Categorie: It’s my life

De schone en het beest

Op dat moment wist ik hoe het voelde om in het hart van baarlijke schoonheid te kijken. Wat me het eerst was opgevallen, waren de fascinerende kleuren.

Ze illumineerden de grauwheid van deze kille herfstdag al vanop grote afstand. Toen er ons nog amper een meter scheidde, hield ik halt en liet ik mijn ogen gretig doch eerbiedig glijden over de heldere oranje welvingen die waren afgebiesd met een okergele, rafelige kraag. Elke ondulerende schaal was meandrisch getooid met welhaast evenwijdig aan elkaar lopende baksteenrode banden. Ze brachten, gedetailleerd en afgetekend, een rustgevende symmetrie in de verder compleet organische vorm.

En dan die opbouw. Alsof iemand minutieus een indrukwekkende 3D-puzzel had geconstrueerd uit vlezige schelpen die elk groter waren dan de handpalm van een kolossale zeebonk. Het geheel was een machtig meesterstuk dat moeder natuur pardoes exposeerde voor menig gefascineerde passant.

Deze schitterende, massieve en ongeschonden zwavelzwam was voor Katrien en ik het dessertje van onze dag. Een select kransje hoogopgeleide dames en heren noemen hem habitueel ook wel eens Laetiporus sulphureus. Hij komt vooral voor op dode eiken, wat ook hier het geval was.

Over de plas wordt deze zwam Chicken of the woods genoemd, want de textuur en de smaak doen erg aan kip denken. Eetbaar dus, al dien ik hierbij een belangrijke voetnoot te plaatsen: er zijn mensen die een allergie voor de paddenstoel ontwikkelen doordat vooral de jonge exemplaren bepaalde alkaloïden bevatten.

Tot slot nog even meegeven dat het wegnemen van deze schoonheden uit de vrije natuur in ons land een strafbare handeling is:

Wilde paddenstoelen opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen is verboden onder het decreet natuurbehoud.
Op overtredingen staan volgens de letter van het Bosdecreet boetes van 100 tot 50.000 (!) euro, aldus het Agentschap Natuur en Bos.

’s Anderendaags bleek jammer genoeg dat niet iedereen daarvan op de hoogte is, getuige deze intrieste foto’s die ik nam:

Hier werd onmiskenbaar een mes of een ander scherp voorwerp gebruikt om de zwavelzwam in zijn totaliteit van de dode eik te scheiden. Toen ik deze geheel zinloze en ronduit vandalistische daad opmerkte, kreeg ik het warm en koud tegelijk. Want echt: waaróm toch?

Moge de lafhartige barbaar die deze kille daad op zijn geweten heeft, dan ook tergend traag stikken in een excessief pezig stuk Laetiporus sulphureus. Geen genade voor een dergelijke onverlaat, wat ik u brom.

[ Foto’s: © Menck ]

Faits divers | deel 1

Ze kroelde het schier aride loof van de smalle dreven en viel later in volle schittering neer op de vloedlijn en het verlaten zandkasteel, wijl ze levend goud op onze kruinen liet beven; een goddelijk waas uit zijde en licht geweven: nooit voorheen ervoer ik zulk een magisch tafereel.

Aanschouwde u dinsdagavond ook die werkelijk glorieuze zonsondergang?
Het moet zowat half acht zijn geweest toen de koperen ploert ineens groot en oranjerood de einder kuste. Diens boodschap was onmiskenbaar: geniet nog een laatste maal ten volle van mijn zomerse gloed, gij allen, want ge zult er een tijd van verstoken blijven.
Op dat betoverende moment bevonden mijn madam en ik ons vlakbij een vrij grote plas water die gemeenzaam ook wel eens Noordzee wordt genoemd. Ik diepte mijn camera uit de schoudertas op en legde zoveel welhaast onaardse schoonheid meermaals vast.

Vanmorgen regende het, voor het eerst sinds lang, oude wijven. We wennen er maar beter aan als ik het KMI mag geloven.

