Categorie: Actua

Tot slot…

Advertenties

Zo kan het ook

Zij die al wat langer mijn blog volgen, zullen zich mogelijks dit schrijfsel nog herinneren. Ik trek daarin verbolgen van leer tegen de sloop van geschiedkundig waardevolle en niet zelden dorpszichtbepalende gebouwen die, vaak ondanks massaal protest, plaats moeten ruimen voor steriele nieuwbouw.
Hoogheidswaanzin, scanderen de lokale inwoners.
Kostenbesparend, luidt veelal de bestuurlijke redenering achter zulk een beslissing. En dat terwijl in het verleden al meermaals ten gronde is bewezen dat de restauratie annex integratie van een oud pand in een nieuwbouw perfect realiseerbaar is zonder – of zonder onoverkomelijke – meerkosten.

In de kleine gemeente waar madam Menck en ik resideren, ontstond een paar jaar geleden nogal wat ophef omwille van de mogelijke sloop van een historische dokterswoning. Immers, de dokter had een ruime poos voordien het loodje gelegd en diens charmante pand stond sindsdien leeg.
“Te verkommeren”, luide het officieel.
“Allesbehalve”, weerlegde de steeds groter wordende schare voorstanders-van-behoud deze voorbarige conclusie.


[ Foto’s: Google Streetview ]

Dat de dokterswoning en diens uitgestrekte tuin zouden moeten wijken voor een hypermodern rust- en verzorgingstehuis, was al lang geen geheim meer. Het gemeentebestuur smeerde in het lang en het breed uit welk een prestigieus project het voor ogen had. De oubollige ambtswoning kon niet anders dan worden geëlimineerd, hoe romantisch en historisch ze ook mocht wezen.

Het protest hiertegen groeide echter dag na dag. “Wij willen een integratie van het oude pand!”
En ziedaar, beste lezer, het welhaast ondenkbare geschiedde, want de democratie werd in onze goegemeente zowaar op zijn schoonst gedefinieerd: er volgde een heuse volksstemming.
U mag drie keer raden welk kamp in dezen aan het langste eind trok. Onderstaande beelden spreken dan ook voor zich.


[ VoorFoto: Google Streetview ]


[ Na ]


[ VoorFoto: Google Streetview ]


[ Na ]

De binnentuin, inclusief ondergrondse parking:


[ Foto’s: Menck ]

Ten baetens van

Als een legendarische klassieker zo magistraal wordt heruitgebracht, en als zulks dan ook nog eens gebeurt in het kader van een initiatief dat me bijzonder genegen is, kan ik niet anders dan er een logje aan wijden.

Actrice Veerle Baetens en The Broken Circle Breakdown Bluegrass Band brengen een eigenzinnige, beklijvende cover van ‘Laat ons een bloem’ van Louis Neefs. Zo willen ze Natuurpunt helpen om geld in te zamelen voor méér bos in Vlaanderen.
Doe ook uw duit in het zakje, en kom mee planten! Meer info vindt u HIER.

#levedelente!

De Salvia aurea ‘Kirstenbosch’ bloeit weer in onze tuin. Dit Zuid-Afrikaans curiosum is het soort plant waar je tuinbezoekers fier naar meetroont. Hij groeit uit tot een middelhoge heester met fraaie bladeren en een frappante bruinrode, welhaast koperkleurige bloei:

Vorige en deze week was en ben ik geheel en al in de ban van de lente. Ze openbaart zich dan ook bijzonder fraai dezer dagen en zorgt ervoor dat ik compleet bevlogen mijn handen uit de mouwen steek. Of dacht u dat werken onder deze schone jongen een straf was?

Even geestdriftig als kortstondig tooien ook de krentenbomen (Amelanchier lamarckii) zich met duizenden frêle bloemtrossen. Binnenkort wordt er poëtische lentesneeuw verwacht:

Niet getreurd voor wie geen of geen grote tuin bezit: in elk minituintje of op ieder balkonnetje past wel een teil gevuld met exquise voorjaarspraal of een pot boordevol feeërieke vreugdesymbooltjes:

Geel, wit en blauw voeren de hoofdtoon in de vroege lentetuin:

Wat mij betreft: ik voel me, zowel beroeps- als hobbymatig, de koning te rijk. Ik hoop van harte dat u hetzelfde voorrecht geniet.


