Categorie: De hovenier

In de kiem ontloken

Weet u wat er groeide in mijn allereerste tuin?
Een hosta, een geitenbaard (Aruncus dioicus) en twee overmaatse zonnebloemen.

Ik was als een kind zo blij. Meer zelfs: ik wás nog een kind. Zes prille lentes en al een eigen tuintje, met dank aan papa – en diens grote spade – die een vierkante meter gazon voor me had opgeofferd.
De zonnebloempitten werden, mits wat herderlijke aanwijzingen, eigenhandig in de rulle aarde gepropt, de twee overige planten had ik gevonden op een groot braakliggend stuk grond in de straat. Papa was eventjes boos geweest omdat ik die flora nietsontziend had gerooid, want de natuur moest ik respectvol bejegenen. Daarna heeft hij ze toch maar ter aarde besteld voor me. Ik kreeg een gietertje in mijn handen geduwd met de boodschap elke dag flink water te geven “tot ze aanslaan”. Geen idee wat hij bedoelde, maar in mijn ogen stond baarlijke fascinatie te lezen.

Na drieënvijftig jaren in dit leven,
maak ik het testament op van mijn jeugd.

Want daar, die lentedag, op dat eigenste vader-zoonmoment, is mijn liefde voor tuinieren gekiemd. Dat uit twee onooglijke zaadjes zo’n kolossale bloemen konden proveniëren, was je reinste openbaring voor me. Ik zag ze bovendien elke dag met rasse schreden de hoogte inschieten. Het vervulde me met ontzag, adoratie en trots.
De geitenbaard kreeg onstuimige crèmewitte pluimen, iets wat ik nimmer had verwacht. En zelfs de geelgerande hosta tooide zich ’s zomers met kelkbloemetjes op hoge, wiegende stengels.

Ik heb dit relaas onlangs aan mijn vader gedebiteerd. Hij herinnerde het zich nauwelijks nog, maar de bewijzen zijn daarentegen onomstotelijk: anno 2020 geven de geitenbaard en de hosta nog steeds het beste van zichzelf in de ouderlijke tuin.
De zonnebloemen hebben het bewuste jaar 1973 niet overleefd, doch mijn liefde voor die giganten is gebleven.

Vandaag speelt dit floristische trio nog immer een hoofdrol in onze tuin. Hosta’s houd ik al vierentwintig jaar als terrasplanten in pot en verschillende aruncussoorten ontfermen zich over wat schaduwhoekjes. Alleen de zonnebloemen hebben aan formaat ingeboet; ik beperk me heden tot de kleinere Helianthussoorten, met de ‘Atrorubens‘ als onomwonden favoriet.


↑ Aruncus dioicus | Geitenbaard


↑ Hosta’s | hartlelies

[ Foto’s: © Menck ]

 

Gemondkapt aanmodderen

De lockdown waarin we welhaast mondiaal verzeild zijn geraakt, maakt dat ik – net als ongetwijfeld velen onder u – zo stilaan toch wat zwaar op de hand aan het worden ben. Gelukkig zijn de strohalmen waaraan ik me optrek nog steeds sterk genoeg.

Als zelfstandig hovenier kan ik dan wel reglementair aan de slag blijven, doch ook in mijn vak loert het vermaledijde virus om elke hoek. Zo draag ik tijdens het arbeiden voortaan een mondmasker om de excessieve speekseloverdracht mijner overwegend bejaarde klandizie, die in meer gevallen dan ik bevroedde nog nooit van social distancing heeft gehoord, te weren.
Dat zulk een beschermende lor wat mij betreft niet bepaald een zegen is, valt te wijten aan mijn ongerijmde gewoonte om om de haverklap mijn lippen te bevochtigen met mijn tong. Het gevolg hiervan is dat het aanvoelt alsof ik mond en neus afscherm met een iets te intens gebruikte en pas afkoelende beflap. Met de uitzonderlijk zomerse temperaturen van de afgelopen week, leek het daarenboven alsof ik gedurig aan het vapen was, terwijl het gewoon mijn eigen mondvocht betrof dat via die vunzige vod verdampte. Moge de huidige koelere week daar please verandering in brengen.

Bovenstaande paragraaf kan de indruk wekken dat ik thans weder geheel de slaaf van een overvolle agenda ben geworden, doch niets is minder waar. Er zijn namelijk nog aardig wat klanten die de aanwezigheid hunner vertrouwde hovenier dezer dagen (lees: weken) niet op prijs stellen wegens latent besmettingsgevaar. Als zij in hun kot moeten blijven, dan ik ook maar.

