De alpacadegeneratie

Mijn kindertijd was weinig benijdenswaardig. Terwijl het gros van mijn klasgenootjes thuis een tv had, sommigen zelfs al een heuse kleurenbak, hadden mijn ouders slechts een antenne op hun dak laten plaatsen. Dat stakige mastje wekte bij de goegemeente de schijn dat ook wij tv-kijkers waren, terwijl er heelder avonden niks anders werd uitgespookt dan patatten jassen, wortelen kuisen en wortelpuree maken. Uit arren moede had mijn moeder namelijk een bijbaantje aangenomen als proefkonijn in een wortelkwekerij. Elke avond kwam ze vol oranje vlekken thuis en viel ze, uitgeput door de alom gevreesde chronische peendiarree, languit op de bank neer. Dat dit toch zo niet langer kon, jammerde ze daarbij telkens.

Ik was beschaamd om vriendjes uit te nodigen. Die zouden ontdekken dat we dan tóch geen tv hadden en dat mijn moeders moegetergde rectum regelmatig ranzig kon rochelen. En alzo werd ik te langen leste verstoten door mijn klasgenoten waardoor ik het op een zuipen ben beginnen te zetten.
Kinderalcoholisme was in die tijd nog lang geen gemeengoed. De leraren wisten dientengevolge niet wat met mij aan te vangen als ik voor de zoveelste keer straalbezopen en luid lallend het klaslokaal binnenstrompelde. Me naar de directeur verwijzen was uit den boze omdat dit heerschap zelf als een notoir alcoholicus te boek stond. Vandaar dat het hen maar het verstandigst leek om me mijn roes te laten uitslapen op mijn lessenaar.
Mijn alcoholisme werd op den duur echter zo’n probleem dat ik uit ergernis gestopt ben met drinken. Van de weeromstuit stopte ik tevens met rijkswachters uitkafferen, mieren in brand steken en brievenbussen vol plassen. Ik besloot mijn leven te beteren en begon shag te roken. Dat durfden slechts twee leerlingen uit mijn klas, stiekem dan nog wel, de schijters. Later kwam ik te weten dat ook zij geen tv doch slechts een antenne hadden thuis en dat hun beider moeders eveneens als proefkonijn werkten in de plaatselijke wortelkwekerij.

Aan deze weinig kleurrijke omstandigheden kwam enige beterschap toen mijn vader zijn luizenbaantje liet voor wat het was en alpaca’s begon te kweken en te verkopen aan de zoo van Antwerpen. Later werd ook de Olmense zoo en Karels Kinderboerderij klant. Het was vanaf dan dat mijn ouwelui zich een zwart-wittelevisietoestel konden veroorloven. Een auto was echter nog veel te hoog gegrepen, temeer daar aan het levenswerk van mijn vader al na onverhoopt korte tijd een einde kwam doordat de vraag naar alpaca’s plots compleet stagneerde.

Mijn vader besloot zich aan te sluiten bij een rebelse en mede door het vele stelen geheel zelfbedruipende motorbende, wijl mijn moeder zich bekeerde tot de Orde der Nymfomania’s. Beiden werden ze alzo op een drafje rijk, hetgeen hun huwelijk nieuw leven inblies. Pas toen er, naast de Harley van pa en de Solex van ma, ook een nagelnieuwe Peugeot 304 Cabriolet stond geparkeerd op onze oprit, durfde ik voor het eerst klasmaatjes uit te nodigen. Ik doneerde ze warme chocomelk on the rocks en colalolly’s, ze waren ondersteboven van mijn vaders ruige avonturen en mijn moeders ruige avonduren, en voor ik het goed en wel besefte werd ik gebombardeerd tot the leader van de klas. Yes!