[ Foto’s: Menck | Dit schrijfsel kadert in de Zomermodus van deze blog. ]

Water ademen

Dirk springt uit de warme cabine van zijn vrachtwagen en rilt als hij het ijskoude G-dek betreedt. Het stinkt er verschrikkelijk naar uitlaatgassen.
Uit de slaapruimte achterin de cabine pluk hij zijn oude daim jas van het haakje en sluit daarna de deur van zijn Volvo Globetrotter.
Hij geniet als hij de warme voering van de dikke donkerbruine coat – een cadeautje van Anita voor zijn twintigste verjaardag – strak rond zijn lichaam drapeert. In zijn binnenzak tast hij naar zijn sigaretten. Meteen daarop herinnert hij zich dat hij ze vlak voor het uitstappen tussen zijn broeksriem heeft gestopt. Hij haakt het gekreukte pakje ertussenuit, peutert een sigaret los en laat die achteloos tussen zijn lippen glijden.
Op het moment dat hij door de dikke metalen schuifdeuren van het benedendek stapt, wrijft hij zich stevig in de handen. Hij heeft maar één doel voor ogen: koffie!

De gladde ronde leuning van de stalen trap voelt ijskoud aan. Via het E-dek, dat ondertussen zowat halfvol auto’s en bestelwagens staat, waartussen een drietal toerbussen, belandt Dirk in de cafetaria. De temperatuur stijgt prompt een graad of twintig. Hij beent meteen naar de bar waar het rond die tijd nog relatief kalm is.
Uit zijn portefeuille haalt hij de bedrijfsbonnen die zijn werkgever hem maar mondjesmaat toestak. Hij schuift een beduimeld exemplaar naar de purser van dienst.
“Een koffie graag, one coffee please.” Van dat ferrypersoneel weet je nooit van welke zijde van het kanaal ze afkomstig zijn.
“Mè of zonder suuker? Melk?” vroeg de jonge snaak ongeïnteresseerd. Overduidelijk een Bruggeling.
“Zwart, asjeblieft”, antwoordt Dirk terwijl hij zijn sigaret opsteekt. Hij trekt een op de toog achtergelaten magazine dichterbij. Een Flair van halfweg februari. Achteloos schuift hij het blaadje terug en klopt vervolgens zijn as af in een verzonken asbakje dat schier overloopt van de peuken.
“Asteblief menère, da goat deugd doen sè!” De purser knipoogt. Op slag ziet hij er een stuk minder afstandelijk uit.
“Thanks.” Dirk neemt het dampende kopje aan, zet zich aan een raampje en plant zijn bakje troost in een van de tafeluitsparingen.
De koffie trilt lichtjes door het stampen van de warmdraaiende scheepsmotoren. Ooit had hij aan ditzelfde tafeltje een gesprek met een Brits koppel waarvan de echtgenoot zich profileerde als ferryfreak. ‘Did you know that these diesel engines develop 24.000 horsepower?’
“That’s… amazing”, had hij oprecht verbaasd geantwoord. Zeshonderd maal de kracht van zijn eigen vrachtwagen.

Een dof gerommel en een kortstondige trilling trekken door de scheepsromp. Dirk kijkt op zijn horloge. Tien over zeven.  Het schip is de havengeul aan het uitvaren. Als het even meezit, betekent dit dat hij nog voor middernacht in Engeland aan wal zal rijden. Daarna een hazenslaapje, voor de middag lossen, in de vooravond laden en zaterdagavond terug inschepen in Dover. Zondag is het Anita’s verjaardagsfeestje en daar zal hij dit jaar wél bij kunnen zijn. Vorig jaar was hij niet thuis toen zijn vriendin verjaarde en daar was ze niet bepaald gelukkig mee geweest.
Dirk haalt zich Anita’s opgewekte gezicht voor de geest. Er trekt een warme gloed door zijn maag. Het zijn ten dele zenuwen, want hij heeft een ring gekocht voor hét aanzoek dat hij haar op haar verjaardag zal doen. Goud met één klein steentje. Eenvoudig en toch klasse, net zoals ze het graag heeft.
Dirk mist Anita plots heel erg. En waarom voelt hij zich ineens zo onbehaaglijk?

