Categorie: It’s my life

Kauw in de schouw

O, wat aandoenlijk toch, zo’n dartel huppelend kauwtje op een met frêle bloemetjes bezaaid gazon. Deze foto tovert ongetwijfeld een zalige zomerdag voor uw geestesoog. Buiten het beeld bevinden er zich allicht enthousiast barbecueënde koppels wiens kinderen kraaiend van plezier water uit een plonsbadje scheppen teneinde elkaar eens goed nat te spatten, pretlichtjes in hun ogen en al.

Oké, ik liet me even gaan.
Maar wie wordt er niet week bij het aanschouwen van zo’n hulpeloos klein kauwtje dat zacht piepend ligt te wachten tot zijn broertjes dan wel zusjes geboren worden?

Week worden?
Ik niet.
Of beter: niet meer.
Want bovenstaand gezinnetje heeft zich namelijk knusjes genesteld op een plaats waar ik het liever niet had zien geschieden:

Yep, dat is óns dak, inderdaad. En onze schoorsteen. En in die schoorsteen woont thans een kauwengezin. Mama, papa en de kindjes.
Alle kleintjes hebben ondertussen de eierschaal afgeworpen en zijn alive and kicking. Voor wie hieraan mocht twijfelen: vanop het terras horen we van ’s morgens tot ’s avonds lieflijk gekweel uit een handvol gesmeerde keeltjes. Papa werkt zich de naad uit het lijf om de immer hongerige maagjes te vullen. Hij vliegt onafgebroken aan met lekkers, duikt gezwind onder de afdekplaat op de schoorsteen en stilt zonder morren de stevige trek van zijn kroost.
Mama kauw is daarentegen een ouderwetse trees. Een moeder bij de haard, zeg maar. Of beter: bij de gasketel waarmee de schouw in verbinding staat. Een schouw die, ik geef het u voor alle zekerheid maar even mee, potdicht zit. Potdicht zoals in onmogelijk om nog de verwarming op te zetten zonder risico op een fikse schouwbrand. Nogal een geluk dat het weer zich van zijn meest zomerse kant laat zien dezer dagen.

Grote zucht, dus.
Want wat moet ik nou?
De kleintjes laten zitten en wachten tot ze uitvliegen? Weet dan dat daar schier meteen een tweede legsel op volgt. Bovendien hebben madam Menck noch ik de tijd om ganser dagen trouw schoorsteenwaarts te staan turen tot we merken dat de kauwenkroost zijn vleugels wil uitslaan.

Ondertussen heb ik al eens gepolst bij een schoorsteenveger met de melding dat de gang van Zwarte Piet danig verstopt zit. Hij was meteen bereid om de klus te klaren.
“Ik zuig alles eruit van binnenuit, meneer. Fluitje van een cent. Geen al te proper werkje, maar het lukt me gegarandeerd.”
Dat was tot hij hoorde dat we kachel noch open haard hebben en de schouw dus niet vanuit de woonkamer bereikbaar is. Dichtgemetst en netjes gestuct. Oké, ze is mogelijks bereikbaar vanop zolder, maar dat wordt stevig kappen geblazen wegens het ontbreken van een toegangsluik of iets dergelijks. En nee, ik ben écht niet van plan om de gasketel maar eventjes gauw uit de schouw te sleuren, dank je wel.

“Het zal vanop het dak moeten gebeuren, veegmans”, gaf ik hem te kennen.
“Niet te doen”, weerlegde hij mijn voorstel. “Zo’n kraaiennest is niet zelden een meterhoge stapel van takken, bladeren, plastic, textiel, piepschuim en papier. Dat alles hebben die beesten tot één gigaprop geboetseerd. Bovendien is het zo dat naarmate de jongen groeien, en dus zwaarder worden, die prop steeds dieper in de schouw wegzakt.”

Grote zucht 2.

Terwijl ik dit schrijfsel typ, overstemt het enthousiaste gekwinkeleer van het jongbroed het geluid van de tv. Het lijkt wel alsof we te midden van de kauwen leven.
Degenen die zulks een machtig schoon terug-naar-de-natuur-gevoel vinden, wil ik met veel genoegdoening eens een volle kruiwagen nestmaterie doneren, stront incluis.

