Categorie: Tuin

In de kiem ontloken

Weet u wat er groeide in mijn allereerste tuin?
Een hosta, een geitenbaard (Aruncus dioicus) en twee overmaatse zonnebloemen.

Ik was als een kind zo blij. Meer zelfs: ik wás nog een kind. Zes prille lentes en al een eigen tuintje, met dank aan papa – en diens grote spade – die een vierkante meter gazon voor me had opgeofferd.
De zonnebloempitten werden, mits wat herderlijke aanwijzingen, eigenhandig in de rulle aarde gepropt, de twee overige planten had ik gevonden op een groot braakliggend stuk grond in de straat. Papa was eventjes boos geweest omdat ik die flora nietsontziend had gerooid, want de natuur moest ik respectvol bejegenen. Daarna heeft hij ze toch maar ter aarde besteld voor me. Ik kreeg een gietertje in mijn handen geduwd met de boodschap elke dag flink water te geven “tot ze aanslaan”. Geen idee wat hij bedoelde, maar in mijn ogen stond baarlijke fascinatie te lezen.

Na drieënvijftig jaren in dit leven,
maak ik het testament op van mijn jeugd.

Want daar, die lentedag, op dat eigenste vader-zoonmoment, is mijn liefde voor tuinieren gekiemd. Dat uit twee onooglijke zaadjes zo’n kolossale bloemen konden proveniëren, was je reinste openbaring voor me. Ik zag ze bovendien elke dag met rasse schreden de hoogte inschieten. Het vervulde me met ontzag, adoratie en trots.
De geitenbaard kreeg onstuimige crèmewitte pluimen, iets wat ik nimmer had verwacht. En zelfs de geelgerande hosta tooide zich ’s zomers met kelkbloemetjes op hoge, wiegende stengels.

Ik heb dit relaas onlangs aan mijn vader gedebiteerd. Hij herinnerde het zich nauwelijks nog, maar de bewijzen zijn daarentegen onomstotelijk: anno 2020 geven de geitenbaard en de hosta nog steeds het beste van zichzelf in de ouderlijke tuin.
De zonnebloemen hebben het bewuste jaar 1973 niet overleefd, doch mijn liefde voor die giganten is gebleven.

Vandaag speelt dit floristische trio nog immer een hoofdrol in onze tuin. Hosta’s houd ik al vierentwintig jaar als terrasplanten in pot en verschillende aruncussoorten ontfermen zich over wat schaduwhoekjes. Alleen de zonnebloemen hebben aan formaat ingeboet; ik beperk me heden tot de kleinere Helianthussoorten, met de ‘Atrorubens‘ als onomwonden favoriet.


↑ Aruncus dioicus | Geitenbaard


↑ Hosta’s | hartlelies

[ Foto’s: © Menck ]

 

Gemondkapt aanmodderen

De lockdown waarin we welhaast mondiaal verzeild zijn geraakt, maakt dat ik – net als ongetwijfeld velen onder u – zo stilaan toch wat zwaar op de hand aan het worden ben. Gelukkig zijn de strohalmen waaraan ik me optrek nog steeds sterk genoeg.

Als zelfstandig hovenier kan ik dan wel reglementair aan de slag blijven, doch ook in mijn vak loert het vermaledijde virus om elke hoek. Zo draag ik tijdens het arbeiden voortaan een mondmasker om de excessieve speekseloverdracht mijner overwegend bejaarde klandizie, die in meer gevallen dan ik bevroedde nog nooit van social distancing heeft gehoord, te weren.
Dat zulk een beschermende lor wat mij betreft niet bepaald een zegen is, valt te wijten aan mijn ongerijmde gewoonte om om de haverklap mijn lippen te bevochtigen met mijn tong. Het gevolg hiervan is dat het aanvoelt alsof ik mond en neus afscherm met een iets te intens gebruikte en pas afkoelende beflap. Met de uitzonderlijk zomerse temperaturen van de afgelopen week, leek het daarenboven alsof ik gedurig aan het vapen was, terwijl het gewoon mijn eigen mondvocht betrof dat via die vunzige vod verdampte. Moge de huidige koelere week daar please verandering in brengen.

