Categorie: It’s my life

Faits divers | deel 4

.
Sinds een maand of twee zijn we een telg rijker ten huize Menck. Een goed uitziende vreemdeling kwam hier ineens aanwaaien en is gebleven. Hij is bovenmatig welgemanierd, hogelijk verzorgd en criant zachtaardig, wat ik als een niet te onderschatten meevaller beschouw.
Een druk gedeelde rondvraag op sociale media leerde me dat niemand uit onze contreien hem kan thuisbrengen, letterlijk noch figuurlijk. Mogelijks wordt hij dientengevolge ook nergens gemist.
We kennen zijn naam evenmin als zijn leeftijd en zijn helaas niet in staat om met hem te communiceren. Maar hij is ten zeerste erkentelijk voor de cordiale opvang en de maaltijden die we hem dagelijks offreren én gunnen, genereus als we zijn.
De neiging bekruipt me om hem Remi te noemen wegens ‘alleen op de wereld’. Althans, toch tot voor kort. Ook de drie kleinsten mijner huisgenoten zijn er tuk op en hebben hem quasi onmiddellijk in hun midden geaccepteerd.
Geef maar grif toe dat deze jongen een attractieve verschijning is:

* * *

Eerder deze maand – die zowaar alweer twintig dagen oud is – werd de drie in mijn leeftijd schier geruisloos een vier. Bloemen noch kransen. Volgende maand valt Katrien overigens dezelfde eer te beurt.
Dat we oud worden, zeg ik u. Dat we het al zíjn, aldus vrienden van ons.
Lichtpuntje in zoveel duisternis: eergisteren werd ik, na een grondige check-up in het ziekenhuis, weer geheel en al ‘geschikt voor dienst’ verklaard na een wekenlange revalidatie. Anders gezegd: ik mag de handen opnieuw naar hartenlust uit de mouwen steken. Zulks viel overigens niet in dovemansoren, want prompt construeerde ik wat extra etalageruimte in het pottenbakkersatelier van vrouwlief. Dat kind heeft zowat constante uitbreidingsdrang en ik kan nimmer haar passionele smeekbedes weerstaan.

* * *

Na een virtuele winterslaap van welhaast drie weken, luidt dit eigenste schrijfsel mijn nieuwe blogjaar in, het vijftiende alweer. En ook al hangt boven 2021 voorlopig nog steeds dezelfde zwaarbeladen onweerswolk die in maart vorig jaar werd gevormd, toch stuurde het begin van het kersverse jaar ter algehele afwisseling ook eens een gans andere bui over ons heen: eentje vol sneeuwvlokjes.
Dat ze feeërieke plaatjes genereerde, wil ik u bijgevolg zeker niet onthouden. Op de valreep, zeg maar.

[ Foto’s: © Menck ]

Wil de laatste de deur dichtdoen?

Eerder deze week nam ik een enigszins verkleurde foto ter hand die het levenslicht zag in de donkere kamer van een lokale fotograaf toen de zeventiger jaren nog niet zo bijster lang de eighties hadden gebaard.

De matglanzende afdruk exposeert tafelende familieleden in de ouderlijke woonkamer op oudejaarsavond. Mijn moeder zag er ravissant en vooral nog heel levend uit. Mijn vader was de enige die niet aan tafel zat; hij was opgestaan teneinde de asbak te kunnen overhandigen aan een rooklustige disgenoot en was door de camera in die fase bevroren.
Van het gezelschap rookte toentertijd zowat iedereen; meer dan de helft actief, de rest passief. Heden is schier tachtig procent van de afgebeelde genodigden reeds zelf tot as verworden en is de overige twintig procent stokoud dan wel van middelbare leeftijd. Tot die laatste categorie reken ik, niet geheel onterecht, ook mezelf.
Op de foto spring ik een weinig uit de band met mijn menageuze aanzet tot een hanenkam. Hiermee trachtte ik me bovenal af te zetten tegen de verwelkte bloemenkinderen uit het hippiedom. Daartoe rekende ik, behalve mijn ouwelui, ook enkele andere individuen op deze prent. Het muziekgenre dat in mijn eigen kringen de boventoon voerde, was progrock die sterk naar punk neigde. Sociaal en cultureel tegenwicht bieden was ons motto. Van naïveteit had ik in die dagen alvast nog nooit gehoord en klein geluk was evenzeer een onontgonnen terrein.

De woonkamer was destijds getooid met een donkergroen behang dat bijzonder druk aandeed. De overdadig aanwezige dessins buitelden over elkaar heen middels hallucinante kronkelingen. Thans is het moeilijk te geloven dat ik zoveel wansmaak ettelijke jaren heb moeten aanschouwen.
Pas toen hij te nicotinekleurig werd bevonden, besloot mijn vader om de ganse woonkamer te laten updaten door een bevriende schilder-behanger. Vanaf dan was het meteen ook afgelopen met roken in huis.