En dus rest er mij meer vrije tijd dan me lief is. Tijd om aan het thuisfront zowel binnen als buiten diverse klussen uit te voeren die ik anders toch maar voor me uit zou hebben geschoven.
Verven, om er maar eens eentje te noemen. Ik beheers die nobele ambacht behoorlijk, doch executeer hem node. En aangezien de eindeloos lijkende quarantaine madam Menck en ik de gelegenheid biedt wat karweien van grotere omvang aan te gaan, verfden we meteen maar de hal en alle tien deuren die er op uitkomen. Wij betrekken een bungalow, ziet u. Daarin is een lange gang met veel deuren welhaast een conditio sine qua non.
Het eindresultaat van ons kwastenspel stemt zowel Katrien als ik uiterst tevreden. Wat voorheen een massieve expositie van vage zandkleuren was, is heden verworden tot een maagdelijk witte entree. Een langgerekte witte gang met plenty witte deuren: het is toch nog eventjes wennen. Als we onze woning binnenstappen, voelt het nog steeds alsof we een ziekenhuis betreden. Straks toch maar proberen om alvast díe knop om te draaien.

Á propos, wit: die kleur heerst niet alleen binnenshuis. Ook in de tuin, waarin ik steeds meer mijn heil zoek, is er momenteel een ware sneeuwexplosie aan de gang, slechts sporadisch onderbroken door een vonkje rood. En daar heb ik foto’s van. In dit annus horribillis zijn het shots die oplichten als fel fonkelende sterren in een verder compleet duistere nacht.

De bewijzen van onze verflust schotel ik u in de loop der lockdown geheid ook nog voor. Ik heb dus nog wel even de tijd, zeg maar.

.


Ondertussen net uitgebloeid: krentenboom (Amelanchier lamarckii).

Nog volop hun pracht tentoonspreidend (sierappel- en -kerselaars):

[ Foto’s: © Menck | aanklikbaar voor groter ]

Zegt de ene boom tegen de andere

Bomen in groep communiceren met elkaar.
Dat klinkt ten zeerste onaannemelijk, en dat was ook het eerste dat bij me opkwam toen een boomchirurg me zulks een jaar of tien geleden verkondigde. Ik word in het ootje genomen, dacht ik nog. Doch de man nam zijn vak bloedernstig en stond nergens te boek als fantast.

Ondertussen weet ik dat de boomchirurg gelijk had. Bomen communiceren en interageren namelijk via een ondergronds schimmelnetwerk dat hen binnen een bepaald ecosysteem verbindt middels hun wortelgestel. Deze symbiose maakt het onder andere mogelijk dat voedingsstoffen gedeeld en verdeeld kunnen worden tussen de verschillende bomen onderling.
De grotere en oudere bomen, de moederbomen genoemd, zorgen er alzo voor dat zaailingen en jonge boompjes het halen, want de ouderlingen staan nu eenmaal in voor het voedingsbeheer van de ganse gemeenschap. Als een moederboom sterft – of wordt omgehakt – riskeren jonge boompjes in diens nabijheid het loodje te leggen.

Dat is pure larie”, opperde Gino. “Ik heb dat stupide broodjeaapverhaal ook al meegekregen.”
Gino is de mens die wel eens bijspringt als ik handen tekort kom.
“Lees erover en verrijk je kennis, beste Gino”, antwoordde ik schouderophalend. “Ik bespaar me alvast de moeite om je te overtuigen.”
Gino is een man met meningen waar hij doorgaans rotsvast van overtuigd is, ook al raken ze soms kant noch wal.
“Dus,” begon hij aarzelend, “als ik deze ouwe rakker hier omleg, dan zullen de vierentwintig anderen dat, eh,
voelen?”
“Voelen is veel gezegd. Maar de interactie via hun wortelgestel, en dan vooral via de
mycorrhiza-schimmeldraden waarin het vervlochten zit, stelt de andere bomen op de hoogte dat hun welvaren wordt verstoord.”
Ik moet wellicht als een belachelijk pedante professor hebben geklonken, want Gino keek me bepaald meesmuilend aan.
“Voor de, ahum, goede orde, Menck: als er één boom omvalt, ontstaat er een soort kortsluiting in de elektriciteit naar de andere bomen toe. Is dat het?” Hij schraapte zijn keel.
“Helemaal niet verkeerd voorgesteld, Gino.”
Prompt schoot hij in een daverende lach. Wat zeg ik: hij verslikte zich welhaast in onbedaarlijk geschater.
Weet je, Menck,” proestte hij, “vertel dit vooral niet teveel verder. De mensen zouden kunnen denken dat je… Enfin, je weet wel wattes.” Hij maakte met zijn wijsvinger een draaiende beweging tegen zijn slaap.
Hebben ze jou op school weleens een betweter genoemd, Gino?”
“Vaak, Menck. Héél vaak.” Met een krachtige ruk trok hij zijn kettingzaag in gang. “En dat kon me helemaal niets schelen”, bulderde hij over het tumult heen. Waarna hij zijn zaag resoluut tegen de stam drukte en het weldra houtpulp begon te sneeuwen.