Om maar te zeggen dat ik mijn brein breek over een oplossing die zowel het jongbroed als ons interieur spaart. Eén schoorsteenveger vond ik ondertussen al wél bereid om vanop het dak te opereren. Neem dat opereren daarbij maar letterlijk, want zijn prijs is chirurgisch hoog.

Ik hou u van het verdere verloop zeker op de, eh, hoogte, beste lezer. En waag het intussen vooral niet om me middels het reactieluik van deze stek te treiteren met het alom gekende ‘In mei leggen alle vogels een ei’.
Dank u.

Weg met de Cydalima perspectalis!

Van alles heb ik geprobeerd: bezwerende slaapliederen zingen, hun kopjes masseren met bleekwater, ze met een veertje onder de oksels kietelen, ze laten kijken naar alle programma’s waar Annemie Struyf in opdraaft en met een verschroeiende laserstraal in hun ogen schijnen. Niks hielp. Zelfs drie welhaast opeenvolgende douches met het exotisch geurende Bio-Pyretrex brachten nul zoden aan de dijk.

En aldus heb ik deze week mijn stoute (hand)schoenen aangetrokken en al die recalcitrante klootzakken verbannen naar andere oorden, hun habitat incluis. Kortom: adieu rupsen van de buxusmot. Mijn klandizie zullen jullie alvast niet meer belagen wegens eveneens adieu buxushagen.

Drastisch?
Misschien.
Doch vergis u niet. Want de – nimmer aflatende – bestrijding kost u ofwel handenvol geld ofwel eindeloos veel moeite/tijd ofwel beide. Om over de constant weerkerende ergernis nog maar te zwijgen.
Ik heb me alvast resoluut teruggetrokken uit dit gevecht tegen de bierkaai en dat ook aan mijn gewaardeerde cliënteel medegedeeld. Alras bleek dat ik hierin veelvuldig geruggesteund werd/word als ik maar met alternatieven op de proppen kan komen.
En die zijn er.
Taxus baccata, bijvoorbeeld. Of als het dan toch enigszins op buxus moet lijken: Ilex crenata of Lonicera nitida. Zelfs ligustrum is een waardige (doch bladverliezende) vervanger. Alles is heden beter dan buxus. Want wie buxus bezit, krijgt steevast de gelijknamige mot op bezoek. En die legt eitjes dat het niet mooi meer is. Eitjes waaruit erg fraai ogende doch bijzonder vraatzuchtige rupsjes komen. Zeg nú al maar dag met het handje tegen al uw moeizaam verkregen topiaryborders; vroeg of laat zit de mot erin. Sowieso.

Onderstaand toon ik u een gevalletje buxusvervanging. Het is onderhand een routineklus geworden. De klant in kwestie opteerde voor Lonicera nitida Maigrün. Voordeel: goedkoop. Nadeel: minstens twee scheerbeurten per jaar nodig. Veelal drie.
De aanvankelijke keuze viel nochtans op de veel beheerster groeiende Ilex crenata, de groenblijver die buxus vormelijk het dichtst benadert. Dat was: tot de prijs aan bod kwam. Want Ilex crenata is vooralsnog pokkeduur. Wie een aantal jaren wil/kan wachten, zal geheid de aankoopprijs zien zakken. Doch als je tuin vol rosse, dode buxus staat, wil je zoveel doffe ellende simpelweg niet nog langer aanschouwen.

Lonicera nitida Maigrün wordt doorgaans in plastic potten van anderhalve liter verkocht. Om polsontwrichtend schepwerk met een plantenschopje te vermijden, creëerde ik, middels een slijpschijf, een handig werkinstrumentje uit een conisch gevormde zinken vaas met dezelfde diameter als een dergelijke pot. De werking ervan is vergelijkbaar met die van een eenvoudige bollenplanter: tot op de gewenste diepte in de grond duwen en bovenhalen maar.

