De Koektrommel: mijn jonge ouwe

De blogchallenge voor 2017, De Koektrommel, werd gelanceerd door Thomas Pannenkoek. Ik geef er met graagte nog eens gevolg aan.


Na heel lang zoeken vond ik, in een piepkleine muziekzaak, eindelijk de LP waar ik al tijden naar op zoek was: ‘Take me back’ van The Remo Trio:

De gelijknamige single had ik al een poos in mijn bezit, een uptempo rock-’n-rollnummer uit het begin van de sixties:

Kent u de groep?
Nee?
Nou, ik ook niet. Wegens onbestaande.
Rechts op de foto bemerkt u namelijk mijn vader in zijn veel jongere jaren. Draai Remo om en je weet meteen hoe hij heet. Ja, ik ben wel tuk op een lolligheidje zo nu en dan.
De andere twee heren op de foto ken ik niet. Straks eens vragen aan mijn ouwe, want dergelijke nostalgische foto’s dragen beslist mijn interesse weg.

Laat me u nóg een exemplaar serveren:

Dit is de oudste foto van mijn vader in mijn bezit. Hij moet hier een jaar of vier zijn geweest, schat ik. Inderdaad, ik heb het over die bedeesd kijkende blonde uk. Vermoedelijke datum van opname: 1937.
Achter mijn vader staat zijn moeder, wijlen mijn grootmoeder. Rechts staat haar zus en links op de foto treft u niet de lokale champetter doch wel de postbode. Het vestimentaire modebeeld kon zo uit een album van Kuifje komen, water-in-de-kelder-broek incluis.

In het begin van de zestiger jaren is mijn pa lang ziek geweest. TBC. Frons vooral de wenkbrauwen niet, want in die tijd was dat nog een aandoening van zéér ernstige aard waar tal van mensen aan stierven. ‘Een gat in de longen’, luidde toen het angstaanjagende verdict.
Mijn vader verbleef dientengevolge elf (!) volle maanden in het sanatorium te Sijsele. Als ik me niet vergis, is daar thans een rusthuis gevestigd.


[ Pa staat uiterst links op de foto. ]

Naast hem op de kamer lag een vrolijke Frans die alras mijn vaders beste vriend werd. Die vriend had ook een zus die regelmatig op bezoek kwam. Mijn vader keek in haar ogen en zij in de zijne et voilà: het was koekenbak.
Ziehier hoe mijn moeder ten tonele kwam. Of waar TBC al niet toe leiden kan.

Na elf maanden mochten mijn vader en zijn kompanen het sanatorium verlaten. Ze waren officieel genezen verklaard “met kans op een honderdjarig leven”. Dat heuglijke nieuws werd in de tuin van het ziekenhuis middels een foto voor het nageslacht vastgelegd. En zoals dat ging in de sixties: daar hoorde, o bittere ironie, steevast een saffie bij:

Kwam daarna op mijn pa’s pad: de obligate legerdienst:

Het gepofte pak heeft hij welgeteld drie dagen gedragen. Wegens voormalig TBC-lijder werd hij afgekeurd in Het Klein Kasteeltje. Deze heden schier vergeten Brusselse kazerne deed toentertijd dienst als plaats waar alle Belgen met dienstplicht een eerste onderzoek ondergingen (de zogenaamde ‘drie dagen’, later werd dit slechts één dag).
Voor zijn schoonbroer in spe was echter minder geluk weggelegd: hij moest wél onder de wapens. Hier ziet u hem de dag voor hij naar zijn legereenheid afreisde, volle kitzak incluis:

Diens lief, heden mijn tante, leek niet bepaald te malen over zijn vertrek. Integendeel: er moest zowaar op gedronken worden!

Ach, les neiges d’antan. Door dergelijke ouwe foto’s geniet ik er mateloos van, ook al zou ik voor geen geld ter wereld in die jaren mijn jeugd hebben willen slijten.