Is de kabel aangehaakt?” riep ik naar de kraanbestuurder. Hij stak vanuit zijn cabine een duim omhoog. Ik zette mijn oorkappen op en wekte nijdig mijn trouwe Stihl tot leven.
Terwijl ik mijn eerste slachtoffer inwendig hoorde schreeuwen toen ik zijn ruwe bast openhaalde, beeldde ik me in dat de noeste en met kromme groeven dooraderde schors Gino’s rug was. Ik voelde terstond mijn hartslag dalen.

[ Foto’s: © Menck ]

 

* * *

Ruim tachtig procent van de vijfentwintig dennen in deze bostuin werd na gedegen onderzoek zwak dan wel ziek verklaard. Aangezien er reëel gevaar bestond voor ontworteling bij guur weer, werd wijselijk besloten om tot de kap over te gaan, niet in het minst omdat de woning zich middenin de dennengroep bevond.

De dennen (grove den / grenen) werden indertijd kunstmatig aangeplant als houtwinning voor de Limburgse mijnbouw. In deze ganse regio vind je nog legio overgebleven exemplaren. De meesten hebben een hoogte van rond de dertig meter en tal van omvangrijke naaldhoutzones zijn gemeentelijk beschermd op basis van uitzichtbepaling.

Uit het (hoveniers)leven gegrepen

Als hovenier betreed ik de meest uiteenlopende tuinen. Op vrijwel elk groen perceel steel ik met mijn ogen, want hoe alledaags een tuin soms ook lijkt, er valt vaker dan verwacht wel iets te ontdekken. Fijne creaties, creatieve oplossingen en charmante trouvailles leg ik met graagte op de gevoelige plaat vast, al zeker als ze vallen onder de noemer ‘goed(koop) gevonden’.

* * *

Behalve misschien in het schuurtje van opa, op – vooral Waalse en Franse – brocantemarktjes en in sommige veel te dure vintagewinkels, vindt u quasi nergens anders meer de geheel in onbruik geraakte metalen flessendroogrekken. Ze zijn zwaar, overmaats en voorbijgestreefd.

Ooit waren dergelijke rekken een zekere noodwendigheid en werden er melk-, limonade- en waterflessen op gedroogd teneinde die (verplicht!) proper te kunnen retourneren aan de plaatselijke melkboer dan wel brouwer. Heden leven we al tijden in een plasticmaatschappij en is een flessendroogrek nog slechts folklore.
Al zijn er tuiniers die een dergelijk vergeten object toch een coole nieuwe bestemming offreren:

* * *

Wat doet een kattenliefhebber wiens geliefde huisdier liever in de tuin dan binnenshuis vertoeft? Juist: een gezellig eigengemaakt buitenverblijf onder het lover voorzien voor dat beest, kekke kussentjes incluis:

* * *

Een zieke boom omleggen en de stam in moten zagen, betekent niet altijd dat er brandhout wordt gewonnen. Wat dacht u bijvoorbeeld van een geheel eigentijdse overwinteringsplaats voor egels?
Dit kunstzinnige ontwerp werd later trouwens afgewerkt met aarde, graszoden en mos. Ganz toll!