* * *

Maar ik wil niet zo’n afzichtelijk groot toestel in de woonkamer”, zeurde Katrien wijl ze op mijn pc-scherm een foto aanwees van een doordeweekse hometrainer. “Geen computers en andere overtollige toeters en bellen, maar een minder log ding, liefst ook een beetje esthetisch verantwoord, dat me op een franjeloze manier de nodige training garandeert.”
“Het moet dus bij ons interieur passen?”, meesmuilde ik. “Daar ga ik niet eens naar op zoek om de eenvoudige reden dat zoiets niet bestaat, lieve schat.”
Mijn madam stond verontwaardigd op, trok haar smartphone uit haar achterzak en stapte mijn bureau uit.

Vier dagen later werd het geleverd.
Het was verbazend klein, erg fraai vormgegeven en woog op de kop af 120 kilo. Nog een geluk dat het niet log was.

Daar zal ze niet lang plezier aan beleven”, gaf een mijner klanten, die tevens sportleraar is, me mee. Hij heeft zijn eigen gymzaal vol logge toestellen.
“Dat kleinood is vooral mooi maar hoegenaamd niet praktisch. Je kunt je benen op geen enkel ogenblik voluit strekken met kniepijn als uiteindelijk resultaat. Het ontbreken van een stuur houdt een marteling voor de rug in, met alle kwalijke gevolgen van dien. Zeg maar tegen je vrouw dat haar gekoesterde machientje haar zuur zal opbreken.”

Het fitnessapparaat staat ondertussen te koop op 2dehands.be. We lieten de prijs al zakken tot 35 euro, doch geen vermaledijde kat die reageert.
Wijl ik dit aan het scherm toevertrouw, ligt mijn madam voor de vijfde van twaalf beurten op de behandeltafel van Kinesitherapie Kraakmans alwaar ik haar om kwart voor acht dien op te pikken.

* * *

En u?

.
[ Foto’s: © Menck | aanklikbaar voor groter ]

Opium voor de dromer: oudewijvenzomer

Er kwam ons een koppel veertigers tegemoet met in hun kielzog twee kinderen. Meneer en mevrouw droegen een wegwerpmondmasker en wisselden geen woord met elkaar. De kinderen toeterden de lucht vol wijl ze wild gesticuleerden.

Toen we elkaar wilden kruisen op het smalle zandpad, stapten zowel de man als de vrouw ostentatief twee meter opzij, de rijkelijk met netels begroeide beemd in. Ze schonken ons, niet-mondmaskerdragers, een giftige blik.
“Geen verplichting hoor”, maakte ik hen glimlachend diets. “Open lucht en zo.”
De man mompelde iets in zijn masker waardoor het een stond opbolde. Aan zijn ogen te zien was het alvast geen instemmende formulering. De vrouw zweeg, doch als haar starre kijkers kogels waren geweest, dan hadden ze ons, notoire virusverspreiders, ter plekke neergebliksemd.
Twee tellen later was het passeermanoeuvre wijlen. Achter ons hoorden we de man ineens zwaar rochelend hoesten. We keken elkaar aan en barstten terstond in lachen uit.

* * *

Over de weidse, rimpelende plas slingert zich een langgerekt hardhouten knuppelpad. De reeds lager staande zon strooide een sliert fel fonkelende parels op het wateroppervlak. Ik ging door de knieën en legde dit magische tafereeltje op de gevoelige plaat vast.
Wat verderop zagen we hoe een blauwe reiger met een welgemikte uithaal een vis aan zijn magistrale snavel spietste. De statige steltloper sloeg vervolgens met een gedecideerde beweging zijn nek achterover en stuurde alzo zijn wild spartelende prooi maagwaarts.
Op het moment dat ik mijn camera op de geduchte visrover richtte, steeg hij klapwiekend op, zweefde een wijl laag over de lagune en streek wat verderop neer tussen twee kloeke bundels lisdodden.
Een mislukte foto, een indrukwekkende waarneming.

