Categorie: It’s my life

That’s life

.

Wijl de hemel eggerige tranen plengt en ik me gelaten onledig houd in de krochten mijner paperassen, wekt de telefoon me plots uit mijn psychische sluimer.


Mijn lijzige ‘Hallo?’ wordt beantwoord door een eufonische vrouwenstem die mijn naam vragend prononceert.
Ik reageer bevestigend.
Ze stelt zich voor en verzoekt me om even aan de lijn te blijven zodat ze haar dossier erbij kan nemen. Waar ze op doelt, dringt niet meteen tot me door, maar het klinkt belangrijk. Ik besluit om niet in te haken.

Het kan aan mij liggen, maar terstond tracht ik me de persoon aan de andere kant van de lijn voor de geest te halen. Doe ik telkens, het is sterker dan mezelf.
Nog voor er zich een verdere dialoog ontspint, lieer ik dit chaleureuze, enigszins hese stemgeluid aan een freule met ogen die lijken op diep in het struweel verborgen bosvijvers, een eeuwig lavende bron waar beslist menigeen in zal verdrinken zonder dat erg te vinden. Ze heeft ongetwijfeld lang blond haar als goudgolvend graan op zomerse akkers, volumineuze lokken die gewis menigmaal in het maanlicht geborsteld worden.

Ik schrik op als ze haar keel schraapt en zich nogmaals voorstelt alsof ze weet dat ik die gegevens daarnet niet heb gecapteerd.
Haar naam doet niet meteen een belletje rinkelen, doch pas als ze haar functie erbij vermeldt – oncoloog in het lokaal academisch ziekenhuis – weet ik dat ze doelt op het dossier van mijn vader.
Terstond recht ik mijn rug, druk ik de hoorn wat dichter tegen mijn oor en schud ik alle dagdromerij van me af.
“U hebt het resultaat van het onderzoek?” gooi ik er uit, potentiële voorbarigheid negerend.
“Inderdaad. En ik wil de zaken niet verbloemen; het ziet er niet bepaald gunstig uit.”
In mijn nek spant zich een spiertje op waarvan ik het bestaan nooit had vermoed.
“Het K-woord, dus.” Ik wacht bevestiging noch ontkenning af. “De tekenen waren er. Ik had een donkerbruin vermoeden.”
“Een agressieve vorm van prostaatkanker, vrees ik.” Er valt een korte stilte. “Met uitzaaiingen door gans het lichaam. Schouders, nek, buikstreek, quasi alle botten. Het spijt me u dit te moeten meedelen.”
Ik trek de bureaustoel naar me toe en ga zitten. “Zo, eh, verregaand had ik het niet verwacht, eerlijk gezegd. Vorig jaar onderging mijn vader eveneens een volledig onderzoek en toen was er nog geen vuiltje aan de lucht.” Ik voel een traan opwellen en mijn stem verliest aan standvastigheid.
“Het is een terminaal ziektebeeld. Bestraling of chemo baten niet meer. We kunnen de pijn die hierbij vrij binnenkort zal optreden beheersbaar houden met een maandelijkse doelmatige injectie en de levenskwaliteit bijsturen met bijkomende medicatie.”
Ik weet een moment geen woord uit te brengen en begin nerveus met een blauwe bic te spelen.
“Ik ben me ervan bewust dat dit een bittere pil om slikken is,” continueert de oncologe,”maar we kunnen de levensverwachting alvast wat prolongeren.”
Prolongeren? Ik veer op.
“Hoe lang heeft mijn vader nog?”
“Dat is bijzonder moeilijk in te schatten, meneer. De ene persoon reageert anders op de kuur dan de andere.”
“Twee jaar? Drie?” Mijn woorden zijn nog warm als ik besef dat ze wellicht een soortement van wishful thinking mijnentwege betreffen.
“Alles is mogelijk, meneer. Maar de afdoende efficaciteit van de behandeling is aanzienlijk. Uw vader zal zich in dat geval comfortabeler voelen. Meestal uit zich dat na een maand of twee.”
“U antwoordt niet concreet op mijn vraag, mevrouw.”
“Laten we ons niet vergalopperen en eerst bekijken hoe hij reageert op de vaccinatiesessies. Pas daarna kan ik mogelijks wat meer zekerheid geven, maar u houdt maar beter rekening met de driftige aard van het ziektebeeld.”