De voor die tijd al stokoude houten radio op de schoorsteenmantel hoor ik in mijn verbeelding nog steeds amechtig klaroenen over de hoofden van eenieder aldaar aanwezig. Het kranige kleinood produceerde trouwens ternauwernood schelle tonen wegens dof klinkende middengolfmuzak.
De enige die ontbreekt in het gezelschap, is mijn zus. Ze was nochtans al geboren maar hield zich die avond ongetwijfeld onledig met het vullen haren luier in de kleinste der drie bedsteeën.

Wat niet op de afbeelding te zien is, doch absoluut rijkelijk aanwezig was, is de ongedwongen sfeer tussen de opeengehoopte feestvierders die luidop lachten, kommerloos knuffelden en klinkend kusten dat het een lieve lust was. De kleuren van het leven waren fel, de zorgen stevig opgeborgen. Boven de hoofden hing een blinkende kristallen luchter in plaats van Damocles’ zwaard.

Ik schoof de foto terzijde, trok een dubbele wenskaart uit haar cellofaanverpakking en hield mijn balpen in de aanslag. De woorden wilden niet meteen komen.
Hoe graag had ik de oude familiefoto in deze kaart gestopt met daarop – handgeschreven – een gelijkaardige tijd als in die dagen ambiërend. Toen geluk nog eenvoudig was, om maar eens een dooddoener te gebruiken.
Doch in mijn hoofd maakte ik een doorslagje van 2020, vouwde het achteloos in vieren en stuurde het naar eenieder met de kreet: ‘2021 wordt vertrouwd, laat ons daar maar een Corona op drinken.’

Nee.
Nee, nee, néé!
Aangezien ik volgend jaar elke vorm van zwartgalligheid uit mijn bestaan wens te bannen – ja, dit klinkt zowaar als mijn goede voornemen – wil ik er, zeg maar als opwarming, op gelijkaardige wijze dit roerige jaar mee afsluiten:
.

De langverwachte overgang vieren we dit jaar
met een ander soort alcohol weliswaar.
Er zijn wel bubbels, doch niet in champagne,
vieren mag buiten en daar kan je
honderduit klinken op een positieve start
zolang je die niet met een covidtest verwart.
Hierbij wensen Katrien en ik jullie allen

een jaar van opstaan en nooit meer vallen,
een toekomst vol knuffels en zonder handgel,
een virusvrij leven, hetgeen elkeen wil.
Voorspoed voor allen, geen mondmaskers meer,

geen handen ontsmetten, keer op keer,
doch een bestaan zoals ook wij ’t verkiezen,
waarbij je elkaar in ’t gezicht kan niezen,
en vervolgens oreert, gemeend en geheid:
Ik wens je hiermee een goede gezondheid!”

.
Tot in 2021, gij allen!

[ Foto: © Menck ]

Als een dief in de nacht

.
De hemel spreidde een intens flikkerende sterrendeken boven me uit en het was volslagen windstil.

Ik achtte de omstandigheden ideaal en trok de voordeur met mijn linkerhand behoedzaam achter me dicht wijl ik de stapel dichtgeplakte enveloppen stevig in mijn rechterhand geklemd hield. Het was tijd voor een jaarlijkse traditie: de buren begiftigen met sfeervolle, handgeschreven wenskaarten.
Mijn passen nam ik met de nodige omzichtigheid. ’s Nachts klinkt zelfs een voetstap luider dan de maaggrom van een uitgehongerde Texaanse Mississippialligator.
Onder het gelige schijnsel van een straatlantaarn zag ik op mijn hagelnieuwe polshorloge – made in China – dat het tien over middernacht was. Ineens voelde ik me je reinste rebel. Ik deed namelijk iets wat het daglicht niet verdragen kon: de opgelegde avondklok negeren. Wat als er nou ineens een politiecombi de straat kwam ingedraaid? Zouden die barse blauwjassen me manu militari zevenhonderdvijftig euro afhandig maken? Of zou ik er vanaf komen met een paternalistische berisping? Spannend!
Ik werd vaag gewaar hoe mijn spieren zich opspanden en mijn poriën zich verwijdden. Er ontwelden zowaar stroompjes zweet op mijn rug en op mijn voorhoofd parelden druppels die zonder de minste twijfel fonkelend oplichtten onder elke straatlamp die ik passeerde.
Ik vertraagde mijn pas en zette het welhaast op een sluipen. Als een dief in de nacht, zo voelde ik me. Even hield ik halt om mijn oren te spitsen. Er weerklonk gekraak achter een haag van Portugese laurier. Muizen? Ratten? Of toch een buur die de slaap niet kon vatten? Gesteld dat hij me zou opmerken, zou hij mij, tegendraadse regelbreker, dan verklikken? Ik had niet eens een mondmasker bij mocht het tot een confrontatie komen, zo schromelijk schond ik de wet.
Ik hield mijn adem in. Het gekraak hield op. Na een veel te lange poos ademde ik zwaar uit. Daar was het gekraak weer. Alsof iemand – iets? – op droge takjes stapte. En ineens, voor ik er erg in had, stoof er een dikke rosse kat vanonder de groenblijvende heg. Vlak voor ze via een voormalig aardappelveld de duisternis indook, siste ze offensief naar me. Het haar op mijn armen kwam instant recht en ik werd gewaar hoe een gezwollen zweetstraal ongenadig mijn bilspleet ingleed. Ik was zo gespannen als een veer, continu alert, en ik moest nog drie kaarten op de bus doen, wat stond voor nog minstens vijfenzeventig meter asfaltkruipen.
De volgende brievenbus was er eentje van de onwillige soort wegens een deels vastgeroeste klep. Ik zette wat kracht bij teneinde mijn lading aan de smalle gleuf toe te vertrouwen. Zulks resulteerde in een misselijkmakend hoog gepiep. Het vulde de nachtelijke straat met het volume van een kortstondig snerpend autoalarm. Getverdegetver! Het mocht een wonder heten als ik nu niemand had opgeschrikt.
Eens te meer staakte ik elke beweging en legde ik spoorslags mijn oor te luisteren, ondertussen nerveus doch nauwgezet alle huizen bespiedend. Nergens floepten lichten aan en er werden evenmin voordeuren opengegooid. Er ontsnapte me een langgerekte zucht van verlichting.
Nog twee brievenbussen te gaan.
En dan nog de hachelijke terugweg aanvatten.