* * *

Dit oorspronkelijke bufferbekken werd door de stadsgroendienst met vakkundig beleid omgetoverd tot een gevarieerd reservaat met een rijke fauna en flora. Het nuttige werd er op onnavolgbare wijze aan het aangename gekoppeld.
Op het moment dat Katrien en ik even halthielden om de laatste kleuren van de massale water- en oeverbegroeiing, badend in het mordoré licht van de ondergaande nazomerzon, ten volle tot ons te nemen, voelde ik hoe een gelukzalige gloed mijn hart vulde. Dat de natuur me nog immer, vaak tot tranen toe, kan beroeren, beschouw ik als mijn allergrootste fortuin. De helft mijner sponde even daargelaten, vaneigens.

En u?

In de kiem ontloken

Weet u wat er groeide in mijn allereerste tuin?
Een hosta, een geitenbaard (Aruncus dioicus) en twee overmaatse zonnebloemen.

Ik was als een kind zo blij. Meer zelfs: ik wás nog een kind. Zes prille lentes en al een eigen tuintje, met dank aan papa – en diens grote spade – die een vierkante meter gazon voor me had opgeofferd.
De zonnebloempitten werden, mits wat herderlijke aanwijzingen, eigenhandig in de rulle aarde gepropt, de twee overige planten had ik gevonden op een groot braakliggend stuk grond in de straat. Papa was eventjes boos geweest omdat ik die flora nietsontziend had gerooid, want de natuur moest ik respectvol bejegenen. Daarna heeft hij ze toch maar ter aarde besteld voor me. Ik kreeg een gietertje in mijn handen geduwd met de boodschap elke dag flink water te geven “tot ze aanslaan”. Geen idee wat hij bedoelde, maar in mijn ogen stond baarlijke fascinatie te lezen.

Na drieënvijftig jaren in dit leven,
maak ik het testament op van mijn jeugd.

Want daar, die lentedag, op dat eigenste vader-zoonmoment, is mijn liefde voor tuinieren gekiemd. Dat uit twee onooglijke zaadjes zo’n kolossale bloemen konden proveniëren, was je reinste openbaring voor me. Ik zag ze bovendien elke dag met rasse schreden de hoogte inschieten. Het vervulde me met ontzag, adoratie en trots.
De geitenbaard kreeg onstuimige crèmewitte pluimen, iets wat ik nimmer had verwacht. En zelfs de geelgerande hosta tooide zich ’s zomers met kelkbloemetjes op hoge, wiegende stengels.

Ik heb dit relaas onlangs aan mijn vader gedebiteerd. Hij herinnerde het zich nauwelijks nog, maar de bewijzen zijn daarentegen onomstotelijk: anno 2020 geven de geitenbaard en de hosta nog steeds het beste van zichzelf in de ouderlijke tuin.
De zonnebloemen hebben het bewuste jaar 1973 niet overleefd, doch mijn liefde voor die giganten is gebleven.

Vandaag speelt dit floristische trio nog immer een hoofdrol in onze tuin. Hosta’s houd ik al vierentwintig jaar als terrasplanten in pot en verschillende aruncussoorten ontfermen zich over wat schaduwhoekjes. Alleen de zonnebloemen hebben aan formaat ingeboet; ik beperk me heden tot de kleinere Helianthussoorten, met de ‘Atrorubens‘ als onomwonden favoriet.


↑ Aruncus dioicus | Geitenbaard


↑ Hosta’s | hartlelies

[ Foto’s: © Menck ]

 

Kolder of op zolder?

Herinnert u zich nog het amusante vragenvuur dat een poos geleden door de blogosfeer waarde? Het heette ‘The randomness of being’.
Laat ik even terugkomen op vraag 14 van die tag, die ik toen alzo invulde:

14 | Als je iets kon veranderen aan je huis – ook al is het niet handig of mogelijk – wat zou het dan zijn?