* * *

Bolacacia’s snoeien en de takken aan de composthoop toevertrouwen? Geen verkeerd idee, al kan er ook, zelfs gedurende langere tijd, eerst een tuinhoekje plattelandsromantisch mee opgeleukt worden:

* * *

Een kruiwagen die het hard te verduren krijgt, slijt en roest en wordt uiteindelijk afgeschreven. In plaats van hem dan maar meteen naar het containerpark te verwijzen, kan er evenzeer wat creatiever mee worden omgesprongen:

Bij diezelfde klant van me eten (’s winters) en drinken (’s zomers) de vogeltjes uit zijn handen:

* * *

Een wat kleinere tuin(hoek) kunt u optisch groter doen lijken door pienter gebruik te maken van een forse spiegel. Eenmaal strategisch goed geplaatst, creëert hij een immer in beweging zijnde trompe-l’oeil:

* * *

Plankresten gooi ik zelden weg. Want niks is leuker dan ze te investeren in nuttige kleinoden voor tuin en terras:

* * *

Wilt u op Moederdag vrouwlief verrassen met een weelderig en langlevend boeket zonder uw bruintje te plunderen? Vanaf volgende maand kan zulks weer volop. Een vaas gevuld met in de berm geplukt Fluitenkruid oogt ronduit feeëriek.
Of het wegnemen van Fluitenkruid langs de kant van de weg ook wettelijk te verantwoorden valt, weet ik echter niet, doch ik vergrijp me er jaarlijks meermaals aan.

* * *

Een deels vergane, lekke waterton een tweede leven geven? Met potaarde in plaats van water kan ze prima als attractieve plantenkuip dienen!

Hetzelfde geldt overigens voor zinken exemplaren:

* * *

Een aanhanger hoort bij een hovenier als bier bij een café. Maar soms, heel soms, laat dat ding het afweten en wordt het ter verzorging bij de remorquedokter gedropt. Op dergelijke momenten komt de plantrekker in mij naar boven: een bolderkarretje is dan alvast beter dan niets:

* * *

Bij één welbepaalde klant van me was het verlangen om ooit eens een ijsvogel bij zijn vijver aan te treffen een pak groter dan zijn gevoel voor goede smaak. Ach, nood breekt wet, zeg maar:

* * *

Eindigen doe ik met een foto die me tevreden en gelukkig stemt. Want als hovenier plant je meermaals een tuin aan zonder, enkele jaren later, het volwassen resultaat te mogen aanschouwen. Bij onderstaand stukje (voor)tuin kon dat wel, en bovendien vanuit de hoogte.
De foto nam ik vorig jaar in juni toen Rosa ‘Jacky’s Favorite’ (*) op haar fraaist te bewonderen viel tussen het symmetrisch opgebouwde groen van siergrassen en bolbomen.
Onstuimigheid binnen de perken: gotta love it.

[ Foto’s: © Menck | laatste foto aanklikbaar voor groter ]

____________

(*) Een creatie van Jaak ‘Jacky’ Vangampelaere, (gepensioneerd) professioneel rozenkweker, en tevens mijn schoonvader. De roos werd op mondiale schaal gecommercialiseerd wegens haar unieke eigenschappen.

Boe noch ba

We namen plaats aan een ronde glazen tafel, hij met een kloeke bel cognac en ik met een veel te slappe koffie. Op een aftands taboeretje dat in de hoek van de verder lege kamer stond, bevond zich zijn jonge bruid. Ik schatte haar begin dertig, mogelijks iets ouder. Het gros van de tijd zat ze met gebogen hoofd in haar glas water te staren als ware ze verlegen om in onze nabijheid te vertoeven.
V
orig jaar had hij haar ten huwelijk gevraagd. Ze had meteen ja gezegd, zelfs nadat hij haar had voorgesteld om definitief in België te komen wonen.
Ze liet zich, welhaast op fluistertoon, ontvallen dat ze nooit meer terug wil naar Thailand. “Belgium bettel”, besloot ze kordaat, al was van enige overtuiging in haar nederige decisie niet veel merkbaar.
Haar Engels gaat erop vooruit”, gaf haar nieuwbakken echtgenoot me enigszins meesmuilend mee. “Maar nu volgt ze ook Nederlandse les. Nietwaar schat?”
“Ies moeluk, Dutch.” Waarna ze opnieuw het hoofd boog en haar volle aandacht weer op het glas water in haar handen richtte.