Volgende week wordt pa negentig jaar. Althans, dat hoop ik.
Hij is niet op de hoogte van wat er woekert in zijn lichaam en dat wensen mijn broer, mijn zus en ik ook zo te houden.
Ondertussen – ik schrijf dit een drietal weken na bovenstaande telefoonsessie – kan ik het gegeven al min of meer een plaats geven. De gezegende leeftijd speelt in dezen een rol alsook ’s mans gezondheid die, op wat bijsturingen na, zelden gestokt heeft.

Maar ondanks dat betrap ik me erop dat ik me zowel recalcitrant als terneergeslagen voel bij het bespelen van mijn keyboard teneinde u deelgenoot te maken van deze kwalijke tijding, ook al tracht ik steevast leed te verzachten door het moedig te dragen.

zoals je daar nu zit
je haren compleet wit
de rimpels op je handen
zo vriendelijk en zacht
wie had dat ooit gedacht
er is plots veel veranderd

Vogeltje, gij zijt gevangen

.

“Wel, Menck,” zei Jeroen, terwijl hij traag zijn cigarillo uitdrukte, “zal ik jou eens een écht straf verhaal vertellen over hem?”

We hadden ons net een kwartier aan een stuk bescheurd over Bart, een gemeenschappelijke vriend. Na wekenlang vruchteloos te hebben gesolliciteerd, werd hij afgelopen vrijdag dan toch ergens voor een tweede maal uitgenodigd voor wat ‘een verder gesprek’ heet. Bart was apetrots geweest toen hij het ons de donderdagavond voordien had verkondigd. De arme sukkel heeft het helaas verknald. Letterlijk. “Een knaller van een scheet, verdomme. Een die ik écht niet meer kon bedwingen; ze was eruit voor ik er erg in had.”

“Laat me raden: hij heeft werk gevonden.”
Jeroen schudde zijn hoofd. “Nope. Erger.”
Ik lachte en schonk de rest van de ijsthee in mijn glas. “Laat horen.”
“Bart en Sofie hebben gisterennacht in allerijl naar de 100 moeten bellen.”
Ik wilde net een slok nemen, maar zette mijn glas weer neer.
“Echt of wat?” Dra zou er weer een grol volgen, dacht ik. Maar Jeroens blik werd ernstig.
“No kidding. Een behoorlijk gênante situatie, eigenlijk.”
“Niks ernstigs dus?”
“Nou, ik zou het toch niet willen meemaken, eerlijk gezegd.” Hij stak een nieuwe cigarillo op, inhaleerde diep en blies vervolgens de grijzige rook naar de polychrome parasol boven ons hoofd.
“Ik luister.”
“Wel, die nacht waren Bart en Sofie van je-weet-wel-wattes aan het doen.”
“Jij bent me hier in het ootje aan het nemen, vriend. Komaan.” Ik lachte luidop.
“Maar Menck, kíjk naar me.” Jeroen hief zijn handen enigszins theatraal in een ‘ik geef me over’-gebaar naast zijn hoofd. “Ik ben de meest serieuze mens op heel dit terras.”
“Sure. Maar bon, ik geloof je. Ze waren die nacht dus aan het vozen. Van wie kreeg jij die info trouwens?”
“Van Bart zelf. Ik zweer het je.”
“Waarom verwondert mij dat niet?” Ik hield mijn glas omhoog naar de serveerster en stak twee vingers op.
“Tijdens hun, eh, dolle rit ging het mis.”
“Tijdens?”
“Tijdens. Want Sofie liet Bart niet meer los. Enfin, geheel ongewild, that is.”
“Welke zever is me dat, Jeroen?”
“Die zever heeft zelfs een naam, Menck: penis captivus.”
“Mag ik uit die niet mis te verstane term afleiden dat…” Ik zweeg en keek Jeroen verwonderd aan.
Hij knikte. “Yep, zo is het. Nu, ik kende het ook niet. Maar naar wat ik vernam is het zo dat de penis tijdens de daad plotsklaps in de vagina wordt vastgeklemd als gevolg van het onwillekeurig aanspannen van de sluitspieren.”
“Jeetje, man. Pijnlijke zaak, vermoed ik.”
“En dat niet alleen: no escape possible hè, maat.” Hij knikte gewichtig.
“Allez gij, dat is toch een kwestie van wachten tot, eh, de jongeheer verslapt, zeg maar?”
“Vergeet het. Hoe kan afgekneld bloed terugvloeien, denk je?”
Ik schudde mijn hoofd. “Had Bart gedronken toen hij je dit vertelde?”
“Nogal. Hij moest zich de nodige moed indrinken, vermoed ik.”
“Hoe hebben ze die twee dan van elkaar losgekregen?”
“Met een spierverslappende injectie. Enfin, zo heb ik het toch begrepen.”