De plannen voor een hobbykamer op zolder zijn al getekend. Nu de uitvoering nog. De klusser in mij wordt reeds uitzinnig bij de gedachte alleen al.
Het wordt een ruimte waar mijn madam ongestoord haar geliefde hobby – pottenbakken – zal kunnen uitoefenen. Daar mag ze naar hartenlust het toerental van haar draaischijf opvoeren, morsen met klei en spatten met glazuur.

Ik mag dan al een enthousiaste doe-het-zelver zijn, erg hoog durf ik de lat zelden te leggen. Sterk in het iets ruwere werk, zeg maar, en bij voorkeur in robuuste composities voor buiten.
Nu lijkt het wel alsof ik vaak de Franse slag hanteer, doch niets is minder waar. Er schuilt wel degelijk een perfectionist in me die streeft naar een zo degelijk mogelijk afgewerkt product dat ook nog eens gezien mag worden. Mijn grote lacune is echter gepast werkgerief. Voor elke taak het best geschikte – vaak peperdure – materiaal aanschaffen, niet zelden voor een eenmalige klus: mij niet gezien. Ik vul die leemte bij voorkeur op met creatief denken en de zogenoemde truken van de foor.

Edoch, een volledige kamer construeren op onze zolder is een emplooi van een gans ander kaliber. Want wat ken ik nou van valse muren, verlaagde plafonds, een verhoogde vloer en elektriciteit? Er was, kortom, enige zelfstudie nodig alvorens ik me in de handen mocht spuwen.
Nooit gedacht dat het www me op zo goed als alle vragen die in mijn hoofd rondspookten een pasklaar antwoord zou kunnen bieden. Vooral YouTube was in dezen een machtige informatiebron met zijn glasheldere instructievideo’s.
Bovendien had ik me voorgenomen om een rode draad te trekken doorheen deze allerminst lucratieve schnabbel: “Alles zo goedkoop mogelijk zonder aan soliditeit in te boeten.

Wat denkt u, beste lezer: wist ik mijn belofte aan Katrien – al dan niet eigenhandig – te vervullen? Heb ik me voor een of meer puntjes moeten beroepen op derden/vaklui om me uit de miserie te verlossen? En vooral: kan mijn madam nu eigenlijk al morsen met klei en spatten met glazuur?

Bevredig uw nieuwsgierigheid door HIER te klikken, gij allen.

______________
N.v.d.r.: Ik verkeer nog steeds in de onmogelijkheid om te reageren op wordpress.com-blogs, m.u.v. mijn eigen stek. Afgaand op de mail die ik deze week mocht ontvangen, is WordPress “ermee bezig”.

PLOG: Corona non grata

Al de woorden die ik op deze stek wil loslaten, voelen ineens aan als quatsch en holle frasen in het licht van de ons omringende ellende.

Mijn niet zelden onzinnige schrijfsels steken maar schril af tegen de huidig heersende gesteldheid van bittere ernst, beroering, behoedzaamheid en tristesse. Dientengevolge laat ik mijn blog almaar vaker voor wat hij is.
Hoewel het niet altoos spreekt uit de inhoud van mijn toetsenvruchten, ben ik een behoorlijk beladen en kwetsbare mens die dezer dagen soms duchtig heen en weer wordt geslingerd tussen weerbarstigheid en deernis, beklemming en euforie alsmede morositeit en gelatenheid.

Als ik bijvoorbeeld nog maar dénk aan hoe mijn ouwe vadertje op heden in zijn eentje aanmoddert zonder de voor hem zo cruciale lijfelijke aanwezigheid van zijn geliefden, voel ik welhaast fysiek hoe zijn veerkracht stukje bij beetje afbrokkelt. Hij plengt naar eigen zeggen regelmatig een traan en is veel sneller geëmotioneerd dan voordien, een term waarmee hij doelt op het precoronabestaan. Hierdoor verlies ik van de weeromstuit alle goesting om online nog wat beuzelpraat te gaan verkopen. Ik hoop dat u mij deze humane reactie kunt vergeven. In ruil beloof ik u beterschap van zodra zich een waardige opflakkering van herstel annex versoepeling aandient.