Hij is een naar België uitgeweken norse Duitser van achter in de zeventig. Drie jaar geleden verloor hij zijn eerste vrouw aan de dood door sterfte wegens overlijden. Zij had erop gestaan dat hij niet single zou blijven.
Na meer dan dertig jaar verblijf in ons land, is zijn uitspraak nog steeds erg Pfaffiaans. Voor de niet-Belgen onder u: hij spreekt Nederlands met een zware Duitse tongval.
“Nog ein Kaffee, Menck?”
“Nee, dank u. Laten we terzake komen.” Ik schoof mijn kartonnen mapje dichterbij en diepte een balpen uit mijn binnenzak op.
“Gut idee. Maar ich neem da nog ein beetchen cognac bei.” Hij stond op en slofte, zijn lege glas in de hand, naar het kleine aanpalende keukentje.
Er viel thans een welhaast breekbare stilte. Zij bleef gefascineerd naar haar glas water staren, misschien wachtend tot het geheel en al verdampte, en ik bladerde geruisloos door mijn schetsen en berekeningen.

Ein kot, dus. Ein afdak, eigenluk. Für de fietsen enerzeids en für de containers anderzeids.”
Met containers bedoelde hij de plastic gft- en vuilnisbak. Onze noorderburen plegen die dingen wel eens kliko te noemen.
De constructie diende te worden opgetrokken in een onregelmatig gevormde, scherpe L-hoek van de tuin. De afmetingen werden me een paar weken geleden bij benadering doorgemaild. Voor de rest kreeg ik carte blanche, zolang het maar “Nicht zu duur” zou zijn. “Geen kostbare tand- und groefplanken, bitte. Als de rommel an das sicht van de straat onttrokken ist, ist das al lang goed voor mei. Alles klar?”

Toen de klus eenmaal achter de rug was, werd ik snel en correct vergoed. Via-via vernam ik dat meneer erg tevreden was over mijn werk. Me deze heuglijke tijding in eigen persoon meedelen, was echter teveel van het goeie. Hij is een man van weinig tot geen complimenten met een star, koud gezicht dat zich nimmer laat aflezen. Zoals het een rechtgeaarde stoïcijnse Duitser betaamt, denk ik dan.

Dit voorjaar mag ik tevens de nu nog geheel uit gazon opgetrokken tuin aanleggen. En er zelfs een tuinschuurtje construeren. Dat is me ook wat waard, natuurlijk, al had een persoonlijk compliment of een gemeende dankjewel wellicht nóg meer deugd gedaan.

* * * * *

Aanvangssituatie:

Schets van de berging vóór opmeting:

Uitvoering en afwerking:

Materialen:

  • kerngeïmpregneerd vurenhout;
  • dakbedekking: multiplex + EPDM rubberfolie;
  • vloer: verharde dolomiet.

Later nog te plaatsen:

  • goten + regenpijp

___

[ Foto’s & schetsen: © Menck ]

Make-over: stadstuintje

Een koppel middertigers met een kleuter van drie heeft een huis met een tuintje gekocht. Ze werden instant verliefd op de woning, maar de tuin – een stadstuintje van tien bij vijf meter – kon daarentegen een grondige make-over gebruiken.
En zodoende werd me een verlanglijstje onder de neus geduwd:

Bij mijn eerste bezoek kreeg ik onderstaand, eh, idyllisch plekje te zien:

U snapt meteen dat dit kleine stukje natuur allerminst de Tuin van Eden mocht worden genoemd. Volgens het koppel – en ik geloofde hen direct – kwam dat door de algehele desinteresse van de vorige eigenaars. Zij beschouwden deze achtertuin als niet meer dan een dump- en stapelplaats.
“De tuin ziet er nu alweer enigszins toonbaar uit”, gaf de vrouwelijke helft van de twee-eenheid me mee. “Toen we hier voor het eerst aankwamen, was hij bezaaid met allerhande troep die al jaren lag te wachten op een rit naar het containerpark.”

Er stond me maar één ding te doen: handen uit de mouwen, het verlanglijstje van het jonge koppel indachtig. En ja, dé doorn in mijn oog, zijnde het bouwvallige tuinschuurtje, mocht worden verwijderd.