Ondertussen zijn we ruim veertig jaar verder en leef ik een gans ander leven dan in mijn jonge jaren, mede ook omdat ik nu getrouwd ben en toentertijd nog niet.
Bij mijn vader echter speelt dat rebelse kantje zo nu en dan toch nog ’s op, zeker na het overlijden van ma. Dan dagdroomt hij van een moto tussen zijn benen in plaats van een volwassenenluier en steekt hij in de beslotenheid van zijn woonkamer uitdagend zijn middelvinger op naar al wie of wat hem niet zint.
Het is hem gegund, de held.

 

Mag ik dan nu mijn jas terug, pa?

[ Foto: © Menck ]

Advertenties

Galgenmaal

Aan de driftloos grijze dag begon zich pluis van schemer te hechten. Ik tuurde uit het raam, gefascineerd door het enthousiaste spel van de tuinvogels.
Divers pluimage deed zich te goed aan de overvloed die het winterrestaurant hen bood, een zelfbediening die door ons halfwekelijks wordt bijgevuld. Mezen scheerden door de lucht als werden ze door golfjes voortgestuwd, gestadig op en neer. Op de vetbollen kwinkeleerden vinken hun laatste hits van het etmaal tussen het driftig pikken door, allerminst geïmponeerd door een wild gesticulerend roodborstje dat met een zekere agressie de beste plaats opeiste.
Een plompe houtduif maakte een buiklanding in de winterborder als ware ze een aftandse Boeing die amechtig het tarmac aantikte. Alles wat de kleintjes van de hoog opgehangen graansilo’s lieten vallen, verdween in haar keel. In mijn hoofd nummerde ik elk kliekje dat ze naar binnen schrokte. Iets voorbij de tweehonderdvijftig raakte ik de tel kwijt, afgeleid door een groenling die gracieus op de betonnen voedselpaal neerstreek teneinde daar wat sneeuw te happen. Want ons restaurant serveerde die dag geen drank. Overmacht door vorst.

Idyllisch, hè?
Helaas stopt het hier.
Want wat ik nooit eerder mocht aanschouwen, werd me ineens vol voor de ogen gegooid: een sperwer op rooftocht. Een bloeddorstig mannetje. Hij kwam als een weerlicht uit het zwerk geschoten en stortte zich meedogenloos op de nietsvermoedende groenling.
Wat volgde, voltrok zich in een flits. De klauwen van de sperwer boorden zich diep in zijn gillende prooi. Oké, oké, een groenling kan niet gillen, maar zijn doodskreet klonk me in ieder geval wel zo in de oren. Meteen daarop werd de genadeslag toegediend middels een draaiende knauw van de vermetele haaksnavel in de strot van zijn zieltogende slachtoffer.
Een fijn straaltje opspuitend bloed viel in dieprode druppels uiteen op de smetteloze sneeuw. Het was prachtig en barbaars tegelijk.

Mijn madam vond het tafereel van een grenzeloze wreedheid getuigen en tikte met haar ring op het raam. De sperwer keek op, priemde zijn felle ogen een wijl in de onze en zette vervolgens zijn maaltijd verder. Wij waren ramptoeristen en hij duldde onze nabijheid.
Vanuit de losse pols nam ik een tiental foto’s. Van het minutieus pluimen van zijn prooi over het openrukken van diens strot tot het naar binnen schrokken van de darmen. De ganse opvoering nam uiteindelijk een kleine drie kwartier in beslag.

Niets zo overweldigend als de natuur doch ook niets zo meedogenloos. In het rijk der dieren is het steevast eten en gegeten worden.
We kijken er al lang niet meer van op als een onzer katten weer maar eens een muis verschalkt of een vogel te snel af is. Maar als een sperwer plots een groenling de dood injaagt, stokt ons hart. Dat van Katrien uit verontwaardiging en dat van mij uit ontzag. Ieder diertje zijn pleziertje, quoi.

 

[ Foto’s: © Menck | aanklikbaar voor groter ]

Koud, hè?

Dat het verdómde koud is, zeg ik u. Toen ik vanmorgen mijn dieselgestookte bestelwagen wilde starten na eerst zorgvuldig alle ijs van de ruiten te hebben gekrabd, klonk de motor zo’n beetje als de Kazachstaanse nieuwslezer hieronder:

Қандай тамаша, музыкалық тіл!