Bovenstaande paragraaf kan de indruk wekken dat ik thans weder geheel de slaaf van een overvolle agenda ben geworden, doch niets is minder waar. Er zijn namelijk nog aardig wat klanten die de aanwezigheid hunner vertrouwde hovenier dezer dagen (lees: weken) niet op prijs stellen wegens latent besmettingsgevaar. Als zij in hun kot moeten blijven, dan ik ook maar.

En dus rest er mij meer vrije tijd dan me lief is. Tijd om aan het thuisfront zowel binnen als buiten diverse klussen uit te voeren die ik anders toch maar voor me uit zou hebben geschoven.
Verven, om er maar eens eentje te noemen. Ik beheers die nobele ambacht behoorlijk, doch executeer hem node. En aangezien de eindeloos lijkende quarantaine madam Menck en ik de gelegenheid biedt wat karweien van grotere omvang aan te gaan, verfden we meteen maar de hal en alle tien deuren die er op uitkomen. Wij betrekken een bungalow, ziet u. Daarin is een lange gang met veel deuren welhaast een conditio sine qua non.
Het eindresultaat van ons kwastenspel stemt zowel Katrien als ik uiterst tevreden. Wat voorheen een massieve expositie van vage zandkleuren was, is heden verworden tot een maagdelijk witte entree. Een langgerekte witte gang met plenty witte deuren: het is toch nog eventjes wennen. Als we onze woning binnenstappen, voelt het nog steeds alsof we een ziekenhuis betreden. Straks toch maar proberen om alvast díe knop om te draaien.

Á propos, wit: die kleur heerst niet alleen binnenshuis. Ook in de tuin, waarin ik steeds meer mijn heil zoek, is er momenteel een ware sneeuwexplosie aan de gang, slechts sporadisch onderbroken door een vonkje rood. En daar heb ik foto’s van. In dit annus horribillis zijn het shots die oplichten als fel fonkelende sterren in een verder compleet duistere nacht.

De bewijzen van onze verflust schotel ik u in de loop der lockdown geheid ook nog voor. Ik heb dus nog wel even de tijd, zeg maar.

.


Ondertussen net uitgebloeid: krentenboom (Amelanchier lamarckii).

Nog volop hun pracht tentoonspreidend (sierappel- en -kerselaars):

[ Foto’s: © Menck | aanklikbaar voor groter ]

Quarantaine sans gêne

Katrien drukt met een kleine keramiekspatel plakjes papierklei op een stevig opgeblazen ballon. De dunne partjes overlappen elkaar en vormen al snel een kom die zich strak om de latex luchtbol sluit. Daarna werkt ze het minutieus vormgegeven geheel af met een rudimentair aangebracht reliëfje.

Eenmaal de klei voldoende droog is geworden, zal ze de ballon laten knappen. Wat overblijft, is een holle creatie die zich, eens gebakken en geglazuurd, dienstig zal maken als eigengereide theelichthouder.
Het is telkens weer pure passie die mijn madam bekruipt als ze met klei bezig is, ook al doodt ze er thans vooral een ledig stuk coronatijd mee.

Gelukkig laat de zon zich dezer dagen overwegend van haar beste kant zien. Dan duiken we beiden welgemutst de tuin in.
In vergelijking met de vorige jaren staan we ver voor op schema. Er werd alreeds gesnoeid, geschoren en gewied, gekuist, geschikt en geplant. En er wordt bovenal genoten. De bloesems spatten als feeëriek voorjaarsvuurwerk van de sierfruitbomen, op tal van plaatsen wordt de klamme bodem gekliefd door bevlogen opduikend lentegroen wijl talloze baltsende mannetjesmezen, -mussen en -merels bronstige wijfjes onder hun aandacht trachten te kwinkeleren.