En daarna is het bijna bandwerk:

  • een reeks putjes maken;
  • putjes tot bovenaan vullen met water;
  • planten erin stoppen en aanduwen;
  • nogmaals stevig begieten…

… om straks – binnen de kortste keren, that is – het resultaat van voor de ingreep te bekomen:


(foto: juli vorig jaar)

Geef toe: a child can do the laundry, isntiet?


[ Foto’s: Menck ]

Gedeukt: ego & co

Het is werkelijk onbeschrijflijk hoe ik me kan laten opnaaien door hersenloze losers die iemands have en goed beschadigen. Zo ook vorige vrijdagavond nadat een dergelijke onverlaat de ganse rechterachterlichtunit van mijn bestelwagen naar de filistijnen had geholpen en alsmede het plaatwerk op een zodanige wijze had geremodelleerd dat de roestduivel er thans vrij spel op heeft. En dan zwijg ik maar over de esthetische kant van zoveel smakeloos deuk- en blutswerk.

Het eerste wat ik dacht toen ik met een zaklamp in de hand de schade aanschouwde, was: wat zou ik die rekel graag eens mijn gedacht zeggen. Wat ik ook deed. Want het toeval wil namelijk dat ik die gast ken. Dientengevolge schold ik hem de huid vol en verwenste ik hem dat het niet mooi meer was. Want, ziet u, die brokkenmaker is niemand minder dan schrijver dezes.

Nochtans: de behoedzaamheid waarmee ik die avond achterwaarts de oprit van een klant verliet, was niet min dan voorbeeldig. Alleen hulde het hol waar ik me bevond zich in een duisternis van heb ik u daar. De overzichtelijkheid van mijn schuur op wielen laat sowieso al danig te wensen over, maar op dat moment reed ik echt zowat op de tast. En ineens was er die nare, doffe bons. Een geluid dat ik prompt herkende van toen ik, vele jaren eerder, eens achterwaarts tegen een betonnen paal reed.
U mag tweemaal raden waartegen ik deze keer abrupt tot stilstand kwam. Yep, een betonnen paal. Een verlichtingspaal dan nog wel. Eentje met een pitje waar zelfs een theelichtje zich laatdunkend over zou uitlaten. Puh.

In alle eerlijkheid mag ik tevens gewag maken van een dodehoekongevalletje. Want noch in mijn spiegels noch door mijn achterraampjes kon ik de lantaarnpaal ontwaren. En zodoende dirigeerde ik mijn busje zonder argwaan de straatkant op. En ineens was daar dus die paal. Die van rechts kwam. De seut.

De snelheid die mijn blikken doos op het moment van aanrijding had ontwikkeld, was niet meer dan stapvoets. In verhouding is de schade dan ook best aanzienlijk te noemen.
Conclusie: een autocarrosserie lijkt heden wel opgetrokken uit aluminiumfolie. Of, zoals alle voertuigfabrikanten daartegenin brengen, uit welberekende kreukelzones. Dat van die kreukels geloof ik voortaan alvast direct.

Toeme toch.

[ Foto: Menck ]

Zomermodus

Deze blog gaat, naar jaarlijkse traditie, in zomermodus. Concreet houdt zulks in dat:

  • er minder frequent schrijfsels zullen verschijnen;
  • de bijdragen beknopter en minder doorwrocht zullen zijn;
  • de reactiemogelijkheid soms zal worden afgezet;
  • ik uw blogs blijf volgen doch veel minder zal reageren;
  • het beroepsmatig al een ganse tijd ongelooflijk druk is en dit nog een behoorlijke periode zal aanhouden.

Wie me, om god weet welke reden ook, wil contacteren, kan dit e-mailgewijs via:

Emma

“Leer me de natuur zien”, zei Emma. “Ik wil die door jou leren kennen.”

Ik zat naast Emma op de verweerde grenen tuinbank en blikte bedenkelijk in haar richting. Ze keek naar me maar zag absoluut niks. Emma is achtentwintig en al zeventien jaar blind. Het gevolg van een overdosis aspartaam, heeft ze me ooit ijlings toevertrouwd. Of ze de ware toedracht maskeert, weet ik niet, maar ze wil het er alvast nooit meer over hebben.

“Hoe moet ik me dat voorstellen, Em?”