Kerst in coronatijd: het is voorwaar geen lachertje, zeg ik u.

Door het bos de bomen niet meer zien

.
“Wat zou je doen moest je de grote jackpot van EuroMillions winnen?”

Er was ooit een tijd dat vrienden en familie nog bijeen mochten komen en dat die vraag, doorgaans na de nodige hoeveelheden geestrijk vocht, plots op tafel werd gegooid. Meestal ontwaarde je dan prompt fonkelende ogen, hoorde je verbaasde uitroepen à la “Goh, ikke?” en kraakte menige hersenpan onder zoveel inderhaast opborrelende fantasie.
Vrijwel altijd zette de een of andere zatte nonkel in met “Ik zou me eens goed uitleven in de hoerenbuurt!” waarna zijn echtgenote een bleekgroen glimlachje om haar lippen forceerde en wat rozig aanliep terwijl ze haar eega ondertussen zo stiekem mogelijk een elleboogstoot uitdeelde. De tafelgenoten lachten de lach der beleefdheid annex medeleven, waarop Nonkel Zwans ostentatief een gulle teug van zijn zoveelste trappist nam en de minderjarigen vriendelijk doch dringend werden geordonneerd om in de veranda te gaan spelen.
“Ik zou al het prijzengeld verdelen onder de armen”, opperde daarop een bijdehante neef die ternauwernood de pampers was ontgroeid. Waarop verbaasde blikken van het gezelschap volgden. Neef begon vroegtijdig te proesten, sprak vervolgens luidkeels “De ene helft onder de rechterarm en de andere helft onder de linkse!” en barstte tenslotte in een gehuichelde bulderlach uit, de rest van de tafel meesleurend in zoveel onstuimig enthousiasme.
De toon was gezet.
Tante Marie wilde een Porsche, haar man Edelbert een Ferrari. “En de rest van de pot is voor de benzine, de taksen en de carwash!” Wederom vulde de woonkamer zich met exorbitante lachklanken.
Chloé, de aangetrouwde Griekse vlam van tante Kristien en van oorsprong een bedeesde freule, verhief tot ieders verwondering haar stem onder invloed van drie rum-cola’s en twee gin-tonics en richtte zich zelfs rechtstaand tot de kring. “Ik zou voor Kristien en ik een eilandje kopen in de Stille Zuidzee en aldaar met haar excessief genieten van al het moois dat dit paradijselijk leven te bieden heeft.” Na haar korte doch vurige pleidooi ontsnapte haar een boer voor dewelke ze zich allerminst excuseerde.
“Power to the lesbo’s!”, bralde de zatte nonkel, waarna hij weer, dit keer geheel onverholen, een elleboogstoot in ontvangst mocht nemen van zijn ondertussen rood aangelopen wederhelft.

Weet u wat ík zou doen moest ik ineens multimiljonair worden?
Ik zou me zes à zeven hectare grond kopen, er vervolgens twintigduizend bomen op planten en me dan de meest comfortabele hangmat ooit aanschaffen. De ene dag zou ik ze tussen een rode beuk en een winterlinde hangen, de dag daarop tussen een bloeiende catalpa en een hemelhoge populier. Dag in dag uit vogelgezang boven mijn hoofd alsook wild buitelende eekhoorns die een kolonie bonte spechten uiteendrijft, hiermee een parlement bosuilen uit hun slaap houdend.
Uiteraard zou Katrien me, bij voorkeur ten zeerste seduisant en gewillig, tal van drankjes, tapas en de meest exquise sushi serveren in de beslotenheid van ons privéwoud. Geen inkijk, geen doorkomen aan, dat spreekt voor zich. Mochten mijn bomen kunnen spreken, ze zouden u vertellen over de schare aan ondeugendheden waaraan we ons zouden overgeven. En vanuit mijn exclusieve jungle zou ik bloggen en vloggen over onze uitspattingen waardoor mijn lezersaantal pijlsnel ongekende hoogtes zou scoren en ik menig volger stikjaloers zou achterlaten.
Later zou ik, dwars doorheen mijn bos, een straat laten plaveien, waardoor ik ineens twee bossen zou hebben. Op die manier zou ik druppelsgewijs gasten toelaten die zouden kunnen kiezen tussen Bos 1 of Bos 2, respectievelijk het excessieve dan wel het feeërieke foreest. In het laatste zou de onderschatte Brugse dichteres Delphine Lecompte haar buitenissige poëzie debiteren wijl Katrien en ik in Bos 1 genot zouden offreren met een grote G.