De dienster bracht twee nieuwe ijstheeën. Ik gaf haar een blauw biljet en wachtte tot ze het wisselgeld uit haar voorschoot had opgedist.

“Weet je wat het…?” Jeroen begon te proesten. “Weet je wat het ergste aan heel die situatie was?”
“Vertel!” Ik blikte hem geamuseerd aan.
“Dat hun beider gsm’s beneden lagen!” Hij gierde het ineens uit. Ook ik hield het niet meer.
Ons bulderlachen overstemde het terrasrumoer en ontlokte gegrinnik tot vijf tafels verderop.

Daar is het laatste ei nog niet over gelegd

.

Vandaag, 19 juli 2022, staat op de tweede plaats van warmste dagen ooit sinds het begin van de waarnemingen in Ukkel in 1892. Enkel op 25 juli 2019 was het nog warmer.

En toch ervaar ik het anders. Sinds 1967 heb ik nog nooit zulk een bloedhete dag meegemaakt als deze dinsdag. Op ons terras, en bovendien geheel in de schaduw, wijst de thermometer een whopping vierenveertig graden Celsius aan.
Dat beeld dient echter enigszins te worden genuanceerd. Het meetinstrument hangt nauwelijks anderhalve meter boven de koortsig gloeiende blauwsteentegels van ons buitenzitje. En als u weet dat warmte stijgt, weet u meteen ook dat één en één twee is.

Á propos, tegels: ik merkte dat mijn handpalm erop leggen resulteerde in het terugtrekken ervan binnen de nanoseconde. Hier blootsvoets op stappen, is als vuurlopen op smeulende houtskool. Vandaag zag ik er dan ook letterlijk nog geen kat toeven, daar waar deze zuiders gelegen tuinhoek doorgaans de uitgelezen dagslaapstek van ons poezenduo is. Zelfs mieren en aanverwant insectenvolk kiezen heden liever eieren voor hun geld.

En laat ik daar nou net naartoe willen: eieren.
Nu weten de lezers die mij al langer volgen dat ik wel van een geintje hou. Doch voor één keer garandeer ik u, met de hand op het hart bovendien, dat wat volgt geen – zoals veel Vlamingen dat zo mooi uitdrukken – trucare noch foefelare is. What you see is what you get.
Ik waagde me, zo rond kwart voor zes vanavond, aan een in mijn ogen nogal kwestieus experiment. Doch aangezien meten weten is, nam ik een pan uit de keuken en schonk er een geut olijfolie in. Ik nam de pan mee naar buiten, plaatste ze vervolgens op een vlak in de zon liggende terrastegel en wachtte af.

Gedurende een kwartier gebeurde er werkelijk niks, ook al voelde de pan na vijftien minuten zonnebaden zo heet aan als Lucifer met hoge koorts.

Vijfentwintig minuten verstreken. Zag ik daar bubbels ontstaan op de zich naar de buitenrand van de pan bewegende olie? Wis en waarachtig, zulks bleek een feit, naast almede een nietig rooksliertje dat zich kronkelend hemelwaarts dirigeerde.

Pas toen er ruim veertig minuten de revue hadden gepasseerd en het zweet ondertussen in dikke stroompjes langs mijn rug naar beneden gutste, was mijn geduld op. Soms moet je – zo dacht ik terwijl ik een zonneslag naderde – gewoon proberen, zelfs als je weet dat het hoogstwaarschijnlijk niet zal lukken.
Doch wat schetste mijn verbazing?
Ja, u raadt en wéét het zelfs al.
Dit, met name:

Laten we wel wezen: we moeten de grootste collectieve uitdaging waarmee de mensheid vandaag geconfronteerd wordt, de klimaatverandering, zien als de grootste kans voor gemeenschappelijke vooruitgang naar een duurzame toekomst. Mijn ei is daar eens te meer een bewijs van. Blij dat ik het kwijt kon.

[ Videofragmenten: © Menck ]

Niets droogt sneller op dan een zee van tijd

.