We praten vaak over de natuur. Emma is dol op ieder seizoen. Haar ouders hadden vroeger een grote tuin waarin ze tijdens haar verwerkingsproces veel troost heeft gevonden in het anders leren ervaren van vormen, geuren en geluiden. Naar eigen zeggen “ziet” ze nu tien keer meer dan vroeger.
Zes jaar geleden gingen haar ouwelui uit elkaar. Omwille van haar, of toch onrechtstreeks. Haar moeder hield haar vader verantwoordelijk voor haar blindheid. Eenieder deed zulks af als klinkklare onzin. Desondanks hield Emma’s moeder voet bij stuk en vertrok.
Emma woont nu samen met haar vader in onze straat in een veel bescheidener woning dan hun vroegere villa-op-vijftig-are-grond. Ze is een heel open, hartelijke, knappe en wereldwijze meid waar mijn madam en ik geregeld mee babbelen. ’s Zomers zitten we niet zelden op ons schaduwterras te filosoferen, te gieren of gewoon te relaxen tot een stuk in de nacht. Ze heeft het nog wel eens over haar moeder, die al vrij snel na de scheiding is gaan samenhokken met rijke Louis. Maar al zes jaar is ze uit haar – hun – leven verdwenen, iets wat zo nu en dan aan Emma vreet.

“Ik zou zo graag willen dat je je kennis over fauna en flora met me deelt. Je diepe liefde ervoor. Je weet hoe gefascineerd ik daardoor ben, en al zeker door jouw tuin. Wees mijn ogen, Menck. Leer me kijken door jouw ogen, hoe jij de dingen ziet en benadert. Wil je dat doen voor me?”
“Voor jou doe ik alles, dat weet je. Enfin, bijna alles.” Ik lachte.
Emma nam een slok van haar thee.
Soms schaam ik me dat ik naast haar gin of Duvel zit te hijsen. En af en toe, doch echt heel zelden, durft ze zich ook wel eens te verliezen in een avondje gerstenat. Dan wordt ze veelal lacherig en plagerig en bijwijlen weemoedig.

“Weet je wat ik nu het sterkst ruik? Een roos. Een oude theehybride, right?”
“Right”, antwoordde ik naar waarheid. Ze staat zowat vijf meter voor je.”
“Welke naam draagt ze?” Ze draaide haar hoofd naar me toe. Haar ogen leken me echt aan te kijken, hoewel ik wist dat ze daar behoorlijk wat moeite moest voor doen.
“Dat is de Arioso. Rosa ‘Arioso’ om correct te wezen.” Ik glimlachte om mijn pedanterie.
“Een roze?”
“Yep, een roze. Maar dat was een gok, niet?”
“Tuurlijk. Maar ik stel me een roos doorgaans roze voor. Gek, hè?”
“Misschien associeer je dat met vroeger, met de rozen uit jullie gewezen tuin.”
Ze antwoordde niet en nipte nog eens van haar thee.
“Welke geur ruik jij, Menck?”
“Op dit moment, bedoel je?”
“Ja.”
Ik snoof eens heel diep, waardoor Emma in de lach schoot.
“Je mag dat niet doen. Je moet gewoon chill blijven en de sterkste geur in je opnemen. De geur die je neus spontaan komt binnendrijven. Dewelke is dat?”
“De jouwe. Ik ruik shampoo.”
“Gekkerd.” Ze legde haar hoofd op mijn schouder. Zo bleven we een ganse poos stil zitten. Soms heb ik zin om mijn arm om haar heen te slaan en haar dicht tegen me aan te trekken. Maar dat durf ik niet. Ik ben bang dat net iets teveel intimiteit een wig tussen ons zou kunnen drijven en al het moois zou doen splijten.
“Citroen”, zei ze ineens.
“Eh, wat?”
“Ik ruik citroen. De Arioso geurt naar citroen.”
“Wacht”, zei ik, terwijl ik opstond en naar de rozenstruik stapte. Ik plukte er een rijk gevulde bloem af. “Ruik maar.” Ik legde de roos in haar hand.
“Wow, die is dik!” Ze bracht de roos tot tegen haar neus en inhaleerde lichtjes. Toen gaf ze de bloem aan me terug. Met dat gebaar kwam er een sterk citroenaroma vrij.
“Mijn eerste les”, sprak ze zacht. Ze legde opnieuw haar hoofd op mijn schouder. “Rosa ‘Arioso’ is een volle, naar citroen geurende en roze theehybride.” Ze dreunde het schools op, glimlachte voor zich uit en knikte instemmend.
“Perfect. Wedden dat jij dit langer zal onthouden dan ikzelf?”
“Ooit, Menck, ooit zal ik je, als je écht oud en versleten zult zijn, les geven over je eigen tuin. Ooit.”