Advertenties

Pipi non chichi

Sowieso begeef ik me al niet graag in mijn werkkloffie door het statige en immer drukke Brugge met zijn hordes chique toeristen en bon ton shoppers, maar die dag al zeker niet: ik moest plassen.
Nochtans zou zulks makkelijk kunnen zijn: ik duw een winkeldeur open, vraag aan de eerste de beste verkoopster waar de toiletten zich bevinden en klaar is Kees. Doch u moest mij zien: schoenen onder de modder, een broek die een kleurrijk floraal vegenpalet vertoonde en handen die deden denken aan grauwe kolenschoppen. Stap daar maar eens de Hunkemöller of L’Héroïne mee binnen.

Het was de schuld van de aanhoudende motregen. Op de duur kreeg ik het koud. En dan moet ik steevast plassen. Deze kleine behoefte zou ik hebben kunnen geëxecuteerd in het binnentuintje waar ik aan het werk was, maar de eigenaars – een zwijgzaam ouder koppel met norse blikken – waren alomtegenwoordig. Snel even mijn flieter richting hun taxushaag dirigeren zat er zodoende niet in.
En dus hield ik mijn plas op. Tot ik, met welhaast toegeknepen dijen, rond een uur of zes afscheid nam van mijn opdrachtgevers. Ik liet mijn bestelwagen voor wat hij was en spurtte richting het vlakbij gelegen ‘Het Zilverpand’. Voor de onwetende lezer: dat is een soortement van veredelde winkelgalerij die een vrij ruim binnenplein omsluit alwaar zich bankjes en – niet geheel onbelangrijk in mijn situatie – ook wat bomen bevinden. De schemering trad in en niemand zou een eenzame wildplasser opmerken.
Doch wat schetst mijn verbazing op het moment dat ik dat bewuste binnenplein betrad: er is zowaar een urinoir aangebracht! Misschien staat het er al langer en heb ik er nooit op gelet, maar thans sprong dat ding in mijn oog als een genster uit een slijpschijf. Met mijn linkerhand mijn gulp reeds openritsend, spurtte ik op het grasgroengekleurde pissoir af waarin ik vervolgens de lekkerste pipi in tijden deed.
Achter me hoorde ik een late wandelaar ostentatief kuchen. Toen ik me omdraaide, mijn broek alweer netjes dicht, zag ik hoe hij met een afkeurende blik meewarig het hoofd schudde.
‘Wát?’ gebaarde ik woordeloos en met beide handpalmen hemelwaarts gericht terwijl ik mijn schouders optrok.
Hij wendde zijn hoofd af en zette zijn avondwandeling op een drafje verder.

Pas toen ik in mijn bestelwagen zat en de verwarming een tandje hoger schakelde, realiseerde ik me dat dit curieus vormgegeven urinoir wel érg open en bloot het binnenplein ontsiert; het staat er zowaar te midden in zonder enige vorm van afscherming. Iets meer privacy ware in dezen toch wenselijk geweest.
Dat het kleinood bovendien compleet verstopt zat, waardoor mijn okergele blaasvocht licht dampend bleef staan in de bowlvormige plasbak, wees op een duidelijk gebrek aan regelmatig onderhoud der stadsdiensten. Geen fijn gegeven voor de urinerende medemens die na mij komt, me dunkt. En bovendien: van een op vrouwen-met-volle-blaas ontworpen evenknie was er niet eens een spoor te bekennen.

Dikke veeg uit de (pis)pan, Brugge!


[ Foto: Menck ]

Na die avond op de merknaam te hebben gegoogeld: oeps!

Rookstop: de pro’s en contra’s

Over twee weken is het acht maanden geleden dat ik nog een sigaret heb aangeraakt. Als ik u vertel dat ik zulks presteer na vijfendertig jaar een zware roker te zijn geweest, dan zal enige plaatsvervangende trots u voorzeker bekruipen.