Buiten is de zon ondergegaan. De ontelbare lichten van de Zeebrugse haven werpen oranje vlekken op de relingen. De zee is kalm.
Beneden in dek G staan twee Britse vrachtwagenchauffeurs in stilte een sigaret te roken. Ze genieten van het uitzicht door de open boegdeuren. Mocht Seabruges by Night een film zijn, dan zouden ze als eerste in de rij staan om een kaartje te kopen. Alles is er ‘Great’, en dan vooral het bier. Ze lachen om de kwinkslag. Direct daarop voelen ze de massieve ferry een enorme slingerbeweging maken. In een fractie van een seconde worden ze omringd door ijskoud Noordzeewater dat hevig schuimend de romp binnenstroomt en al direct kniehoog reikt.
Beide chauffeurs reppen zich lijkbleek naar de stalen trap die nog gedeeltelijk boven het steeds woester binnendringende zeewater uitsteekt. Achterin het dek horen ze iemand schreeuwen. “De boegdeuren! De boegdeuren staan nog open! O mijn god!”
Bovenaan de trap rukken de beide mannen aan de hendel die normaliter de mechanische deuren ontgrendelt. Het mechanisme weigert thans alle dienst. Eén van hen grist in paniek de zware reddingsmoker van de wand en begint er als een bezetene mee op de deur te rammen. Het is vijf over halfacht. De Herald of Free Enterprise draait zich in een woeste beweging op zijn zijde.

Net op het moment dat Dirk zijn lege koffiemok terug naar de bar wil brengen, voelt hij de grond vanonder zijn voeten wegglijden. Hij strekt zijn armen voor zich uit om houvast te zoeken, maar wordt als door een reuzenvuist tegen de wand van de cafetaria geduwd.
‘Dit kan niet! De ferry zinkt en hij is nog niet eens vertrokken!’ flitst het door zijn hoofd. Meteen daarop trekt er een nietsontziende pijnscheut door zijn rug. In paniek tracht hij recht te krabbelen, maar hij komt steeds schuiner te liggen. Voor zijn ogen richt de vloer zich op als een gigantische gestoffeerde muur. Hij hoort panisch geschreeuw doorheen gans de ruimte, overstemd door een donderend geraas van vallend glas. Iets dringt zijn dij binnen en meteen voelt hij een warme gloed. En dan gaan ineens alle lichten uit en verstomt het angstige gegil één seconde.

Er rukt iets aan zijn arm. “Help me! Somebody help me!” Een zwaarlijvige vrouw tracht zich via zijn mouw recht te trekken. ‘Wait’, fluisteren zijn hersenen, maar de woorden blijven onuitgesproken. Plots lost de greep van de vrouw en ze glijdt hysterisch gillend van hem weg. In een snelle beweging klauwt hij om zich heen en zijn hand vindt grip aan iets metaalachtigs.
Als in een derderangs rampenfilm braakt de aanpalende scheepsgang opeens tonnen zeewater uit. De ganse cafetaria vult zich met een oorverdovend geraas. Dirk voelt een hevige tocht door zijn haren trekken en voor hij beseft wat er aan het gebeuren is, staat het zilte zeewater hem tot aan de kin. Instinctmatig verstevigt hij zijn grip op het metaal dat hij vasthoudt, maar de immense kracht van zoveel binnenstormend natuurgeweld sleurt hem praktisch ogenblikkelijk mee. Hij voelt het ijskoude water zich boven zijn hoofd sluiten.
Een nooit eerder gevoelde panieksensatie maakt zich van hem meester. Hij tracht naar boven te zwemmen, zijn adem inhoudend. Zijn bewegingen zijn slechts een amechtig gespartel in hevig verzet.
‘Oh nee!” flitst het door zijn hoofd. ‘Oh god néé!’
Hij voelt iets tegen zich stoten. Iemand tegen zich stoten. Twee tellen later wordt een hard voorwerp vol in zijn maag gedrukt. Zijn hersenen doen verwoede pogingen om de oorzaak van die immense pijn te ontleden. Dirk schreeuwt het uit. Zijn schreeuw is submers en veroorzaakt een wilde stroom luchtbellen. Meteen ademt hij ijskoud zoutwater. Reflexmatig slikt hij, slikt hij, slikt hij. Zijn ogen puilen uit hun kassen van angst terwijl zijn lichaam spastisch begint te schokken. Als een razende grijpt hij om zich heen, wild en onbeheerst. zijn benen zoeken houvast in een steeds sneller stampen. Hij voelt zij hart als een op hol geslagen stoomhamer slaan, steeds vlugger, steeds krachtiger. Er duikt een beeld op. Zijn moeder trekt hem uit zijn loopfietsje. Hij blijft aan het houten stuurtje haken met zijn rechterbeen. Onbedaarlijk begint hij te huilen. ‘Ik haal je er wel uit, schat!’ hoort hij zijn moeder lachen. ‘Ik haal je er wel uit. Ik haal je er wel uit. Ik haal…’
Dirk voelt zich wegzakken. Zijn verstand kan zijn plotse zaadlozing niet bevatten. Er is geen logica meer. Zwarte plekken dansen voor zijn ogen. Hij ziet stroken groene waas maar registreert niks meer.
Vier en een halve minuut nadat Dirk zijn koffie wilde wegbrengen, begeeft zijn hart het.

