secure getik van de klok en een koppel breinaalden na.

[ Woensdag ]

“Gek. Mijn plas ruikt al twee dagen naar zoete appeltjes.” Ik verschoof wat ongemakkelijk op de bank.
“Suikerziekte”, concludeerde mijn madam.
“Zou je denken? En ik snoep geeneens”, protesteerde ik.
“Een glazen boterham bevat ook suiker. Zelfs een gewone boterham of een onnozel stuk kaas.”
“Zit er suiker in kaas? Ga weg!” Ik schudde vol ongeloof mijn hoofd.
“En heel veel vet.”
“Daar krijg je geen suikerziekte van.”
“Van overgewicht wel. En bepaald slank ben je niet.” Ze trok een eindje breiwol bij uit de rol die op het tapijt lag. De kater keek even op maar verloor meteen weer zijn interesse.
“Diabetes dus. Nou, dat is geen mals oordeel van je.”
“Ik ben dan ook geen dokter. Dáár moet je zijn met je zoete plas.”
Even was er niks anders te horen dan het gestadig tikken der naalden.
“Weet je wat het ook nog kan zijn?” Mijn madam staakte haar steekspel. “Het WC-blokje. Er stond ‘Sweet Apple Blossom’ op diens verpakking.
Ik nam mijn tijdschrift ter hand, zuchtte hoorbaar en las gerustgesteld verder.

Eens te meer werd het stil in de woonkamer, op het lichte snorren van de kater en het zachte, secure getik van de klok en een koppel breinaalden na.

[ Donderdag ]

Wat zal deze avond brengen: geluk of onheil? Ik ga, als het even kan, voor rust, want onze avonden zijn, zoals u hierboven kon lezen, deze week echt al hectisch geweest.

Bloembollo smitto (*)

Afgelopen zondag, toen de koperen ploert ineens begeesterd de grauwe hagelwolken opzijschoof, gooiden mijn madam en ik al even geestdriftig lentebloembollen in het rond. Waar ze neerkwamen, daar werden ze geplant. Tussen ons gezegd en gezwegen: er werd hierbij minutieus gemikt. *insert knipoog*

Onder het motto ‘If spring isn’t bright, at least it will be colourful’ kreeg onze tuin zodoende exact honderdzestien bollen te slikken, alsook een stevig uit de kluiten gewassen heester. (Zie onderste foto.) Die laatste is overigens een uitbundige herfstbloeier.

We selecteerden onderstaande greep uit het ruime aanbod van de kwekerij:


Tulipa ‘Sylvestris’ geurende bostulp | 10 exemplaren


Tulipa ‘Akebono’ | 10 exemplaren


Tulipa ‘Lambada’ | 10 exemplaren


Tulipa ‘Candy Club’ | 10 exemplaren


Ornithogalum pyramidale | 5 exemplaren


Ornithogalum nutans ‘Silver Bells’ | 10 exemplaren


Muscari macrocarpum ‘Golden Fragrance’ – vermeerderende gele druifjes | 4 exemplaren


Gladiolus communis ‘Byzantinus’ | 10 exemplaren


Fritillaria persica ‘Ivory Bells’ | 1 exemplaar


Erythronium dens-canis ‘Rose Queen’ | 3 exemplaren


Camassia leichtlinii ‘Semiplena’ | 1 exemplaar


Allium nigrum | 10 exemplaren


Allium atropurpureum | 6 exemplaren


Allium ‘Violet Beauty’ | 10 exemplaren


Allium ‘His Excellency’ | 3 exemplaren


Allium ‘Cameleon’ | 10 exemplaren


Allium amethystinum ‘Red Mohican’ | 3 exemplaren

Heester:


Callicarpa bodinieri ‘Profusion’ | 1 exemplaar


(*) Bollo smitto: kermisattractie waarbij met zachte ballen wordt gegooid naar blikken dozen.