Om niet al te veel gazonruimte in te palmen – de kleuters playground, weet u wel – construeerde ik een lange doch smalle verhoogde plantenbak. Eén uiteinde werd voorzien van een zitruimte waarop bij mooi weer vrolijk gekleurde kussens kunnen worden neergelegd. Zo’n langgerekte constructie doet de tuin optisch groter lijken, iets wat altijd mooi meegenomen is in een stadstuintje van nauwelijks vijftig vierkante meter:

De bak werd gevuld met een mengeling van goede tuinaarde, compost en bentoniet. Dat laatste is een watervasthoudende kleikorrel die al te snelle uitdroging voorkomt.
Als beplanting opteerde ik voor een mix van bloeiende vaste planten die zowel in de lente, ’s zomers als in het najaar kleur aan het geheel zouden geven:

En zoals dat gaat met vaste planten, werden ze al snel groter:

Enkel de vórm van de bak herhaalde ik tegen de garage. Daar komt nauwelijks zon zodat ik op die plek schaduwminnende vaste planten voorzag.
Hier dus geen tweede verhoogde plantenbak; zulks zou alleen maar beklemmend werken. Bovendien maakt variatie in hoogte elke tuin een pak boeiender:

Om de lelijke garagemuur relatief snel aan het oog te onttrekken, bestelde ik vier wilde wingerds ter aarde. Slechts vier, inderdaad, want never underestimate the power of a wilde wingerd, beste lezer:

Al vlug liet zich ook hier weelderigheid optekenen:

De eentonige achterkant van de tuin mocht wel wat doorbroken worden. Ik pootte aldaar twee bolcatalpa’s neer en koos voor hoogstammen. U zult verderop in dit log merken waarom:

Ook het o zo gewilde terras kreeg zijn plaats “daar waar ook ’s avonds nog volop zonlicht is”. Ik besloot om de twee bolcatalpa’s in deze zithoek te integreren.
Het terras – 5 x 3 meter – rust op palen van azobé, een hardhoutsoort van de hoogste duurzaamheidsklasse. De palen, tweeëndertig stuks in totaal, werden middels een zware voorhamer een meter diep in de grond gedreven. Onnodig te vermelden dat ik de dag daarop een hele poos geen gevoel meer had in mijn armen.
Tegen de azobépalen bevestigde ik de draaglatten van het terras. Ik opteerde hiertoe, alsook voor de uiteindelijke deklatten, voor kerngeïmpregneerd vurenhout met FSC-label dat ik immer rechtstreeks van de fabriek betrek:

Het bevestigen van de latten met talloze schroeven maakt dat een dergelijk werkje traag maar gestadig vordert:

Beide bolcatalpa’s werden ingewerkt. Een dun laagje houtsnippers onttrekt het onderliggende antiworteldoek aan het oog:

De voltooiing van de zithoek gebeurde in de volle regen, doch de ligzetel moest er per se al op:

Als u onderstaande foto vergelijkt met hoe de tuin er voor aanvang van de werken uitzag, kunt u nog slechts één iets opmerken: het gazon kan beter:

En ook daar paste ik een mouw aan, of wat dacht u!

[ Foto’s en uitvoering: Menck | Locatie: Melsele, Oost-Vlaanderen ]

Weg met de Cydalima perspectalis!

Van alles heb ik geprobeerd: bezwerende slaapliederen zingen, hun kopjes masseren met bleekwater, ze met een veertje onder de oksels kietelen, ze laten kijken naar alle programma’s waar Annemie Struyf in opdraaft en met een verschroeiende laserstraal in hun ogen schijnen. Niks hielp. Zelfs drie welhaast opeenvolgende douches met het exotisch geurende Bio-Pyretrex brachten nul zoden aan de dijk.

En aldus heb ik deze week mijn stoute (hand)schoenen aangetrokken en al die recalcitrante klootzakken verbannen naar andere oorden, hun habitat incluis. Kortom: adieu rupsen van de buxusmot. Mijn klandizie zullen jullie alvast niet meer belagen wegens eveneens adieu buxushagen.

Drastisch?
Misschien.
Doch vergis u niet. Want de – nimmer aflatende – bestrijding kost u ofwel handenvol geld ofwel eindeloos veel moeite/tijd ofwel beide. Om over de constant weerkerende ergernis nog maar te zwijgen.
Ik heb me alvast resoluut teruggetrokken uit dit gevecht tegen de bierkaai en dat ook aan mijn gewaardeerde cliënteel medegedeeld. Alras bleek dat ik hierin veelvuldig geruggesteund werd/word als ik maar met alternatieven op de proppen kan komen.
En die zijn er.
Taxus baccata, bijvoorbeeld. Of als het dan toch enigszins op buxus moet lijken: Ilex crenata of Lonicera nitida. Zelfs ligustrum is een waardige (doch bladverliezende) vervanger. Alles is heden beter dan buxus. Want wie buxus bezit, krijgt steevast de gelijknamige mot op bezoek. En die legt eitjes dat het niet mooi meer is. Eitjes waaruit erg fraai ogende doch bijzonder vraatzuchtige rupsjes komen. Zeg nú al maar dag met het handje tegen al uw moeizaam verkregen topiaryborders; vroeg of laat zit de mot erin. Sowieso.