Vandaag is het exact dertig jaar geleden dat de Herald of Free Enterprise zonk voor de kust van Zeebrugge.
Van de 543 mensen aan boord, kwamen er 193 mannen, vrouwen en kinderen om door de verdrinkingsdood. Een grove menselijke fout lag aan de basis van deze immense scheepsramp.
Enkele maanden na de berging voer de Herald of Free Enterprise in Chinese wateren onder de naam Flushing Range. Het spookschip werd pas anderhalf jaar nadien gesloopt.

Kopen? Blijven(d) hopen!

Niemand wist hoe boer André eigenlijk was gestorven.
Volgens ‘zij die het konden weten’ ging het om een hartaderbreuk, terwijl anderen dan weer beweerden dat hij omgekomen was door een stom ongeluk, zijnde geplet tussen zijn aftandse tractor en een schuurmuur.
Feit was dat André het tijdelijke voor het eeuwige had verwisseld en dat zulks op de tong liep in de kleine gemeente alwaar mijn vader nog immer resideert. De landbouwer was, behalve een vrek en een vrouwengek, ook al jaren ongewild de dorpsidioot. Zijn tractor was zijn enige middel van verplaatsing. Dat voorhistorische vehikel stond iedere zondagvoormiddag voor de kerk geparkeerd, terwijl het tijdens de namiddagen van de dag des Heren voor de plaatselijke cafés werd gespot. Want André was een stevig drinker die dientengevolge frequent laveloos achter het stuur van zijn akkerprinses plaatsnam en alzo door de dorpsstraten laveerde. Daardoor reed hij meermaals autospiegels in de vernieling of negeerde rotondes straal, wat niet zelden resulteerde in linea recta baantjes trekken door gemeenteplantsoenen.

Waarom ik u dit vertel?
Eigenlijk om tot iets van een geheel andere orde te komen.

De tijding van de landbouwers dood was namelijk ook Emmy en Dieter, twee eindtwintigers uit mijn kennissenkring, ter ore gekomen. Deze jongelui-met-bouwplannen aasden al geruime tijd op een stuk bouwgrond van André. Het bevindt zich schuin tegenover mijn ouderlijke woning. Een schone lap, voorwaar: duizend vierkante meter, zijnde tien are, gelegen in een rustige buurt op vijf minuten wandelafstand van de dorpskern.
André placht het perceel talloze jaren van zijn actief boerenleven afwisselend te voorzien van maïs en bieten, maar de laatste drie jaar bleef het onaangeroerd. Al snel werd het stuk ingepalmd door netels, distels en wild gras. Het was een doorn in het oog van de buren, die de boer geregeld met de vinger wezen omwille van het vele onkruid dat via zijn verwaarloosd perceel uitgezaaid raakte in hun tuinen. Doch boer André vloekte eens stevig en legde de aantijgingen vervolgens naast zich neer met de melding dat hij “het toch ging verkopen”.
Wat nooit gebeurde.

Doch kijk: een paar weken nadat André onder geringe belangstelling ter aarde was besteld, stond er ineens een ‘te koop’-plakkaat op de akker. Het vermeldde de naam van een immobiliënkantoor alsook een telefoonnummer.
U ziet het van hier: Emmy en Dieter belden meteen. Groot was dan ook hun teleurstelling toen zij de vraagprijs vernamen: tweehonderd vijftig euro per vierkante meter. Deze lap grond aanschaffen, zou meteen een hap van tweehonderd vijftig duizend euro, zijnde tien miljoen oude Belgische franken, uit hun budget nemen. En dan moesten ze nog beginnen te bouwen!
De moed zonk de brave kinderen begrijpelijkerwijs in de schoenen. Emmy heeft al jaren een kantoorbaantje bij een verzekeraar, Dieter is sedert het beëindigen van zijn studies werkzaam in een industriële drukkerij. Beiden spaarden ze geruime tijd verwoed vele centen bijeen om hun droom te kunnen waarmaken. Hierop hadden ze echter allerminst gerekend.
In Brugge, waar ze aanvankelijk bouwgrond wilden kopen wegens ‘dicht bij het werk’, zijn de grondprijzen nog hoger. Driehonderd euro per vierkante meter is daar een gemiddelde. Die kaart was voor hen ronduit onhaalbaar.
En dus zochten ze in de randgemeenten naar beter, hun eigen landelijke dorpje als uitgangspunt nemend. Veel bouwgrond was er al niet meer beschikbaar. Bovendien werden de weinige stukken die vrijkwamen alras ingepalmd door bouwfirma’s die er appartementen op neerpootten. In een flatje hun intrek nemen, zag geen van beiden zitten. Nu bleek echter dat ook de grondprijzen in hun geboorteplek niet van de poes waren.
Het tweetal gaf de moed niet op. Ze belden met diverse makelaars en bouwfirma’s, sloegen er geregeld de plaatselijke immosites op na en trokken meermaals op grondjacht. Hun inkomen, al bij al toch dat van de gemiddelde Belg, bleek telkens ontoereikend. Ook het stuk van boer André, zowat hun laatste hoop in eigen dorp, konden ze nu wel op hun buik schrijven.