Pas als we het statige witte staketsel naderen en schuimkoppen luid schurend diens pileuze stelten omhelzen, word ik rustig.


De blinkende jachten vol mondaine would-be matrozen en chique wijven met glimmende gladde lijven dobberen ver achter ons. Ik ben thans één met de krijtende meeuwen en voel me thuis.
Een ragfijne kanten rand siert de grillige vloedlijn waarop zeewier, schelpen en enkele geblutste blikjes een kleurrijke ketting vormen. De duinen wapperen grijsgroen helmgras en welven als borsten die de maagdelijke pannen verleiden. Ik neurie in de wind en laat me erdoor overstemmen.
In de verte nadert een stip die gestaag aanzwelt. Een late jogger. Een gebronsde godin, blijkt alras. In het passeren blik ik in twee zeegroene ogen. Ze drukken dartel een glimlach op me af. Vijf tellen later kijk ik achterom en zie haar eveneens het hoofd draaien wijl ze weifelend inhoudt. Een flard vluchtige vlinders en ze loopt door om dra weer te verworden tot een spikkel aan de kim.
“Schat, kom je?” Katrien wandelt ruim twintig meter voor me uit. Als we de kop van de pier bereiken, leun ik loom op de ruwe reling en wacht tot de zon de einder kust. Mijn zomer staat in volle bloei als hemel en water in flamboyant koper muteren.

“Wat hou ik van je,” fluister ik tegen de zee.
Madam Menck gloeit.
De zilte buurtschap onzer uitstap baadt in vuur en fonkelt.

[ Foto: © Menck ]


Een wuft vleugje nostalgie

.

De grote doos voelde wat vochtig aan toen ik ze uit de kast trok. Voorzichtig plaatste ik ze op de betonvloer. De kartonnen flappen waren getapet, maar de kleefband hechtte nauwelijks nog.

Bij het openen, steeg er even een muffe lucht van oud papier en schimmel op.
Bovenaan lag een vaalgroen schriftje. Op een roodomrand etiket stond mijn naam in balpen geschreven. Ik herkende meteen mijn handschrift van weleer. De rechterbovenhoek vermeldde in oubollige zwarte drukletters ‘Schoonschrift’. Een wijl doorbladerde ik het kleinood. Piet eet een appel. Eet Jan een appel? Nee, Jan eet een peer. Ik grinnikte, terwijl ik vruchteloos naar een datum zocht. Ik gokte op het tweede of derde leerjaar.
Ik vroeg me af of er thans nog aandacht uitgaat naar wat destijds als schoonschrift werd bestempeld. Wordt een leerling van pakweg zeven, acht jaar op vandaag nog wegwijs gemaakt in de beheersing van kalligrafie tussen voorgedrukte lijntjes? Ik meen ergens te hebben gelezen van niet, maar ik kan me vergissen. Ik legde het schriftje aan de kant en bedacht dat hetgeen waar toentertijd zo op werd gehamerd, maar weinig vruchten heeft opgeleverd. Mijn eigen ontcijferbare hanenpoten zijn daar heden het beste bewijs van.
Ik diepte een witkartonnen diploma op. Zesde leerjaar, 91 %. Het was het laatste jaar dat ik dergelijke goede cijfers haalde.
Stuk voor stuk waren het schriften, kladblokken en diploma’s die ik uit de doos haalde. Hierin zat zowat mijn ganse lagereschooltijd vervat. Of ik dit alles moet bijhouden? had mijn vader me gevraagd. Want naast de doos van de lagere school stonden er nog drie met paperassen, boeken en cursussen aangaande mijn middelbare opleiding. Ik gaf hem te kennen dat ik niet van plan was om daar ook maar iets van te bewaren, maar dat ik wel nog even wilde grasduinen in de inhoud.
En zo kwam het dat ik me helemaal achteraan in de grote ouderlijke kelder bevond waar de donkere eiken kloosterkast stond die al deze schoolsouvenirs jarenlang heeft geherbergd. Helemaal onderin de doos met opschrift ‘1e ASO’ vond ik een lijvig boek dat ik niet direct aan mijn schooltijd kon liëren. Het omslaan van de harde kaft bracht een golf van herkenning teweeg, al wist ik niet meer hoe dat boek hierin verzeild was geraakt. Een soortement van muziekplakboek, begot. Foto’s met begeleidende teksten, velen eigenhandig neergepend, aangaande mijn toenmalige favorieten. Ik was een Joepie-adept, jawel. En muziek veroverde stormenderhand mijn jonge leventje.
Al op de eerste pagina stond een datum: 4 februari 1980. Mijn dertiende levensjaar was pas begonnen.
Ik glimlachte toen ik het dikke werk doorbladerde. ‘Ik heb een engel ontdekt, en ik denk dat ik er verliefd op ben’ stond er onder een foto van Stevie Nicks. Jeetje. Alsof het gisteren was. En ik was wel degelijk verkikkerd op la Nicks, die schone frontvrouwe van Fleetwood Mac. Zowel haar stem als haar looks bliezen me destijds behoorlijk van mijn sokken. Ik weet nog dat ik de nacht nadat ik voor het eerst de videoclip van ‘Sara’ zag, niet met mijn handen boven de lakens sliep. Vier pagina’s had ik vol gekleefd met foto’s van haar. De vijfde pagina was een summiere weergave van de rest van de groep. Zonder tekst.
Ik raapte al de schriften, blaadjes, cursussen en boeken van mijn diverse schooljaren bijeen en propte ze terug in hun respectievelijke dozen. Ik drukte er de tape op, doch de lijm was volledig verstorven.