Onderstaand toon ik u een gevalletje buxusvervanging. Het is onderhand een routineklus geworden. De klant in kwestie opteerde voor Lonicera nitida Maigrün. Voordeel: goedkoop. Nadeel: minstens twee scheerbeurten per jaar nodig. Veelal drie.
De aanvankelijke keuze viel nochtans op de veel beheerster groeiende Ilex crenata, de groenblijver die buxus vormelijk het dichtst benadert. Dat was: tot de prijs aan bod kwam. Want Ilex crenata is vooralsnog pokkeduur. Wie een aantal jaren wil/kan wachten, zal geheid de aankoopprijs zien zakken. Doch als je tuin vol rosse, dode buxus staat, wil je zoveel doffe ellende simpelweg niet nog langer aanschouwen.

Lonicera nitida Maigrün wordt doorgaans in plastic potten van anderhalve liter verkocht. Om polsontwrichtend schepwerk met een plantenschopje te vermijden, creëerde ik, middels een slijpschijf, een handig werkinstrumentje uit een conisch gevormde zinken vaas met dezelfde diameter als een dergelijke pot. De werking ervan is vergelijkbaar met die van een eenvoudige bollenplanter: tot op de gewenste diepte in de grond duwen en bovenhalen maar.

En daarna is het bijna bandwerk:

  • een reeks putjes maken;
  • putjes tot bovenaan vullen met water;
  • planten erin stoppen en aanduwen;
  • nogmaals stevig begieten…

… om straks – binnen de kortste keren, that is – het resultaat van voor de ingreep te bekomen:


(foto: juli vorig jaar)

Geef toe: a child can do the laundry, isntiet?


[ Foto’s: Menck ]

#levedelente!

De Salvia aurea ‘Kirstenbosch’ bloeit weer in onze tuin. Dit Zuid-Afrikaans curiosum is het soort plant waar je tuinbezoekers fier naar meetroont. Hij groeit uit tot een middelhoge heester met fraaie bladeren en een frappante bruinrode, welhaast koperkleurige bloei:

Vorige en deze week was en ben ik geheel en al in de ban van de lente. Ze openbaart zich dan ook bijzonder fraai dezer dagen en zorgt ervoor dat ik compleet bevlogen mijn handen uit de mouwen steek. Of dacht u dat werken onder deze schone jongen een straf was?

Even geestdriftig als kortstondig tooien ook de krentenbomen (Amelanchier lamarckii) zich met duizenden frêle bloemtrossen. Binnenkort wordt er poëtische lentesneeuw verwacht:

Niet getreurd voor wie geen of geen grote tuin bezit: in elk minituintje of op ieder balkonnetje past wel een teil gevuld met exquise voorjaarspraal of een pot boordevol feeërieke vreugdesymbooltjes:

Geel, wit en blauw voeren de hoofdtoon in de vroege lentetuin:

Wat mij betreft: ik voel me, zowel beroeps- als hobbymatig, de koning te rijk. Ik hoop van harte dat u hetzelfde voorrecht geniet.


[ Foto’s: Menck | Dit schrijfsel kadert in de Zomermodus van deze blog. ]

Zomermodus

Deze blog gaat, naar jaarlijkse traditie, in zomermodus. Concreet houdt zulks in dat:

  • er minder frequent schrijfsels zullen verschijnen;
  • de bijdragen beknopter en minder doorwrocht zullen zijn;
  • de reactiemogelijkheid soms zal worden afgezet;
  • ik uw blogs blijf volgen doch veel minder zal reageren;
  • het beroepsmatig al een ganse tijd ongelooflijk druk is en dit nog een behoorlijke periode zal aanhouden.

Wie me, om god weet welke reden ook, wil contacteren, kan dit e-mailgewijs via:

Weltschmerz, medicijnen en mijmeringen

De dag van gisteren is gestart onder een dingsig gesternte. Waar het door kwam, daar kwam het door. Een mens heeft zulks maar zelden in de hand.