Lijkt u dat wel wat?
Droom dan vooral verder.
Onze boomrijke habitat zou een overmatig grote horde wilde everzwijnen lokken, alsook wolven en mogelijks zelfs de Europese lynx. En wat met die schattige grootogige reeën die aangereden zouden worden op de druk gefrequenteerde straat te midden van onze beide bossen?
Er zouden jagers op ons natuurgebied afkomen, evenals stropers en gewiekste vogelvangers.
De bezoekers zouden massa’s afval achterlaten: blikjes, peuken, papier, volle pampers en overmatig gebezigde mondmaskers.
Avontuurlijke 4×4-adepten zouden gewetenloos de afgebakende weg verlaten en zich dwars doorheen de dichte bosschage talloze crosswegen banen met hun dieseluitbrakende terreinwagens. Ze zouden kampvuren organiseren tijdens gortdroge zomerdagen, daarmede brand veroorzaken en zich vervolgens als dieven in de nacht uit de voeten maken.
Katrien en ik zouden uiteindelijk machteloos moeten toezien hoe ons gestaag opgebouwde paradijs der woudreuzen met zijn rijke fauna in nietsontziende vlammen opgaat, gewis beseffende dat we ons niet eens hebben verzekerd voor dit omvangrijke eigendom.

Moest ik de grote jackpot van EuroMillions winnen?
Dan zou ik zonder de minste twijfel vooral in onbedaarlijk lachen uitbarsten.
Want ik speel geeneens mee.

En u?

Niet te schatten

.
Gelieve me te excuseren voor de onbedoeld sacrale stilte op deze stek. Het was mijn week niet. Het waren mijn afgelopen twee weken niet, zelfs.

Als mijn hoofd maalt, verstijven mijn vingers. Sommige mensen beginnen net als gek te schrijven in tijden van onbehagen. Ik blokkeer. De meest geïnspireerde stukjes worden aan het scherm toevertrouwd als de scribent in zwaar weer verkeert, las ik ooit eens. Niet zo alhier.
De woorden zijn weliswaar alomtegenwoordig, doch slechts als niet te vangen flitsen in mijn harses. Ze buitelen over elkaar heen, ze tollen, ze dansen en draaien, en resulteren uiteindelijk in een verlammende vertigo.

Mijn eigen herstel verloopt vooreerst niet geheel zoals gewenst. Pijn en ontgoocheling zijn mijn deel. Alles gaat ook veel te traag wat mij betreft. Niet alleen baal ik daarvan als een stekker, ook het doemdenken komt bovendrijven.
Katrien vreest dat ik enigszins overdrijf en daardoor slechts agitatie ópwek. Ik weet dat ze hoogstwaarschijnlijk gelijk heeft, maar de ongewilde bekommernis waarvan mijn hersenpan doordrenkt is, zorgt voor kwel en donkere gedachten. Het is sterker dan mezelf, maar ik werk eraan zoals Pfizer aan een covidvaccin: niet ten volle overtuigd doch bereidwillig.

En dan is er mijn bestie, mijn maat sinds decennia en het schuim op mijn levensbier. Diens zeldzame en kwaadaardige aandoening – peniskanker, een zware tol die gemiddeld slechts een handvol Belgische mannen betaalt op jaarbasis – lijdt tot onnoemelijk veel droefenis. Hij is net geen vijftig en heeft zijn deel van de sores al ruimschoots over zich uitgestort gekregen. Wat hij doormaakt (niet voor de gevoelige zieltjes onder u), is een niet te schatten merode die ik zelfs mijn ergste vijand niet toewens. En uiteraard, of wat had u gedacht, neem ik een aanzienlijk stuk zijner malaise mee in mijn hoofd. Ten zeerste nefast voor de levensvreugde, wat ik u brom.

Tot slot kan ik ook mijn buurman niet onvermeld laten. Ik ken hem al vierentwintig jaar als een goedlachse kerel wiens gevatheid legendarisch is in onze kleine wijk.
Heden kijkt hij aan tegen een revalidatie van minstens een jaar. En dan heeft hij zogezegd nog geluk gehad. Want geef toe: als je de onderstaande foto’s ziet, verwacht schier niemand nog een levend wezen aan te treffen in een dermate verhakkelde hoop staal.
Verhakkeld; zo is helaas ook zijn lichamelijke gesteldheid op heden. Er wachten hem nog tig chirurgische ingrepen alsook diverse implantaten. Zijn toekomst is koffiedik kijken, dat begrijpt u.