Ondanks mijn eerdere twijfel, sloeg ik nu toch mijn arm om haar heen. Zacht. Aarzelend ook.
Emma beantwoordde mijn gebaar door haar hoofd tegen mijn borst te leggen en de ogen te sluiten.

Weltschmerz, medicijnen en mijmeringen

De dag van gisteren is gestart onder een dingsig gesternte. Waar het door kwam, daar kwam het door. Een mens heeft zulks maar zelden in de hand.

Het begon die morgen al: ik raakte ineens diep ontroerd door de intense goudkleurigheid van mijn ochtendurine. Met trillende lippen prees ik mijn blaas om zoveel liquide schoonheid. Toen ik na de plas rechtstond om mijn broek op te hijsen, bereikte een uitermate miniem en warm gedruppel mijn linkerdij. Tranen, zo vermoedde ik. Al riep de plotsheid ervan evenwel verwondering bij me op.

Tijdens het ontbijt vloog er een musje tegen het keukenraam. ’t Kan ook een meesje geweest zijn. Of een winterkoninkje, ‘k wil er vanaf zijn. Het beestje was in ieder geval kleiner dan de meeuwen die hier veelvuldig rondcirkelen. Wat restte, was een bloederige smurrie waarin tal van pluimen kleefden. Ik raakte diep ontroerd door de intense goudkleurigheid van het gevederte. Er bengelden opnieuw tranen. Tranen om wat vermoedelijk dan toch een goudvink zal geweest zijn.

In de brievenbus ontwaarde ik een grote enveloppe. Ik scheurde ze open en zag vette doch zwierige gouden letters. Ik had met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tienduizend euro gewonnen. Dat zou al blijken na een eerste bestelling van tweehonderd vijftig euro. Wederom tranen. In mijn koffie dit keer. Het doet wat met een mens.

Onder dat droefgeestig gesternte stapte ik een wijl later in mijn bestelwagen. De dag stond in het teken van een nieuw aan te leggen tuin in het verre Assebroek alwaar ik allerhande opmetingen te verrichten had. Meer zat er jobgewijs niet in, want sinds vorige week is mijn rechterschouder kaduuk en is diens aanhangsel, ook wel rechterarm genoemd, vleugellam. Sturen deed ik dientengevolge met mijn linkerhand en de versnellingspook bediende ik met de rechterknie. Geen fijne manier om een werkdag aan te vatten, temeer daar ik ook koffie aan het manoeuvredrinken was.

“Alles goed?” begroette de klant me monter en opgewekt.
Dat ik zware medicatie moet nemen die heel mijn maaghuishouding verstoort, iets waartegen ik eveneens pillen slik, hield ik wijselijk voor mezelf. Dat die medicinale combinatie heeft geresulteerd in een blaasjeseczeem over gans mijn lichaam, ik dienaangaande een dermatologisch onderzoek moest ondergaan en vervolgens een antibioticum, een ontstekingsremmer en cortisonezalf werd voorgeschreven, deelde ik de brave man evenmin mee. Zelfs over de gekmakende jeuk die dit euvel veroorzaakt, hield ik mijn lippen stijf op elkaar.
En dus verkondigde ik hem met een gekunstelde glimlach: ‘Alles prima, hoor.”