“Alles mag weg, pa”, zei ik toen ik de woonkamer binnenstapte.
“Ben je er zeker van? Ook je diploma’s en zo?” peilde mijn vader nog.
“Zet de ganse meuk maar bij het oud papier,” verzekerde ik hem. “Alleen dit hou ik bij.” Ik legde het plakboek op tafel.
“Goh ja, je muziekboekske. Weet je nog hoeveel uren per week je daaraan bezig bent geweest? En hoe minutieus je alles bijhield? Weet je dat nog?”
“Ik herinner me er nog wel iets van, maar niet al te veel meer, eerlijk gezegd.” Ik sloeg het boek op een willekeurige bladzijde open. Pat Benatar blikte me vanop een zwart-witfoto toe. ‘Hell is for children’ had ik onder het plaatje neergepend. Er trok een glimlach over mijn lippen.
“Ik weet zelfs nog exact wie je lievelingszangeres was toen.”
“O ja?” Zou mijn vader zich Stevie Nicks echt nog herinneren?
“Blondie! Enfin, de zangeres van die groep, hoe heet ze ook alweer?”
“Debbie Harry. Echt? Dat geloof ik niet.” Ik zocht de letter B in het plakboek. Er waren talloze foto’s van Debbie Harry aanwezig. Elke pagina waar ze op voorkwam, had ik met een rode stift van massa’s hartjes voorzien. Ik sloeg het boek snel dicht.
“Het zou kunnen, pa. Ik weet het niet meer”, loog ik, waarna ik haastig een slok van mijn koffie nam.

Ik zet me op de hoogste sport

.

Een uur tennissen.
Een uur joggen aan een stevig tempo.
Een uur voetballen met een normale intensiteit.
Een uur zwemmen à rato van vijftig meter per minuut.
Een uur fietsen met een gemiddelde snelheid van twintig kilometer per uur.

Bovenstaande activiteiten hebben één ding gemeen: je verbrandt er om en bij de 800 kilocalorieën mee. Dagelijks op die manier sporten biedt bovendien meer: de kans op overgewicht en obesitas neemt uiteraard af, maar ook de bloeddruk en de slechte cholesterol verlagen én de kans op osteoporose en op ouderdomssuiker wordt drastisch gereduceerd. Fijn.

Het is echter niet aan mij besteed. Niet meer.
Dat was dus ooit anders. Want ooit – in mijn voorhuwelijkse bestaan, that is – trok ik dagelijks, de weekends inclusief, een kilometer baantjes in het plaatselijke zwembad. Twee à drie keer per week ging ik vijf kilometer joggen. En ik had bovendien een abonnement bij de fitnessclub.

En tóch sport ik nog.
Op dagelijkse basis, zelfs.
Niet zelden van ’s morgens tot negen uur ’s avonds.
Weliswaar beoefen ik geen erkende sport, maar ik verbrand evenzeer 800 kilocalorieën per uur.
Ik ben namelijk een tuinier. Op professionele basis bovendien. Een topsporter, kortom.
Want ik train zowat alle spieren van mijn lichaam. Als ik hark, train ik mijn buik-, schouder- en rugspieren. Als ik gras maai, train ik mijn been- en armspieren. Onkruid wieden? Goed voor de rug- en schouderspieren. Ik graaf en ik spit, ik plant en ik snoei, ik til en ik trek, ik timmer en ik zaag, ik maai en ik frees, ik klim en buig en strek me dat het een lieve lust is.
Bovendien creëer ik.
Maak ik mensen gelukkig.
Én verdien ik.