Bon.
Als u me nu wilt excuseren.
Ik ga even een Dafalgan forte tot mij nemen. Mogelijks scoor ik inderhaast ook een Valiumpje.
En ineens, schier als een donderslag bij heldere hemel, daagt het mij dat het coronavirus ook nog steeds in alle hevigheid woedt.

Doe mij maar twee Valium, alstublieft. ASAP.
.

[ Foto’s: © Kristof Pieters ]

Van A tot Z in het AZ

.
Beste lezer,

Ik voel mij genaaid.
Dat mag u overigens geheel letterlijk nemen, want in een regionaal academisch ziekenhuis heeft de afdeling Snit & Naad vakkundig naald en draad gehanteerd teneinde me vanbinnen en vanbuiten weer dicht te stikken.

Het was bovendien mijn allereerste heelkundige ingreep. Zodoende wist ik niet wat er op me af zou komen.
Ik heb toch wat klachten.
Op vestimentair gebied was het huilen met de pet op. De operatieve dresscode laat zeer te wensen over, zeg ik u. Ik kreeg een soortement van vaal kaki nachthemdje aangemeten om mijn adamskostuum mee te bedekken. Hiervoor zou ik ten zeerste dankbaar zijn geweest ware het niet dat dit kleinood achteraan zo open staat als een nooduitgang bij een uitslaande brand. Mijn hele derrière werd dientengevolge zonder pardon publiekelijk geëxposeerd.
Ik verwachtte hoongelach van het verplegend personeel, maar zij aanschouwden mijn ridicule kloffie met een gelatenheid van heb ik u daar. Daaruit besloot ik alras dat een te langdurig verblijf in een steriele omgeving mensen overduidelijk apathisch maakt. Zelfs mijn lichtelijk hysterische kreet – “Je ziet heel mijn blote wegel!” – maakte niet de minste indruk. Ongezien.

Vervolgens werd ik vriendelijk edoch dringend geordonneerd me in bed te leggen en te wachten op mijn geannonceerde bezoek aan het OK. Dat staat, zo vernam ik bij monde van een oogrollende verpleegster, voor ‘operatiekwartier’.
Het werd een wel erg lange wachttijd. Vermoedelijk moest men het OK nog stofzuigen en dweilen, bevroedde ik. Of wat ingewanden terzijde vegen, dat kon ook. Te langen leste kwam er een frêle ziekenverzorgster mijn kamer binnengehuppeld met de melding dat ze me naar het chirurgenteam zou taxiën.
Tweede klacht: ze bleek een bruistige chauffeur die mijn logge bed op wieltjes allesbehalve meester was. Werkelijk ieder obstakel in de gangen werd ruw aangetikt of in een hoek gekatapulteerd. Onderweg nog even een praatje maken met een poetsvrouw, haar gsm beantwoorden en een sanitaire stop inlassen. Ik vreesde al dat ze iemand anders vóór mij zouden openritsen omdat mijn intrede zo lang op zich liet wachten.

Eenmaal ter plaatse werd ik geparkeerd naast een andere preoperatieve kandidaat. Toen ik opzij keek, ontdekte ik een hoogbejaard schriel mannetje dat welhaast helemaal onder zijn deken was weggezakt. We maakten oogcontact en knikten naar elkaar.
“Ook onder het mes?” vroeg hij me met een stem die klonk als een roestige veer die werd opgespannen.
“Nee hoor, hier spendeer ik al mijn vrijdagen”, meldde ik hem laconiek. De kwinkslag ontging hem.
“Bij mij gaan ze mijn rechterpoot afzetten. Suikerziekte.” Hij verslikte zich en hoestte wat gelige fluimen op zijn beddek. “Maar ach, ik heb al erger meegemaakt in den oorlog, meneer. Onkruid vergaat niet.” Hij lachte rochelend.
“Weet u wat,” opperde ik, “als we hier uitkomen, trakteer ik u op een stevige pint bier. Hoe lijkt u dat?”
“Doe er dan meteen maar twee,” kaatste hij terug, “want op één been kun je niet staan, hè!”
Daarna werd hij weggerold door een nors uitziende witjas. Ik heb hem niet meer teruggezien. De cafés zijn trouwens dicht dezer dagen.

Op de operatietafel – waarop ik me eigenhandig moest hijsen met dat ellendige open hemd aan – werd er een overmaatse blauwe trechter op mijn snoet gedrukt. Er kwam lucht uit. Ik vreesde dat ik zou moeten niezen en ik had geen zakdoek bij. Waar zou ik die overigens hebben moeten laten?
“Nu gaat u slapen, meneer”, deelde een boomlange chirurg me mee. “Tot straks.”
De zuurstofstroom veranderde in een curieus geurende vapeur. Het gezicht van de chirurg zakte vloeiend ineen voor mijn ogen als werd hij onder water gezogen. Het leek even alsof er opgewarmde cola of een ander hessig koolzuurhoudend goedje door mijn aderen werd gestuurd. Mijn ledematen tintelden, mijn lichaam werd loodzwaar en ik was vertrokken naar een toestand waar ik me nooit iets zou van herinneren. Verdoofd zijn, dat is geheid als het loodje leggen. Je hele zijn is foetsie.
Ik vond het een van de meest bevreemdende ervaringen die ik mocht meemaken, op het overmatig wietgebruik toen ik achttien was na.