Het begon die morgen al: ik raakte ineens diep ontroerd door de intense goudkleurigheid van mijn ochtendurine. Met trillende lippen prees ik mijn blaas om zoveel liquide schoonheid. Toen ik na de plas rechtstond om mijn broek op te hijsen, bereikte een uitermate miniem en warm gedruppel mijn linkerdij. Tranen, zo vermoedde ik. Al riep de plotsheid ervan evenwel verwondering bij me op.

Tijdens het ontbijt vloog er een musje tegen het keukenraam. ’t Kan ook een meesje geweest zijn. Of een winterkoninkje, ‘k wil er vanaf zijn. Het beestje was in ieder geval kleiner dan de meeuwen die hier veelvuldig rondcirkelen. Wat restte, was een bloederige smurrie waarin tal van pluimen kleefden. Ik raakte diep ontroerd door de intense goudkleurigheid van het gevederte. Er bengelden opnieuw tranen. Tranen om wat vermoedelijk dan toch een goudvink zal geweest zijn.

In de brievenbus ontwaarde ik een grote enveloppe. Ik scheurde ze open en zag vette doch zwierige gouden letters. Ik had met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tienduizend euro gewonnen. Dat zou al blijken na een eerste bestelling van tweehonderd vijftig euro. Wederom tranen. In mijn koffie dit keer. Het doet wat met een mens.

Onder dat droefgeestig gesternte stapte ik een wijl later in mijn bestelwagen. De dag stond in het teken van een nieuw aan te leggen tuin in het verre Assebroek alwaar ik allerhande opmetingen te verrichten had. Meer zat er jobgewijs niet in, want sinds vorige week is mijn rechterschouder kaduuk en is diens aanhangsel, ook wel rechterarm genoemd, vleugellam. Sturen deed ik dientengevolge met mijn linkerhand en de versnellingspook bediende ik met de rechterknie. Geen fijne manier om een werkdag aan te vatten, temeer daar ik ook koffie aan het manoeuvredrinken was.

“Alles goed?” begroette de klant me monter en opgewekt.
Dat ik zware medicatie moet nemen die heel mijn maaghuishouding verstoort, iets waartegen ik eveneens pillen slik, hield ik wijselijk voor mezelf. Dat die medicinale combinatie heeft geresulteerd in een blaasjeseczeem over gans mijn lichaam, ik dienaangaande een dermatologisch onderzoek moest ondergaan en vervolgens een antibioticum, een ontstekingsremmer en cortisonezalf werd voorgeschreven, deelde ik de brave man evenmin mee. Zelfs over de gekmakende jeuk die dit euvel veroorzaakt, hield ik mijn lippen stijf op elkaar.
En dus verkondigde ik hem met een gekunstelde glimlach: ‘Alles prima, hoor.”

Tijdens de opmetingen en het foto’s nemen, welden er drie tranen op in de linkerhoek van mijn rechteroog. Was het de snijdende noorderwind die mijn gelaat als met naalden teisterde, of werd ik dan toch geraakt door de schoonheid van het project dat me te wachten stond? In mijn hoofd maakte ik tal van calculaties: zoveel ton compost, zoveel zakken bentoniet, zoveel plantjes, zoveel heesters, zoveel geld. Zoveel te doen en zoveel pijn. Zo verdomde veel treurnis. Het leek wel of ik me aan het wentelen was in zelfbeklag en er stiekem van genoot.

Later die dag plaatste ik de bestellingen, betaalde voorschotten en reed huiswaarts, doch niet alvorens nog even wat rust in mijn hoofd te tanken. Dat bewerkstelligde ik, zoals wel vaker, op een mij vertrouwde plek: de groene oase waar ik al sinds mensenheugenis kom. (Zie link onderaan dit logje.)
Er ontsprong wederom wat zoutwater in mijn ooghoeken. Toen ik naar mijn zakdoek tastte, viel er een houtduif uit een grote, knoestige eik. Ze bleef roerloos en ruggelings op de grond liggen met haar beide vleugels wijd opengespreid. In de verte hoorde ik een donderslag, ook al kon de hemel niet helderder zijn.

Nogmaals: weltschmerz.
Lach er gerust om.
Maar sta me toe dat ook te doen als ú erdoor overvallen wordt. Want – gaf ik het u reeds mee? – een mens heeft zulks maar zelden in de hand.

Mijn toevluchtsoord in tijden van innerlijke onrust vindt u overigens HIER.
Fijne plek vol persoonlijke nostalgie en in een ver verleden zelfs de werkstek van wijlen mijn moeder.