Tijdens de opmetingen en het foto’s nemen, welden er drie tranen op in de linkerhoek van mijn rechteroog. Was het de snijdende noorderwind die mijn gelaat als met naalden teisterde, of werd ik dan toch geraakt door de schoonheid van het project dat me te wachten stond? In mijn hoofd maakte ik tal van calculaties: zoveel ton compost, zoveel zakken bentoniet, zoveel plantjes, zoveel heesters, zoveel geld. Zoveel te doen en zoveel pijn. Zo verdomde veel treurnis. Het leek wel of ik me aan het wentelen was in zelfbeklag en er stiekem van genoot.

Later die dag plaatste ik de bestellingen, betaalde voorschotten en reed huiswaarts, doch niet alvorens nog even wat rust in mijn hoofd te tanken. Dat bewerkstelligde ik, zoals wel vaker, op een mij vertrouwde plek: de groene oase waar ik al sinds mensenheugenis kom. (Zie link onderaan dit logje.)
Er ontsprong wederom wat zoutwater in mijn ooghoeken. Toen ik naar mijn zakdoek tastte, viel er een houtduif uit een grote, knoestige eik. Ze bleef roerloos en ruggelings op de grond liggen met haar beide vleugels wijd opengespreid. In de verte hoorde ik een donderslag, ook al kon de hemel niet helderder zijn.

Nogmaals: weltschmerz.
Lach er gerust om.
Maar sta me toe dat ook te doen als ú erdoor overvallen wordt. Want – gaf ik het u reeds mee? – een mens heeft zulks maar zelden in de hand.

Mijn toevluchtsoord in tijden van innerlijke onrust vindt u overigens HIER.
Fijne plek vol persoonlijke nostalgie en in een ver verleden zelfs de werkstek van wijlen mijn moeder.

PLOG: mijn klein geluk in 20 puntjes

Geluk is geen kathedraal,
misschien een klein kapelletje.
Geen kermis luid en kolossaal,
misschien een carrouselletje.

Geluk is geen zomer van smetteloos blauw,
maar nu en dan een zonnetje.
Geluk dat is geen zeppelin,
’t is hooguit ’n ballonnetje.

[ Toon Hermans ]


M I J N    K L E I N    G E L U K    I S:

1 | Genieten van hoe mijn madam diverse variaties op een thema uitwerkt:

2 | Een passende vintagevaas op de kop kunnen tikken voor de retrokamer:

3 | Bij IKEA dé oplossing vinden voor de immer rondslingerende haardroger:

4 | Zohra die denkt dat ze een appel is:

5 | Eindelijk eens dat leeshoekje inrichten:

6 | Mijn 751ste uiltje cadeau krijgen:

7 | Katrien die onverwacht een succulente fruitcake bakt:

8 | Zien hoe mijn madam met wat zilverdraad en een haakpen een sieraad ontwerpt:

9 | Hoofdschuddend glimlachen omdat madam Menck het speciaal voor haar aangelegde zonneterras naast zich neerlegt:

10 | Een gerecht van Pascale ‘kijk eens naar mij’ Naessens onverhoopt zeer lekker vinden:

11 | Tijdens een wandeling deze olijke bende – waaronder een Racka- of schroefhoornschaap – ontdekken:

12 | Bij tuinwerkzaamheden een Romeins aandoend voorwerp (speerpunt?) opgraven:

13 | Gaan vissen met buurman en een kanjer van een – overheerlijke! – zalmforel boven water halen:

14 | Tevreden constateren dat de aardpeeroogst ook dit jaar weer geslaagd mag worden genoemd:

15 | In de dorpskom een heuse beauté tegen het lijf lopen:

16 | Merken dat de uk voor wie ik een poppenhuis knutselde er nog steeds zeer enthousiast over is:

17 | Een bakje bricoleren om naast de wastafel te hangen en opgelucht vaststellen dat ik nauwkeurig gemeten heb:

18 | Bij klanten een pergola bricoleren en opgelucht vaststellen dat ik nauwkeurig gemeten heb:

19 | Thuiskomen van het werk als eenieder reeds languit voor de tv ligt, maar dankbaar zijn om een geslaagde dag:

20 | De woonkamer binnenstappen en mijn madam aldaar op deze wijze op de bank aantreffen:

[ foto niet geschikt voor publicatie op deze stek ]

En u?


[ Foto’s: Menck ]