We zijn intussen een week verder. Ik typ hier weer naar hartenlust en met een fris gemoed. Gisteren maakte ik al een korte maar deugddoende avondwandeling met Katrien. Geen centje pijn.
De medische wereld is een wonderlijk universum, wat ik u brom.

The best is yet to come

.
De talrijke reacties die ik mocht ontvangen op mijn voorgaande schrijfsel waren hartverwarmend, helend en vooral onomwonden. Veel commentaren heb ik een paar keer herlezen omdat ze de troost boden die ik zocht, de warme humaniteit offreerden die in deze kwade tijden al eens durft zoek te raken en de stimulans waren die ik ten zeerste vandoen had. En dat, beste lezer, is wat ik bedoel met de wezenlijke interactie van het bloggen; de meerwaarde ervan is werkelijk onbetaalbaar. Waarvoor dank.

Twee dagen na publicatie van dat logje werd ik – alsof ze aldaar geabonneerd zijn op mijn stek – gecontacteerd door de afdeling chirurgie van het lokale ziekenhuis met de melding dat mijn operatie aanstaande vrijdag zal plaatsvinden. Maakt u zich hierover vooral geen zorgen, dat doe ik wel in uw plaats.
De ingreep is noodzakelijk. Ik bespaar u de details, maar grofweg komt het erop neer dat mijn gezicht via een heelkundige noviteit zal gewisseld worden met mijn reet omdat mijn adem te veel stinkt. U zult me naderhand herkennen aan mijn brede verticale glimlach. Doch tot zover de medische kant van het verhaal.

Om mijn inferieure humeur wat op te krikken, heb ik een beroep gedaan op mijn grenzeloze en onbeteugelde fantasie, zelfs in die mate dat ik ze meenam in een grandioze droom die ik u niet wil onthouden.
Ik was de CEO van een internationaal gerenommeerd hoveniersbedrijf. Mijn ruim vierhonderd man sterk veldpersoneel kon de onafgebroken binnenstromende opdrachten welhaast niet bolwerken.
Teneinde ook de boekhoudkundige en administratieve kant meester te blijven, had ik een honderdtal secretaressen in dienst genomen, zorgvuldig geselecteerd op hun beloftevolle capaciteiten en, geheel toevallig, allen jonger dan vijfentwintig.
De dag was gekomen dat ik mijn hondstrouwe medewerkers rijkelijk wilde belonen voor hun tomeloze inzet. De werkmannen ontvingen elk een bonus ter waarde van zegge en schrijve honderddertig euro en twee uren vrije tijd op elke eerste paaszondag van de maand september.
De secretaressen, tenslotte de groep met wie mijn samenwerking het innigst is, trakteerde ik op een veertiendaagse vakantie op het zonovergoten subtropische eiland Bora Bora met mezelf als enige reisleider. Zon, zee, strand, muziek en dans, totale zorgeloosheid en geheel verstoken van corona: life as we knew it.

Om het enigszins aanschouwelijk te maken, bied ik u onderstaande video aan. Zet uw geluid op tien, leun achterover en ga helemaal op in zoveel fraais.
Weet alvast één ding: als dat smerige virus finaal de pijp aan Maarten heeft gegeven, zal grenzeloos genieten effectief helemaal bovenaan op mijn to-dolijst prijken. Met de hand op het hart, wat ik u brom.
.

Het bestaan verslaan

.
Mensen die me kennen, zullen me omschrijven als een persoon die de lusten van het bestaan puurt uit de meest uiteenlopende facetten ervan. Ik heb, echt waar, zelden een slecht humeur, voel me nagenoeg nooit bedrukt of teneergeslagen, stap vrijwel altijd met het juiste been uit bed en koester van ’s morgens tot ’s avonds de goede luim.
Het leven is wat mij betreft als een neus: je moet eruit halen wat erin zit.

Ik maak u geen blaasjes wijs als ik u vertel dat ik binnen de eerste minuut na het wakker worden al loop te zingen. Katrien is op dat vlak diametraal; zij brengt het eerste uur van de morgen zombiegewijs door en raakt geïrriteerd door mijn zonnige hum, waardoor ze na het ontwaken mijn pad zo weinig mogelijk kruist. Mijn aria’s stuiten bij het krieken van de dag zodoende op dovemansoren, doch hierdoor laat ik me niet van de wijs brengen; ik pak de dichtstbijzijnde van onze drie katten op en dans ermee in mijn armen door de keuken wijl ik ‘Mad about you’ neurie.

Edoch, het kan verkeren, zei Bredero ooit.
En alzo geschiedde ook.
De laatste weken heeft er zich gaandeweg, bijna sluipenderwijs, een latente berusting over mijn bestaan gedrapeerd. Mogelijks merkte u dat al aan de stilte op deze stek.