Of ik me nu beter voel, is de vaakst gestelde vraag.
In zekere zin wel en toch ook weer niet.
Ik voel me beter omdat ik niet meer afhankelijk ben van al dat rookgedoe. Waar is mijn aansteker? Heb ik nog voldoende saffies voor vanavond? Is die asbak nu alweer vol? Wanneer gaat de sigarettenwinkel open? Dat soort gedoe, dus. En niet te vergeten de geur die echt o-ver-al infiltreerde. Mijn bureel – zolang ik rookte de enige plek in huis waar ik dat in volle vrijheid mocht executeren – is al acht maanden geen stinkhol meer, mijn klavier – heden een nieuw exemplaar – is verlost van zijn functie als askegelvanger, mijn kleren verspreiden thans het aroma van wasverzachter en frisse buitenlucht en mijn adem ruikt niet langer naar uitgedrukte peuken. “Alsof ik met een asbak zoen”, mopperde mijn madam wel eens. Geheel terecht, besef ik nu.
Ook vermeldenswaardig is het geheel wegvallen van mijn eeuwige gehoest. Dat begon bij het uit bed kruipen, was de eerste twee à drie uren van de dag ronduit dramatisch te noemen en manifesteerde zich verder bij de minste inspanning die ik deed. Op het laatst rochelde ik welhaast stukjes long op. Vooral dat heeft me doen besluiten om te stoppen met roken.

Maar eerlijk? That’s it.
Want nee, ik heb niet méér smaak en nee, ik heb niet méér adem en nogmaals nee, mijn conditie en uithoudingsvermogen gingen er voor geen millimeter op vooruit. Eerder integendeel, want door te stoppen met roken ben ik acht kilo zwaarder geworden. Yep, u leest het goed. Dat staat gelijk aan elke rookvrije maand een volledige kilo bijkomen. Zulks impliceert dat ik thans al hijg als ik nog maar naar de trap kijk die ik moet oplopen.
Dat die kilo’s er weer afgaan, verzekerde mijn huisarts me. Dat dat allemaal dikke larie is, gaan enkele mijner kennissen die stopten met roken daartegenin. Dat ik het allemaal niet meer weet, besluit ik. Maar beweren dat ik me op heden bon in mijn vel voel, staat gelijk aan een grove leugen.

En verder is er dat continue op de achtergrond sluimerende gemis. Want roken is, in weerwil van wat overwegend door niet-rokers wordt beweerd, echt wel heerlijk. Mocht het zo ongezond niet zijn, ik zou het eenieder aanraden.

Of ik nu blij ben dat ik al schier acht maanden niet meer rook? Toch wel. Om de hierboven aangehaalde provenu’s. Om het geld dat ik er mee uitspaar – 225 (!) euro per maand, alstublieft – en omwille van de stigmatisering aan dewelke rokers hoe langer hoe meer ten prooi vallen.
Doch gelukkiger ben ik er allerminst door geworden. Als ik in de spiegel en middels de weegschaal bemerk tot welke vleesklomp ik ben verworden, kan ik wel janken. Echt.
Stoppen met roken kan ernstige schade toebrengen aan uw zelfbeeld. Dat al die EU-regelneven dat ook maar eens op elk pakje sigaretten zwieren.

Kaas come a casa

“Als hoofdmaaltijd wordt er driehonderddertig gram kaas per persoon voorgeschreven. Kijk maar, het staat letterlijk op de site.”
“Driehonderddertig gram? Is dat niet wat van het goede teveel?” twijfelde mijn madam.
“Ik geef slechts mee wat door de speciaalzaak wordt geadviseerd, een kaasdeskundige ben ik niet. Maar ik zou er toch maar voor gaan. Stel je voor dat we er niet in slagen alle hongerige magen te vullen; ik mag er niet aan denken.”

Afgelopen zaterdag organiseerden we een kaasavond voor acht personen – mijn madam en ik incluis. Daartoe haalden we exact 2,64 kilogram kaas in huis, verdeeld over twaalf qua smaak en afkomst erg uiteenlopende kwaliteitshompen. We serveerden tevens verschillende soorten brood, fruit en vruchtenjam.
Na afloop van deze bourgondische avond bleven we achter met meer dan de helft van de kaas. De zachte kazen waren ondertussen tot een soort kleverige smurrie verworden en vulden de woonkamer met bijzonder rijke geuren.
Wij houden het erop dat we voorafgaand aan de eigenlijke maaltijd waarschijnlijk te veel aperitiefhapjes hebben geserveerd.

Soit.