Anderzijds wil ik evenmin toegeven aan de amorele nukken van die zogenoemde onzichtbare vijand. Dat doe ik door me zo veerkrachtig mogelijk op te stellen terwijl de dag zich ontrolt. Er zijn zelfs momenten dat ik mezelf betrap op fluiten of neuriën tijdens beroeps- dan wel hobbymatige klussen. Dat zijn de momenten waarop ik er, niet zelden onbewust, in slaag mijn nare geestesarbeid te verdrijven door blijmoedige gedachten. Die momenten koester ik als waren ze hemelse nectar. Nectar die ik wil hamsteren zoals dwazeriken wc-papier.

Neemt u deze week voor een keertje genoegen met een woordarm plogje?
Het is een fotogewijze opsomming geworden van datgene waarmee ik me de laatste weken zoal onledig hield teneinde mijn obscuriteit de kop in te drukken. Komt wel goed.

.
A | BINNEN


↑  Het bureel werd heringericht en opnieuw geverfd in een frisse teint. De rekken rechts, die een deel van mijn uilenverzameling herbergen, vervaardigde ik uit langwerpige houten kisten waar grote filmrollen voor de grafische sector in getransporteerd werden. Het lange werkblad waar de monitor op staat, is een eigen creatie.


↑  De hal werd gerenoveerd. Het langste stuk van deze T-vormige ruimte is tien meter lang. Muren, plafonds en (10!) deuren veranderden van beige naar sneeuwwit.
Op bovenstaande foto werd de primerlaag aangebracht. What a difference some paint makes!


↑  Madam Menck in diepe concentratie. We brachten elk een complete eindlaag aan, zowel wat muur- als lakverf betreft.

↓  Hieronder treft u enkele foto’s van het eindresultaat:

.
B | BUITEN


↑  Katrien voert een verbeten strijd tegen de klimop op de pannen terwijl ik het opruimen en hakselen voor mijn rekening neem.


↑  Het voorlopige resultaat: een huis met een dikke, groene kuif. Die wordt volgende week geëlimineerd.


↑  Ik bestelde en plantte een boom: een hoogstam sierpeer ofte Pyrus calleryana “Chanticleer”. Draagt prachtige voorjaarsbloesems en ondergaat een mooie gouden herfstverkleuring.


↑ ↓  Aan de achterdeur komt een paadje in blauwsteen. Het vorige oudmodische exemplaar ging ik met de drilboor te lijf.
De buxussen op de onderstaande foto hebben te lijden onder de droogte.

↓  En verder is het natuurlijk heerlijk toeven in de tuin. Thank God for our garden in deze coronatijden, zeg.

[ Foto’s: © Menck | aanklikbaar voor groter ]

Gemondkapt aanmodderen

De lockdown waarin we welhaast mondiaal verzeild zijn geraakt, maakt dat ik – net als ongetwijfeld velen onder u – zo stilaan toch wat zwaar op de hand aan het worden ben. Gelukkig zijn de strohalmen waaraan ik me optrek nog steeds sterk genoeg.

Als zelfstandig hovenier kan ik dan wel reglementair aan de slag blijven, doch ook in mijn vak loert het vermaledijde virus om elke hoek. Zo draag ik tijdens het arbeiden voortaan een mondmasker om de excessieve speekseloverdracht mijner overwegend bejaarde klandizie, die in meer gevallen dan ik bevroedde nog nooit van social distancing heeft gehoord, te weren.
Dat zulk een beschermende lor wat mij betreft niet bepaald een zegen is, valt te wijten aan mijn ongerijmde gewoonte om om de haverklap mijn lippen te bevochtigen met mijn tong. Het gevolg hiervan is dat het aanvoelt alsof ik mond en neus afscherm met een iets te intens gebruikte en pas afkoelende beflap. Met de uitzonderlijk zomerse temperaturen van de afgelopen week, leek het daarenboven alsof ik gedurig aan het vapen was, terwijl het gewoon mijn eigen mondvocht betrof dat via die vunzige vod verdampte. Moge de huidige koelere week daar please verandering in brengen.