Emmy en Dieter huren sinds kort een huis à rato van zevenhonderdvijftig euro per maand. Ondertussen gaat hun zoektocht naar bouwgrond onverwijld verder. Ook koopbare jonge woningen hebben ze aan hun verlanglijst toegevoegd, kwestie van wat toegevingen te (moeten) doen.
Erg veel hoop heeft het duo niet, want – zo wisten ze mij te melden – “een eigen huis is iets voor welgestelden geworden.”
“Twintig jaar geleden,” zo deelde ik hen mee, “kochten mijn madam en ik onze woning, toen nauwelijks twee jaar oud, voor nog geen honderdtwintig duizend euro. Ze was bij aankoop al ruim voorzien van alle gemakken en is omringd door zeven are grond.”
Het tweetal gaapte me met open mond aan.
“We zijn gewoon veel te laat geboren”, aldus Dieter.
Emmy beaamde.
Ik kon niet meer doen dan meewarig mijn hoofd schudden.

Voor jonge mensen is het heden verdraaid moeilijk geworden, beste lezer. Onmogelijk zonder hulp van buitenaf, lijkt het soms wel.
Weet u, dit zijn de momenten waarop ik blij ben dat ik reeds vijftig lentes tel. En heel soms ook, zij het wellicht slechts in dit opzicht, dat ik geen kinderen heb.
En nee, dit heeft echt niks met egoïsme te maken. Verre van, zelfs.

Mijn hofnachtwacht

Tijdens mijn avondlijke tuinwandelingen is het opnieuw opletten geblazen waar ik mijn vijfenveertigers neerplant. Om maar te zeggen dat de nachtwacht onzer groene long sinds deze week, en dat tot diep in het najaar, weer trouw op post is.

De slakken zullen het alvast geweten hebben, want terwijl ik slaap, bestrijdt mijn klaarwakkere nachtelijke garde onvermoeid die slijmerige indringers. Andere tuinbewoners, waaronder ook ons kattentrio, blijven daarbij bij voorkeur uit hun buurt. Ze kunnen nogal giftig uit de hoek komen, ziet u.

De grootste vijand van deze potige jongens is de mens. Want ook al helpt de mens er jaarlijks zo’n 200.000 de weg over, hij doodt er in diezelfde tijdsspanne ook ruim 1.700 middels het gemotoriseerd vehikel waarin hij zich verplaatst. In de maand maart alleen al werden er vorig jaar 1.171 nachtwachten geplet onder de wielen. (*)
Als u weet dat ze tijdens hun jaarlijkse trek om de 300 meter een weg dienen over te steken, mag zulks geenszins verwondering wekken. Zodoende: als u dit bord ontwaart, minder dan uw snelheid tot hooguit 30 kilometer per uur, hou de weg goed in de gaten en red op die manier tal van levens.

O ja: de nachtwacht is vooral straatactief in februari en maart van zonsondergang tot zonsopgang en dat bij voorkeur tijdens regenachtige dagen waarop de temperatuur relatief zacht is. Zulks was deze week het geval, zodat ik ’s avonds en ‘s nachts weer ten volle kan genieten van vele tientallen ingetogen keelklanken. Of van de plotse aanblik van onder meer onderstaande golden brown boys die ik afgelopen donderdag fotogewijs kon vereeuwigen.
Geef toe: in al hun zogezegde ‘lelijkheid’ zijn het toch vooral schitterende creaturen, niet?

[ Foto’s: Menck | aanklikbaar voor groter ]


(*) Deze cijfers spruiten voort uit enkel de officiële tellingen. In werkelijkheid vallen er een pak meer slachtoffers.