Toch nog even een leukigheidje meegeven dat deze calorierijke avond inluidde.
De kazen wilde ik namelijk à la façon de Menck presenteren. Niet op een ordinaire schaal of zo’n dertien-in-een-dozijn-kaasplank, dus.
Mijn aanpak daartoe was en is even simpel als doeltreffend:

  1. Zaag een boom om. Een overjaarse berk, bijvoorbeeld. Wegens de decoratieve schors.
  2. Haal uit diens stam, middels de kettingzaag, de benodigde aantallen tweeënhalve centimeter dikke houtschijven. Ik hield het op twee stuks:
    .

    .
  3. Schuur één kant van elke houtschijf zo vlak mogelijk:
    .

    .
  4. Rep u naar uw plaatselijke doe-het-zelfzaak en koop er de kleinste zwenkbare wieltjes verkrijgbaar. Voorzie vier stuks per houtschijf:
    .

    .
  5. Rep u nogmaals naar uw plaatselijke doe-het-zelfzaak en schaf u aldaar een voldoende grote doorzichtige plexiplaat aan van zowat een millimeter dikte. Knip er de omvang uwer houtschijven uit. Zulks lukt prima met een gewone keukenschaar. Plaats de alzo bekomen cirkelvormen op het geschuurde oppervlak. Op de wieltjes zou behoorlijk belachelijk zijn.
    .

    .
  6. Ziedaar uw geheel draai- en verplaatsbare, uitermate natuurlijk ogende kaasdienblad(en). Uw gasten hoeven zich niet langer uit hun stoel te lichten én de armen vruchteloos te strekken teneinde een stukje kaas te kunnen aansnijden dat zich op het verste randje van het kaasblad bevindt. Een simpele draaibeweging volstaat om de gewenste kaassoort in hun richting te dirigeren.
    .

    .

Volgende keer: hoe ik een fonduestel vervaardig uit twee afgedankte rollators en een Duitse legerhelm.


[ Foto’s: Menck ]

Mid-oktober: Indian Summer!


Zomereik (Quercus robur)


Voorgrond: Schijnacacia (Robinia pseudoacacia)


Prachtriet (Miscanthus x giganteus)


Fluweelboom (Rhus typhina)


Duivelswandelstok (Aralia elata)


Sierappel (Malus ‘Red Sentinel’)


Japanse esdoorn (Acer palmatum)


De rozen hebben nog niks aan kracht/pracht ingeboet.


Afrikaantjes (Tagetes patula).
Na de bloei worden ze ingeploegd om de aaltjes te vernietigen die rozen aantasten via de wortel. Volgend jaar staat dit veld zodoende vol rozensoorten voor de verkoop.


Even over zeven: ‘k heb de zon zien zakken in het bos.


[ Foto’s: Menck ]

Om bestwil

De dame naast me knoopte een gesprek aan, hoewel ik niet het minste teken had gegeven dat ik openstond voor een dialoog. Meer nog: ik was in een roman verdiept die de veelzeggende titel ‘Fuck off’ droeg en dateerde uit 1988 toen de auteur, Paul Speck, op het hoogtepunt zijner schrijverij verkeerde.
“Warm hier, vindt u niet?”
Ze was hooguit zestig, had een niet onaardig paar ogen maar was verder zo verrimpeld als de pest. Haar dofgele tanden verraadden dat ze rookte, evenals de geur van haar adem en het pakje sigaretten dat ik ontwaarde in haar openstaande handtas.
“Wilt u dat ik de deur een poosje openzet?”, opperde ik.
“Hoeft heus niet. Ik zit nu al zwaar met de bronsgieters.”
Ik blikte haar een stond in vertwijfeling aan. “Eh, u zegt?”
“De bronsgieters. Hoesten, piepen en fluiten dat het geen naam meer heeft. Ik slaap er geeneens meer van. Mijn man wordt horendol van mijn lawaai en mijn gewoel.”
“Ah, u bedoelt bronchitis?” Ik grinnikte kortstondig.
“Ja, dat zei de dokter vorige keer ook al. Erg vervelend, meneer.” Waarna ze, als een soort van adstruerende demonstratie, een rochel ten beste gaf waardoor de ganse wachtzaal prompt naar haar keek wijl de fluimen in het rond vlogen.
“Goh, u blijft er bijna in”, gaf ik haar geheel onnodig mee nadat ze fiks reutelend naar adem had gehapt. “Dat klinkt alleszins niet goed.” Mensen opbeuren is een vak apart, flitste het door mijn harses.
“Dat wordt een rondje heftige antibiotica”, hijgde ze, ondertussen een gifgroene zakdoek uit haar handtas opvissend. Hoe langer ik me met haar ophield, hoe zieker ik me voelde worden. Enige hypochondrie is me niet vreemd, het moet gezegd.
“En u, meneer?”
“Ik?”
“Ja, wat is de reden dat u in deze wachtzaal verzeild bent geraakt?” Ze snoof nog even na en propte vervolgens haar zakdoek in haar mouw.
“Een vergevorderde bacteriële infectie.” Ik sprak de woorden traag en enigszins zwaarwichtig uit. “Bijzonder pijnlijk. En érg besmettelijk bovendien.”
“Oh, het spijt me dat te vernemen. Enfin, ik wens u succes bij de dokter.” Waarna ze opstond, zonder te kijken een roddelblaadje van het boekentafeltje plukte en zich vervolgens drie stoelen verder neerzette.