Bovenstaande paragraaf kan de indruk wekken dat ik thans weder geheel de slaaf van een overvolle agenda ben geworden, doch niets is minder waar. Er zijn namelijk nog aardig wat klanten die de aanwezigheid hunner vertrouwde hovenier dezer dagen (lees: weken) niet op prijs stellen wegens latent besmettingsgevaar. Als zij in hun kot moeten blijven, dan ik ook maar.

En dus rest er mij meer vrije tijd dan me lief is. Tijd om aan het thuisfront zowel binnen als buiten diverse klussen uit te voeren die ik anders toch maar voor me uit zou hebben geschoven.
Verven, om er maar eens eentje te noemen. Ik beheers die nobele ambacht behoorlijk, doch executeer hem node. En aangezien de eindeloos lijkende quarantaine madam Menck en ik de gelegenheid biedt wat karweien van grotere omvang aan te gaan, verfden we meteen maar de hal en alle tien deuren die er op uitkomen. Wij betrekken een bungalow, ziet u. Daarin is een lange gang met veel deuren welhaast een conditio sine qua non.
Het eindresultaat van ons kwastenspel stemt zowel Katrien als ik uiterst tevreden. Wat voorheen een massieve expositie van vage zandkleuren was, is heden verworden tot een maagdelijk witte entree. Een langgerekte witte gang met plenty witte deuren: het is toch nog eventjes wennen. Als we onze woning binnenstappen, voelt het nog steeds alsof we een ziekenhuis betreden. Straks toch maar proberen om alvast díe knop om te draaien.

Á propos, wit: die kleur heerst niet alleen binnenshuis. Ook in de tuin, waarin ik steeds meer mijn heil zoek, is er momenteel een ware sneeuwexplosie aan de gang, slechts sporadisch onderbroken door een vonkje rood. En daar heb ik foto’s van. In dit annus horribillis zijn het shots die oplichten als fel fonkelende sterren in een verder compleet duistere nacht.

De bewijzen van onze verflust schotel ik u in de loop der lockdown geheid ook nog voor. Ik heb dus nog wel even de tijd, zeg maar.

.


Ondertussen net uitgebloeid: krentenboom (Amelanchier lamarckii).

Nog volop hun pracht tentoonspreidend (sierappel- en -kerselaars):

[ Foto’s: © Menck | aanklikbaar voor groter ]

Huizenjagers: speciale editie

Na afgelopen zondag – wat een overheerlijk weertje! – een paar baantjes te hebben getrokken in ons verwarmd olympisch zwembad, twee stukken vanuit Zambia geïmporteerde nijlpaardfilet aan de barbecue te hebben toevertrouwd, een halfuurtje in de op zolder geïnstalleerde cederhouten infraroodsauna te hebben vertoefd en ter verkoeling daarvan een helikoptervluchtje boven Oostende te hebben geëxecuteerd – wegens te lui om de luchtballon uit de paardentrailer te halen en die te verhitten voor een relaxerende wolkenvaart teneinde mijn chakra’s in de juiste banen te dirigeren – begon ik me toch ietwat te vervelen. Alledaagse dingen staan nu eenmaal snel tegen en aldus zocht ik later die dag mijn heil in wat creatief zaag- en timmerwerk ter algehele verstrooiing mijner kleurloze burgerbestaan.

Op een houten plank, die ik nog overhad na de bouw van onze indoorjacuzzi, tekende ik minutieus een handvol patronen uit. Vervolgens zette ik mijn wipzaag aan het werk, waarmede ik, voor alle duidelijkheid, niet de helft van mijn trouwboek bedoel. Al snel verkreeg ik alzo de benodigde houten vormpjes die in een logische volgorde aan elkaar werden getimmerd tot ik onderstaand tot volle tevredenheid stemmend resultaat verkreeg:

Het gaatje op mezenmaat – diameter drie centimeter – realiseerde ik met een klokboortje, waarna ik de kleine vogelvilla tevens van een landingsstokje uit sierpruimenhout voorzag. Ter afronding van het exterieur koos ik voor een restje oude rubberfolie als dakbedekking, hetwelk ik met nietjes fixeerde.