Als ik wakker word, wil ik blijven liggen. Er schiet me geen enkele blijgeestige deun meer te binnen. Mijn lippen voelen droog aan, mijn keel schor. Al fluitend het ochtendgloren begroeten is er niet meer bij.
Ik doe de dingen die ik doe nog steeds als voorheen, maar mijn handelingen en mijn hersenen zijn twee aparte entiteiten geworden. Ooit werden ze gelieerd middels een niet te stuiten joie de vivre.
Ik stap in mijn bestelwagen met een zucht, begroet mijn klanten beleefd doch zonder geestdrift en rijd ’s avonds huiswaarts met slechts één wens: me neervlijen op de bank, de ogen sluiten en de wereld uitwissen.

Om kort te gaan: ik steven af op een depressie.
Moi, de zotheid zelve.
Ik kan het nauwelijks bevatten en toch is het zo.
Ondertussen kan ik er zelfs al de vinger op leggen. Mijn job zit er voor niks tussen. Integendeel; het is mijn baan die me nog enigszins op de been houdt.

Het is dat welbepaalde virus, beste lezer. Dat ellendige virus dat ons al sinds maart onafgebroken koeioneert.
Het is eveneens de lockdown, de tweede reeds. Verdrukken dat ik mijn geliefden mis, lukt niet langer. Het duurt me ook allemaal te lang. Als ik geen welomschreven eind in zicht krijg, steigeren mijn harses. Dat besef ik nu. Ik heb het al tijden terzijde geschoven.
Maar bovenal is er de angst. De angst om geïnfecteerd te raken en te belanden op de afdeling intensieve zorgen. Want dan mag ik het wel vergeten. Zulks heeft mijn behandelende arts me onomwonden in het gezicht geslingerd.
Ik sta op de wachtlijst voor een voor mij levensbelangrijke operatie. Die is thans, omwille van de overbezetting van covidpatiënten, naar een latere, nog te bepalen datum verschoven. Om welke ingreep het gaat, laat ik in het midden. Ze is niet de essentie van dit schrijven. Maar zolang ze niet wordt uitgevoerd, behoor ik tot “de risicogroep”. En zulks drukt me op het feit waarom ik heden niet meer de mens ben die ik kortelings nog was.

Ik draag een mondmasker waar nodig, was mijn handen tot bloedens toe en blijf zoveel als ook maar mogelijk in mijn kot.
Edoch, ik slaap niet meer de slaap der zorgelozen, ik functioneer op automatische piloot en het vreugdevuur mijner bestaan pruttelt slechts in plaats van op te flakkeren.

U kunt er niks aan doen, ik al evenmin. Het leven beukt even als een ram op me in. Ook dat gaat voorbij. Hoop ik.
Is er trouwens nog hoop?
Ja hoor.
Want hoop is het beste antidepressivum.

Toeme toch.

Knock-out

U kent ongetwijfeld de uitdrukking ‘Hij is niet op zijn achterhoofd gevallen‘.
Ze is geheel en al op mij van toepassing.

Want deze week ben ik namelijk op mijn voorhoofd gevallen. En dat was geeneens een bescheiden klap.
Ik herinner me nog dat ik moest plassen. Het was midden in de nacht. Ik strompelde slaapdronken uit bed, laveerde van de slaapkamer naar de hal – alwaar zich bezijden het toilet bevindt – en bleef haperen aan het grijze hoogpolige tapijt.
Dat tapijt ligt er al sinds mensenheugenis. Al honderden, wat zeg ik: duizenden keren heb ik het korte traject slaapkamer-toilet-slaapkamer afgelegd in het holst van de nacht, immer op blote voeten en zonder de verlichting aan te knippen. Fluitje van een cent. Zelfs met mijn ogen dicht en twee vingers in de neus zou ik hierin slagen.

Behalve die ene nacht.
Ik voelde hoe ik bleef haken, had niet meteen in de smiezen dat ik hierdoor pal voorover viel en kreeg ook niet langer de tijd om me zulks te realiseren. Mijn luchter ging stante pede uit.

Hoelang ik buiten bewustzijn ben geweest, weet ik niet. Maar het ochtendgloren verlichtte de gang alreeds deemoedig toen Katrien me daar horizontaal gedrapeerd vond. Naar verluidt snurkte ik, wat betekende dat mijn onbedoelde staat van consciëntie onmerkbaar was overgegaan in reguliere slaap.