Ik nam mijn roman weer ter hand en haakte in daar waar ik gebleven was. Een mens bezorgt zichzelf een boel ellende door zo graag aardig gevonden te willen worden, gaf de auteur me op pagina tweeënvijftig mee.
Ik kon alleen maar instemmend knikken.

Amaïs nog niet (*)

Als jongeling, toen ik nog uitermate knap, bijzonder viriel, heel erg single, compleet onvermoeibaar en ten zeerste potig was, ging ik verschillende keren aan de slag bij een loonwerker tijdens de maïsoogstseizoenen om wat bij te verdienen. Een rijbewijs G was – en is nog steeds voor wie geboren is vóór 1982 – geen verplichting als meerderjarige. Zodoende mocht ik elk landbouwvoertuig tot een maximumgewicht van 44 ton besturen.
Ik kreeg ieder seizoen weer de grasgroene hakselaar toegewezen, een luidruchtige en enigszins aftandse John Deere.

De taakomschrijving was even kort als efficiënt: slaap weinig en werk veel. Een dag- en nachttaak naeen tot een goed einde brengen, was geen uitzondering. We hielden ons wakker met sterke koffie, zware shag en tonnen camaraderie. Want het moet gezegd: de groep waarmee ik van maïsveld naar maïsveld trok, was zulk een toffe bende dat ze voorgoed in mijn geheugen gegrift staat.

Deze week heb ik al meermaals teruggedacht aan dat avontuurlijke verleden, aan het goddelijke gevoel van vrijheid dat ik toen had, het niet aflatende gekscheren met elkaar en het besturen van zo’n machtige machine waarmee je immer op je hoede moest zijn en waar je toentertijd, zelfs met gehoorbescherming, potdoof van werd. Het maïsseizoen is immers weer volop aan de gang.
Als je, zoals ik, op het platteland woont, is het dezer dagen onmogelijk om je van a naar b te verplaatsen zonder minstens één mastodont van een tractor met zwaarbeladen pulpaanhanger tegen te komen. Op tal van velden ontwaar je reusachtige, hoogwielige monsters met blikkerende tanden die heelder rijen maïskolven zonder versagen naar binnen slokken. Ik word gedurig teruggekatapulteerd naar mijn eighties.

Vandaar ook dat onderstaande video me zo boeit. En al duurt deze opname de volle achtentwintig minuten, toch heb ik ze in één ruk uitgekeken. Meer nog: mijn ogen waren als het ware aan het scherm gebrand omwille van zoveel schoons.
Ach, kon ik nog maar één keertje zo’n wild beest berijden.

Alvorens u de PLAY-toets beroert: this is a man’s world. Al zijn sommige vrouwen er evenmin vies van, het moet gezegd.

 


(*) Refererend aan de Vlaamse uitdrukking ‘Amai nog niet’ –> Het zal wel zijn.