Hobbysporters zijn janetten, zeg ik u.

Busy board

.

Mijn nog immer jeugdige inborst cultiveer ik door onder meer op te trekken met jonge mensen, althans mensen die een generatie jonger zijn dan ik.

Een koppel dertigers, dat me jaren geleden tegemoet trad op mijn levenspad – toen waren het nog twintigers – is me zeer genegen. We hebben een vriendschap opgebouwd die steunt op stevige fundamenten. Ze inspireren en stimuleren me, ze houden de oude zak die ik onderhand geworden ben bij de tijd. Van een generatiekloof is er geen sprake; onze beider doe- en denkpistes boeien elkaar.

Vorige herfst werd hun jongste dochtertje – een wolk van een kind – twee.
Een week voor haar verjaardag brak ik, gelukkig geheel figuurlijk, mijn hersenen over het cadeautje dat ik haar wilde schenken. Geen speelgoed; dat heeft ze alreeds met hopen. Bij voorkeur iets creatiefs, iets waar het kind in volle ontwikkelingsfase haar cognitieve en fijne motoriek mee kon stimuleren, iets waar ze creativiteit en bedrevenheid in kwijt kon en ook – cruciaal – iets dat volledig van mezelf kwam.
En zodoende maakte ik de knutselaar in me wakker en gebood hem terstond een busy board te vervaardigen.
Eens te meer een Engelstalige term waar niet meteen een Nederlandstalig alternatief voor bestaat, maar zulk een ding laat zich in onze moedertaal nog het beste omschrijven als een doe-bord. Die vlag dekt de lading weliswaar niet volledig, want behalve dingen doen met zo’n bord, worden tevens de creatieve vaardigheden en het vindingrijk denken ontwikkeld. Beter en juister is het zodoende om gewag te maken van een educatief basisvaardigheidsbord.

Je kunt een dergelijk kleinood vinden in speelgoedwinkels en op tal van verkoopsites. Aldaar kost zulks gemiddeld honderdvijftig (!) euro, een bedrag waarmee ik een tweejarige toch niet meteen wil begiftigen.

Wat je nodig hebt om een busy board in elkaar te flansen:

  • Twee planken;
  • Twee scharnieren om de planken aan elkaar te bevestigen;
  • Twee koordjes of kettinkjes om de beide aan elkaar gemonteerde planken open te kunnen laten staan;
  • Zoveel mogelijk kleinoden als daar zijn: veters, drukknopen, een fietsbel, zakjes en bakjes, dingen die scharnieren, veren of bewegen, velcro, poppetjes, schakelaars, etc.

Hoofdzaak hierbij is dat je je creativiteit volledig de vrije loop laat gaan. Ga dienaangaande vooral op speurtocht in de plaatselijke doe-het-zelfzaak dan wel online. En nee, het hoeven heus geen nieuwe spulletjes te zijn; ook op tweedehandssites valt heel wat fraais te ontdekken.

Ondertussen zijn we een paar maanden verder en is ’s vriendens dochter nog immer tuk op haar doe-bord. Ze heeft het zelfs al aangevuld met eigen ideeën. Haar vele speelgoed is ze gaandeweg wat uit het oog verloren, wat alleen maar pleit voor mijn initiatief. Nice!

[ Foto’s: © Menck ]

Lieven Debrabandere, beeldhouwer

.
Op het moment dat ik halt hield voor het idyllisch gelegen erf van Lieven Debrabandere, was het onmiskenbaar: hier woont een beeldhouwer, een steenhakker, een letterkapper, een artiest pur sang, quoi.

Grote blokken met algen- en mossluiers overtrokken graniet en wit marmer lagen aan de straatkant op elkaar gestapeld als waren ze er ooit neergepoot door Odysseus zelf.

Debrabandere kwam op Katrien en ik afgestapt, zijn mondmasker nonchalant over zijn kin gedrapeerd en maakte prompt een opmerking over de Canon EOS die op mijn borst hing. “Ik heb krek dezelfde, cadeau gekregen van mijn kinderen. Heerlijk ding.” Ik beaamde volmondig en we raakten aan de praat.