Noblesse oblige, en dus werden, alvorens te monteren, de binnenwanden van de vogelvilla bekleed met gestoffeerd Italiaans nappaleer. Tevens werd er een met dons gedrapeerd leg- en broedhoekje geconstrueerd ter grootte van maximaal acht eieren. Van dit uiterst elementaire onderdeel werden de zijkantjes afgewerkt met hoogwaardige Chinese zijde voorzien van een vrolijk voorjaarsbladmotiefje.
Het plafond van mijn vogelhuisje leukte ik op met een zonlichtimiterend ledlampje met fluittoonbediening, en ter finale completering voorzag ik de bodem van een op maat gemaakt stukje mosgroen Nepalees tapijt. Handgeweven, dat spreek voor zich.

Helaas vergat ik foto’s te nemen van de binnenkant. Mijn spijt is groot, want nu hangt het kleinood alreeds in de eik, de opening netjes naar het oosten gericht zoals menig vogelkenner immer voorschrijft.

Er is zodoende een nieuwe villa vacant in onze tuin. Benieuwd welk mezenkoppel deze speciale, gevleugelde aflevering van Huizenjagers wint.
Ik hou u, deemoedig en gedienstig zoals u mij kent, uiteraard op de hoogte van het verloop hiervan.

.

[ Foto’s: © Menck ]

Voor zij die ‘Huizenjagers’ niet kennen: KLIK!

Quarantaine sans gêne

Katrien drukt met een kleine keramiekspatel plakjes papierklei op een stevig opgeblazen ballon. De dunne partjes overlappen elkaar en vormen al snel een kom die zich strak om de latex luchtbol sluit. Daarna werkt ze het minutieus vormgegeven geheel af met een rudimentair aangebracht reliëfje.

Eenmaal de klei voldoende droog is geworden, zal ze de ballon laten knappen. Wat overblijft, is een holle creatie die zich, eens gebakken en geglazuurd, dienstig zal maken als eigengereide theelichthouder.
Het is telkens weer pure passie die mijn madam bekruipt als ze met klei bezig is, ook al doodt ze er thans vooral een ledig stuk coronatijd mee.

Gelukkig laat de zon zich dezer dagen overwegend van haar beste kant zien. Dan duiken we beiden welgemutst de tuin in.
In vergelijking met de vorige jaren staan we ver voor op schema. Er werd alreeds gesnoeid, geschoren en gewied, gekuist, geschikt en geplant. En er wordt bovenal genoten. De bloesems spatten als feeëriek voorjaarsvuurwerk van de sierfruitbomen, op tal van plaatsen wordt de klamme bodem gekliefd door bevlogen opduikend lentegroen wijl talloze baltsende mannetjesmezen, -mussen en -merels bronstige wijfjes onder hun aandacht trachten te kwinkeleren.

De lucht is, kortom, zwanger van een onstuitbare, grenzeloze geestdrift. Wij laten ons met veel graagte op sleeptouw nemen door deze dolle draaikolk van hartstocht, ook al gaat dit fraaie seizoen dan latent gebukt onder een abstracte volksvijand.
Zo ben ik het aloude houten tuinmeubilair te lijf gegaan met de hogedrukreiniger. Een dergelijke ingreep is absoluut not done, werd me ooit ingefluisterd door een gedreven houtbewerker. Hij zwoer bij hoog en bij laag dat de kern van het hout hierdoor beschadigd raakt. Dat zal best, doch ik heb gedurig nauwgezet gespritst met een aanvaardbare pressie. Immer handig, zo’n regelbare drukspuit.
Ons welhaast een kwarteeuw door weer en wind geteisterd – en nooit voorheen gereinigd – tuinameublement werd alzo getrakteerd op een verjongingskuur van heb ik u daar.