“Schat? Ben je gevállen?”
(Duh, ik slaap altijd op het vloerkleed. Next!)
De spasmodische poging om mijn hoofd op te tillen ging gepaard met een salvo aan pijnscheuten. Ik dirigeerde mijn harses terug richting tapijt.
“Ik… ik moet plassen.”
“Plassen? Je hebt je bestemming alvast nog niet bereikt, schat. Hoe lang lig je hier al?”
“Weet ik niet. Laat me maar. Pijn.” Ter verduidelijking mijner verklaring gaf ik een zielige kreun ten gehore.
“Kom, laat me je helpen om op te staan.”
Ik kermde een paar octaven hoger en bracht moeizaam enige beweging in mijn vege lijf.
“Ik moet… ik moet plassen.”
“Te laat. Dat is al gebeurd, zie ik. Helaas op de verkeerde locatie.”
Ik bracht behoedzaam mijn hand naar mijn kruis en voelde prompt nattigheid.
“O nee.”
“O ja, jazeker wel. Help nou eens wat mee, wil je?” Ze trok daarbij venijnig aan mijn rechterarm.
“Hou ’s op, straks ruk je mijn arme ledemaat nog uit de kom. Ik sta wel alleen recht.”
Na wat een eeuwigheid leek, doch in realiteit slechts zes seconden en veertien honderdsten bestreek, bevond ik me in een positie die met enige goede wil als verticaal te omschrijven viel.
Katrien sperde haar ogen open toen ik haar aankeek.
“Wát? Een spook gezien?” mompelde ik met een kurkdroge mond.
“Kijk maar eens in de spiegel.”
“Oh shit”, urmde ik verschrikt. Op mijn voorhoofd had zich een bult ter grootte van een halve tomaat ontwikkeld, alleen vele tinten roder. Purper, welhaast.
“Heel mijn kop vervormd, verdomme. Hoe kan ik me met zulk een tronie in ’s hemelsnaam onder de mensen begeven?”
“Ik haal een cold pack uit de ijskast.”
“Breng je ook een verse onderbroek mee?”

Ik aanschouwde mezelf nogmaals in de spiegel. Ik bracht mijn facie wat dichter tegen het glas en duwde behoedzaam met mijn wijsvinger op de tomaat. Meteen wist ik dat ik dit maar beter geen tweede keer executeerde.

Ondertussen zijn we drie dagen verder. De vleestomaat is gehalveerd in omvang. De bloeduitstorting heeft zich echter een weg naar onderen gebaand. Hierdoor ziet mijn rechteroog er heden uit als dat van Joe Frazier na een korte doch intense kamp tegen Mohammed Ali.
De hoofdpijn is evenwel erger. Die was er schier onmiddellijk en verdween niet, ook niet na diverse pijnstillers te hebben geslikt. Gisteren heeft mijn huisarts het verdict uitgesproken: hersenschudding. Licht schuwen, ogen niet vermoeien, blablabla.

Doch als u me nu wilt excuseren; ik ga een poos de sponde benutten en mijn linkeroog sluiten. Het rechter zit toch al dicht.

Toeme, toch.

.

[ Foto: © Katrien. Helaas niet voor publicatie vatbaar. ]

De schone en het beest

Op dat moment wist ik hoe het voelde om in het hart van baarlijke schoonheid te kijken. Wat me het eerst was opgevallen, waren de fascinerende kleuren.

Ze illumineerden de grauwheid van deze kille herfstdag al vanop grote afstand. Toen er ons nog amper een meter scheidde, hield ik halt en liet ik mijn ogen gretig doch eerbiedig glijden over de heldere oranje welvingen die waren afgebiesd met een okergele, rafelige kraag. Elke ondulerende schaal was meandrisch getooid met welhaast evenwijdig aan elkaar lopende baksteenrode banden. Ze brachten, gedetailleerd en afgetekend, een rustgevende symmetrie in de verder compleet organische vorm.

En dan die opbouw. Alsof iemand minutieus een indrukwekkende 3D-puzzel had geconstrueerd uit vlezige schelpen die elk groter waren dan de handpalm van een kolossale zeebonk. Het geheel was een machtig meesterstuk dat moeder natuur pardoes exposeerde voor menig gefascineerde passant.

Deze schitterende, massieve en ongeschonden zwavelzwam was voor Katrien en ik het dessertje van onze dag. Een select kransje hoogopgeleide dames en heren noemen hem habitueel ook wel eens Laetiporus sulphureus. Hij komt vooral voor op dode eiken, wat ook hier het geval was.

Over de plas wordt deze zwam Chicken of the woods genoemd, want de textuur en de smaak doen erg aan kip denken. Eetbaar dus, al dien ik hierbij een belangrijke voetnoot te plaatsen: er zijn mensen die een allergie voor de paddenstoel ontwikkelen doordat vooral de jonge exemplaren bepaalde alkaloïden bevatten.

Tot slot nog even meegeven dat het wegnemen van deze schoonheden uit de vrije natuur in ons land een strafbare handeling is:

Wilde paddenstoelen opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen is verboden onder het decreet natuurbehoud.
Op overtredingen staan volgens de letter van het Bosdecreet boetes van 100 tot 50.000 (!) euro, aldus het Agentschap Natuur en Bos.

’s Anderendaags bleek jammer genoeg dat niet iedereen daarvan op de hoogte is, getuige deze intrieste foto’s die ik nam:

Hier werd onmiskenbaar een mes of een ander scherp voorwerp gebruikt om de zwavelzwam in zijn totaliteit van de dode eik te scheiden. Toen ik deze geheel zinloze en ronduit vandalistische daad opmerkte, kreeg ik het warm en koud tegelijk. Want echt: waaróm toch?

Moge de lafhartige barbaar die deze kille daad op zijn geweten heeft, dan ook tergend traag stikken in een excessief pezig stuk Laetiporus sulphureus. Geen genade voor een dergelijke onverlaat, wat ik u brom.

[ Foto’s: © Menck ]