Onze babbel heeft zowat anderhalf uur geduurd. Hij vergat tijd en ruimte; zelden zo een begeesterde mens ontmoet. Hij leidde ons rond zonder iets op te dringen maar wel alles te bezingen met een bevlogenheid van heb ik u daar. Genóten heb ik.
Er volgde een fotosessie waarvoor ik zelfs zijn heiligdom mocht betreden; een eer die hij niet zomaar weglegt voor eender welke bezoeker. U treft een impressie onderaan dit log.

stenensplijtend,
stofverbijtend
met een hamer in je schoot

krissekrassend,
zelfverrassend
leg je alle nerven bloot

beeldenstormend,
beeldenvormend
met je groot miskend talent

marmerslijpend,
tangenknijpend
steeds meer vuur, polyvalent

(Herman Grouwels, 2011)

Lieven Debrabandere is in 1945 geboren in Vichte, een deelgemeente van het West-Vlaamse Anzegem. Op zijn 27ste huwde hij en settelde zich in Gistel.

Hij werkt met verschillende materies. Kalksteen, zowel het witte – bekend als Carrara – als het zwarte marmer en albast worden door hem onderhanden genomen. Zijn werk is zowel lyrisch als abstract.

Alles begint met de keuze van de steen.
“Het idee ontstaat niet op papier. Het komt tijdens het houwen zelf tot stand. Vreemd, maar steen heeft de juiste weerstand om zich mee te meten.”

Debrabandere maakt al jaren abstracte beelden die dan geëxposeerd worden in zijn tuin maar ook in talrijke exposities buiten Gistel. In 2020 werd hij verkozen tot cultureel ambassadeur van zijn woonplaats.


Ik vind de mens zowel als zijn werk alvast vree schoon!

[ Foto’s: © Menck W. ]

Wanderlust

.
Katrien en ik lijden beiden aan het Syndroom van Lockdown, in de volksmond ook wel eens coronagenoodzaakt wandelen genoemd.

Enkel op de zevende dag van de week geven we uiting aan onze wandellust, en dan bij voorkeur als de gesteldheid van de atmosfeer enigszins welwillend is.
Afgelopen zondag waren de weergoden ons gunstig gezind en trokken we, tot vrolijkheid stemmende marsliederen fluitend, op pad in de verblindend mooie groene gordel rond ons dorp. En aangezien de herbergiers en kasteleinen overal te lande de deuren nog op slot dienen te houden, nemen we tevens wat natjes en droogjes mee tijdens die tochten. De proviand bestond dit keer uit een thermos sterke netelthee, zes broodjes met verschillend caloriearm beleg, een bak van vierentwintig flesjes donker streekgebrouwen gerstenat, een pakje diepvriesfrieten, zes potten met diverse sauzen van het echtpaar Henri Devos en Maria-Elisabeth Lemmens alsook een handige draagbare friteuse. Dat alles – op de friteuse na, die Katrien op haar rug torste – kapten we in twee frigoboxen en weg waren wij.
O ja, ik mag de tros met zes bananen van Chiquitita niet vergeten te vermelden, kwestie van de volledigheid mijner relaas niet te ondermijnen.

Wij wonen in wat Het Houtland wordt genoemd. Die naam draagt veel historiek in zich. Onze regio telt talrijke bossen, doch oorspronkelijk, toen Godfried van Bouillon nog in zijn Pampers Baby Dry scheet, was er sprake van slechts één gigantisch groot bos. Veel later, toen de beschaving haar intrede deed, werd door dat woud een brede straat getrokken en zo bekwam men ineens twee bossen. Zulks werd meerdere malen herhaald zodat Het Houtland thans zevenhonderdeenenveertig bossen van elk een twaalftal bomen rijk is. De vooruitgang, net wat u zegt.