Haar klei(n) geluk

Na een pauze van ruim twintig (!) jaar, is madam Menck weer aan het bakken geslagen. Anders dan u denkt, situeert dat bakken zich niet in de keuken doch wel in een ruim en lichtrijk pottenbakkersatelier in de schone Brugse binnenstad. Al ben ik ondertussen wel een paar keer ingefluisterd en bestookt met niet mis te verstane hints dat ze maar wát graag haar eigen kleine hobbyruimte zou willen betrekken. “Onze zolder is zo groot en is slechts stof aan het vergaren”, luidt het dan.
2019 wordt nog eens een druk jaar, zeg ik u.

Naast verf op doek gebruikt mijn madam nu dus ook weer klei om haar ideeën beeldend vorm te geven. Klei is zacht, kneedbaar, amorf, flexibel en vormbaar en wordt na het bakproces hard en ongenaakbaar. Maar ook kwetsbaar en fragiel of stoer en krachtig, robuust en aards.
In haar hart schuilt de ware pottenbakker die zweert bij de gebruiksfunctie, een traditie die sinds oudsher in stand wordt gehouden. Zij vervaardigt dientengevolge geen kunst; de ambachtelijkheid staat hoog in het vaandel. Kennis van materialen, technieken en gereedschappen is noodzakelijk om datgene te bereiken wat ze wil.
Als keramiste wil ze het gehele proces, van de zachte klei tot het versteende object, in eigen hand houden en niet zelden de grenzen van het materiaal kennen en tarten.

2019 is amper zeventien dagen oud, maar de oogst is nu al behoorlijk groot. Weet echter dat wat u onderaan dit logje treft, een werk van lange adem – lees: talloze processen – is. Zodoende werd met deze keramische schnabbel vorig jaar reeds een aanvang genomen.

Alle voorwerpen die ze creëert – en vroeger reeds vervaardigde – worden te onzent ook daadwerkelijk gebruikt. Kommen dienen om soep, thee en koffie in te doen, in de vazen en potten pronken geregeld bloemen en planten, en ons dagelijks servies, inclusief een stel robuuste spaghettikommen, is ooit aan haar draaischijf ontsproten.
Geregeld wordt iets uit de met tal van vormen en kleuren beladen etagère genomen om aan te wenden. Na gebruik vliegt het, zonder de minste gevolgen, de vaatwasser in om daarna weer te worden uitgestald. Geen centje pijn, kortom.

Mocht u, na het doornemen van dit logje, zin hebben gekregen om óók aan de slag te gaan, stuur me dan gerust een mail met al uw besognes. U vindt mijn – nieuw – e-mailadres bovenaan deze blog onder de zwarte knop ‘CONTACT‘.

 

[ Foto’s: © Menck ]

Meer van Katriens creaties vindt u
HIER.

#10YearChallenge

Als diverse celebrity’s zich al wagen aan deze nieuwe trend op sociale media, dan belet niets mij om mee op de kar te springen.
Het concept is erg eenvoudig: zoek een foto van uzelf van tien jaar geleden en plaats die naast een huidig exemplaar. Om dan te concluderen dat er soms heel weinig – of net veel – is veranderd.

Ik diepte mijn fotoarchieven van een decennium geleden op, pikte er twee redelijk kwalitatieve foto’s uit en liet me vervolgens fotograferen door madam Menck teneinde u een recente foto te kunnen voorschotelen.

Aan u om te concluderen of er al dan niet veel is veranderd.

 

10 jaar geleden:

Heden:

___________________
#10YearChallenge

De nervositeit voorbij

Mocht u het zich al afvragen: ik heb de feestdagen manhaftig overleefd, dank u. In onze kringen staan ze, naar aloude traditie, voor vier keer tafelen: kerstavond, kerst, oudjaar en nieuw. En tussenin wordt er ook al eens bij een buur, een collega of een kennis binnengewipt voor een natje en/of een droogje en de bijhorende beste wensen en kleffe zoenen.
Om kort te gaan: ik heb het weer gehád voor een jaar. Teveel drank, teveel vette spijs, teveel kussen, teveel oude moppen en steevast te laat in bed.