Heden oogt het terras weer ganselijk seduisant, doch gasten, alsook potplanten, blijven noodgedwongen nog wat uit. Ons leven ten volle kleuren, zal pas kunnen nadat de Boze Chinese Blafhoest met de noorderzon is vertrokken.
Mijn plannen voor een glorieus herenigingsfeest zijn nochtans zo goed als in kannen en kruiken. Familie en vrienden terug in de armen mogen sluiten, staat momenteel helemaal bovenaan mijn bucketlist.
Het wordt geheid een Garden Party die zijn weerga niet zal kennen. De barbecue zal worden verhit tot het vlees krijst om genade, de dranken zullen koel, fel en menigvuldig zijn en er zal gedanst en gelachen worden tot de nacht de ochtend wakker kust.

Hoeveel nachtjes slapen is dat nog?
En vooral: hoeveel keer de handen wassen?

.

[ Foto’s: © Menck ]

Caelum et terras miscere (*)

Niet zo lang geleden, toen Corona nog slechts de gemoederen beroerde van de Anonieme Alcoholisten, berichtte ik u over mijn houten terras en hoe rot het geworden was.

Dat relaas zette ik online voor ik besloot om een grote blogvakantie te nemen. Uw geheugen opfrissen kan overigens hier en hier.

Op het moment dat ik de oude fundering finaal verwijderde, vielen de mussen in groten getale dood van het dak door de premature hitte. April 2019 was de vroege aanzet van wat een van de heetste en droogste zomers sinds de eerste waarneming halfweg de jaren 1880 zou worden. Ik herinner me dat er dagen waren waarop ik tot vier flessen van anderhalve liter water met extreme begerigheid tot mij nam. Dat zijn hoeveelheden waar zelfs een middelgrote pony jaloers van wordt.

Terwijl de nietsontziende koperen ploert ongenadig mijn verzengde lijf teisterde, sleurde ik vierentwintig treinbielzen uit zes ton blauwe grind. Die tweeënhalve meter lange en loodzware liggers ging ik met de kettingzaag te lijf; ik deelde ze op in lengtes van een halve meter, een noodzaak om ze te kunnen behappen. Onverhoopt kon ik al die stukken in één (overbe)lading kwijt in het containerpark, zelfs al was dat niet geheel conform de aldaar gangbare reglementering. Lees: ik werd danig berispt doch mocht mijn vracht na de nodige discussies toch lossen.

De zesduizend kilo grind, zoals je dat heden nog steeds tussen de spoorbielzen vindt, kruide ik in een huurcontainer. Daar deed ik, rekening houdend met de geselende weersomstandigheden, menig uurtje over. Die avond dacht ik dat mijn benen waren gekrompen, doch het waren mijn armen die waren uitgerekt.

In een derde fase diepte ik spadegewijs de kurkdroge en navenant harde bodem uit tot op zowat vijfentwintig centimeter. Dat was nodig om een voldoende dikke laag gestabiliseerd zand in te voeren waarop dan de blauwsteen zou worden gelegd. Wórden gelegd, inderdaad, want die klus liet ik met veel graagte over aan een goed geoliede tandem vaklui. Ik had, zeg maar, ander katten te geselen.

En ziedaar, wat ruim twintig jaar lang drieëndertig vierkante meter houten plankier is geweest waarop allerhande mossoorten immer welig tierden, is thans verworden tot een strakke en onderhoudsarme tuinhoek. Doch ook nu geldt het credo van weleer: algehele verpozing galore.

Binnenkort – lees: begin mei – de kuipplanten uit de serre halen en samen met de tuinset terugplaatsen op onze gerevalueerde zonnestek en we kunnen, als zulks ons althans wordt gegund, nog vele decennia genieten als nooit tevoren.

Alvast een koel drankje, iemand?

(*) Hemel en aarde bewegen

[ Foto’s: © Menck ]