In die bossen worden ook nog eens bomen gekapt, zelfs in die mate dat de groene gordel rond onze regio heden vooral uit weilandpercelen bestaat waarop paarden, koeien, schapen en soortgelijke runderbeesten grazen, waar her en der een herenboerderij is neergepoot en dieselgestookte tractoren opgehoogde voren trekken met daarin duizenden pootaardappelen. Die voren lopen nu eens naar links, dan weer eens naar rechts, en zelfs het volgen van de hoogtelijnen wordt niet vergeten. Diversiteit heet zulks, geloof ik, maar er staat zelden ‘bio’ voor.
‘Hoogtelijnen?’ hoor ik u denken.
Yep, we leven in een regio die zich kenmerkt door glooiingen en heuvels allerhande. Als wij op stap gaan, dan is dat effectief door berg en dal. Zulks zorgt er geheid voor dat schrijver dezes, met alreeds vierenvijftig hete zomers op de teller – en ongeveer evenzoveel uren sport per jaar op zijn palmares – geregeld eens met zijn tong tot op zijn tenen aan het rondbanjeren is. De helft van mijn bed is daarentegen fitter en niet zelden loopt ze dientengevolge tal van meters voor me uit.
Om dergelijke inspanning enigszins te counteren, stop ik geregeld om een foto te nemen van al het schoons dat de omringende natuur ons te bieden heeft. Het is een moment van verademing en bewondering tegelijk, wijl Katrien zich almaar meer van me losscheurt.
Toen de wandeling haar eindpunt naderde, was die kwieke madam van me reeds lang aan de horizon verdwenen. Pas op het moment dat ik afgepeigerd onze woning betrad, vond ik haar terug. Op de bank, alree netjes gedoucht en in pyjama gehesen, en zelfs al tweeënveertig pagina’s ver geraakt in het boek dat ze na onze trip ter hand had genomen: ‘Voetreis uit medeleven’ van ene Rachel Joyce.

Enfin, wat foto’s nog:

[ Foto’s: Menck | zondag 11 april 2021 | foto’s aanklikbaar voor groter formaat ]

SATUR9’s Photo Challenge 11: BRIEVENBUS

.

Toen Katrien en ik vierentwintig jaar geleden besloten om onze huidige woning aan een grondige inspectie te onderwerpen teneinde met volle zekerheid de notariële akte te verlijden, was het allereerste dat in het oog sprong de brievenbus. Het bleek je reinste gedrocht, en dat is nog zeer zacht uitgedrukt. Gelukkig betrof het een losstaand exemplaar; een snelle eliminatie zou geen probleem vormen.
Ik weet nog dat we prompt elkaars ogen zochten toen we er voor het eerst mee werden geconfronteerd. Daarin stond ongeloof en verbijstering te lezen. Dat iemand zoveel wansmaak in een ontwerp had weten te leggen, konden we nauwelijks vatten, net zomin als dat de vorige huiseigenaar deze complete aanfluiting van verantwoorde esthetica daadwerkelijk had aangeschaft. ‘ASAP weg ermee!’ was dientengevolge onze resolute conclusie.

Vierentwintig jaar later staat de brievenbus er nog. Of beter: stond. Want onlangs is het ondenkbare gebeurd: iemand heeft ze opgehaald.
Nu, dat had wat voeten in de aarde. Ik had de bewuste brievenbus al enkele keren op de zoekertjessite 2dehands.be gezwierd onder de rubriek ‘Gratis’. Een tweetal foto’s erbij en klaar was Kees.
U raadt het al: elke vorm van respons bleef uit. En dus bleef de brievenbus staan. Want hey, veel zin om dit honderdvijftig kilogram zware betonnen gedrocht naar het containerpark te versjouwen, had ik niet. Zulks zou me ook nog eens een aardige duit kosten.

“Probeer het eens op een andere manier”, opperde madam Menck.
“Dynamiteren?”, riposteerde ik.
“Soort van. Haal de brievenbus volledig neer. Maak ze belachelijk op een humoristische manier. Wedden dat zoiets effect sorteert?”
Hm, dacht ik. Daar zit verdorie iets in.
En zo ontsproot volgend zoekertje aan mijn malle fantasie:

De gevolgen bleven niet uit. Al lagen ze niet meteen binnen mijn verwachtingspatroon:




Tja.
Edoch, beste lezer, het zoekertje sorteerde uiteindelijk tóch het gewenste vervolg: er doken zowaar acht geïnteresseerden op!


.
Om een lang verhaal kort te maken: de brievenbus is weg! Nog diezelfde dag werd ze vervangen door een sober maar stijlvol nieuw specimen, apart krantenluik incluis. Ein-de-lijk.
U ziet: wie geluk wil oogsten, moet humor zaaien. Want zoals Arthur Clarke ooit liet optekenen: de beste manier om een probleem op te lossen, is de humor ervan te ontdekken.

Waarvan akte.

Het nieuwbakken exemplaar