Wonder boven wonder is er na al dat feestgedruis geen gram bijgekomen, zo meldde me mijn weegschaal toen ik ze eerder deze week blode besteeg. Het zullen de zenuwen zijn geweest, vermoed ik, want ik kan in ieder geval niet worden beticht er alle calorieën eventjes snel te hebben afgesport. Ik bespaar mijn kathedraal van een lichaam die vrijwillige marteling met graagte.

Dat ik gewag maak van nervositeit tijdens dagen die bol zouden moeten staan van de ontspanning, zal u wellicht bevreemdend toeschijnen. Doch als ik merk dat tante Hildegonde, na het lichten heurer derrière, ook dit jaar weer verantwoordelijk was voor het achterlaten van een okergele urinevlek op een onzer witte simililederen stoelen, dan heb ik veel goesting om dat immer lekkende mens in plasticfolie te wikkelen en terug te sturen naar afzender.
Toen ze zich vervolgens, volgevreten en gedraineerd, wou neerploffen in de bank, was ik haar gelukkig voor. Onder het voorwendsel dat zoveel zachts haar zitgemak ten zeerste zou bevorderen, drapeerde ik alras een vierdubbelgevouwen strandlaken onder ’s vrouws kont. Hulde aan de eerste die haar eindelijk eens een cadeaubon van Pampers offreert als kerstgeschenk. En nee, dat durf zelfs ík niet.

Nonkel Hugo, zesenzeventig gure winters oud, had, toen 2018 zijn laatste stuiptrekkingen beleefde, de weledele taak op zich genomen om, evenzeer naar aloude traditie, de Druivelaar uit het hoofd te leren en die met de regelmaat van een klok ook nog ’s te debiteren. Tot ieders vermaak, leek het wel, behalve dan het mijne. Ik weet niet of u de Druivelaar kent, maar de moppen op de ommezijde van elk kalenderblaadje zijn van een niveau om u tegen te zeggen. Thans ziet u wellicht de ironie van uw scherm druipen. Enfin, ik mag het toch hopen.
De brave man schept er bovendien een heimelijk genoegen in zich bij elke opdissing in mijn richting te draaien als ware ik de eregast in zijn publiek. Ik verzeker u: daarbij iedere keer weer een geforceerde lach uit mijn keel moeten sleuren, heeft mijn leven danig verkort. Ik was dan ook effenaf opgelucht dat ik eerder deze week alsnog mijn tweeënvijftigste verjaardag mocht meemaken.

Waar ik ook zo van baal? Van zoenen. Ik ben hoegenaamd geen zoenmens. Laat voor mijn part al die kussen maar achterwege en hou het bij een hand. Een stevige handdruk prefereer ik ver boven een mondafdruk, zelfs als de tegenpartij van het andere geslacht is. Toen tante Hildegonde zich aanbood, kreeg ik gelukkig ineens een bloedneus. Was mijn avond toch nog een beetje gered, zeg.

Voor de genodigden van volgend jaar heb ik, op de valreep van dit schrijven, nog één goede raad: laat uw huisdieren thuis. Of denkt u werkelijk dat iedereen gediend is van twee enkelhoge keffers die zich de godganse avond continue tegen je been aanschurken? Het jeukt nóg, zeg ik u.

Doch laat ik afsluiten met voorname, welgemanierde mensen die mij hun zoenen gelukkig slechts virtueel kunnen toesturen: mijn lezersschare. Ik wens u allen twaalf maanden van goede gezondheid, tweeënvijftig weken boordevol geluk en driehonderdvijfenzestig kommerloze dagen.

Cheers!

[ Foto: © Menck ]