De lucht is, kortom, zwanger van een onstuitbare, grenzeloze geestdrift. Wij laten ons met veel graagte op sleeptouw nemen door deze dolle draaikolk van hartstocht, ook al gaat dit fraaie seizoen dan latent gebukt onder een abstracte volksvijand.
Zo ben ik het aloude houten tuinmeubilair te lijf gegaan met de hogedrukreiniger. Een dergelijke ingreep is absoluut not done, werd me ooit ingefluisterd door een gedreven houtbewerker. Hij zwoer bij hoog en bij laag dat de kern van het hout hierdoor beschadigd raakt. Dat zal best, doch ik heb gedurig nauwgezet gespritst met een aanvaardbare pressie. Immer handig, zo’n regelbare drukspuit.
Ons welhaast een kwarteeuw door weer en wind geteisterd – en nooit voorheen gereinigd – tuinameublement werd alzo getrakteerd op een verjongingskuur van heb ik u daar.

Heden oogt het terras weer ganselijk seduisant, doch gasten, alsook potplanten, blijven noodgedwongen nog wat uit. Ons leven ten volle kleuren, zal pas kunnen nadat de Boze Chinese Blafhoest met de noorderzon is vertrokken.
Mijn plannen voor een glorieus herenigingsfeest zijn nochtans zo goed als in kannen en kruiken. Familie en vrienden terug in de armen mogen sluiten, staat momenteel helemaal bovenaan mijn bucketlist.
Het wordt geheid een Garden Party die zijn weerga niet zal kennen. De barbecue zal worden verhit tot het vlees krijst om genade, de dranken zullen koel, fel en menigvuldig zijn en er zal gedanst en gelachen worden tot de nacht de ochtend wakker kust.

Hoeveel nachtjes slapen is dat nog?
En vooral: hoeveel keer de handen wassen?

.

[ Foto’s: © Menck ]

Boom shake the room

Soms zullen de mensen om je heen je keuzes niet begrijpen. Dat is niet erg, want je maakt ze ook niet voor hen.
Toen ik destijds onze keuken ten dele in fel limoengroen wilde verven, werd daar door een aantal mensen uit mijn nabije omgeving met afschuw op gereageerd. Maar na de transformatie draaiden ze bij: “Hm, dat valt best wel mee, eigenlijk.”
Ondertussen zijn we menig jaartje verder en zijn Katrien en ik dat opdringerige groen wat beu geraakt. Dat komt wel vaker voor met kleuren die niet meteen als neutraal te boek staan. We hebben dan ook besloten om het groen te vervangen door wit.
En wat blijkt? Daar wordt door sommige mensen uit mijn nabije omgeving met afschuw op gereageerd. “Je gaat dát toch niet doen, zeker?”
Tja.

Afgelopen zomer maakten we nog maar eens een bewuste keuze. Die hield echter een behoorlijk drastische ingreep in. Doch dit keer geen kat die ze afkeurde.
We hadden namelijk weken op voorhand een cognitief proces gefinetuned. De merites van meerdere mogelijkheden werden telkens nauwgezet tegen elkaar afgewogen. Uiteindelijk kon ik onze beslissing perfect funderen. En dat vernemen de meeste mensen graag, het waaróm van een keuze. Als het dan om een praktische en nuttige beweegreden gaat, wordt er doorgaans instemmend geknikt.

Maar nu ter zake.
Om ons zuidgericht terras te bereiken, dienen we de woning via de achterdeur te verlaten. Die geeft echter uit op de noordkant van onze tuin. U ziet me thans beslist al laveren met een dienblad vol glazen en hapjes doorheen de dichte bosschage en over de lange ruige paden die onze wilde tuin kenmerken teneinde mijn gasten van spijs en drank te voorzien.
Ook zij die, ik zeg maar iets, even naar het toilet willen, moeten dit tracé afleggen. Het wasrek op het terras plaatsen? Idem. Net zoals alles aanslepen voor een barbecue en de boel ’s avonds weer binnenhalen.
En dat terwijl het terras zich vlak naast de erker bevindt. Die laatste is weliswaar voorzien van grote glaspartijen doch niet van een deur. Een afgesloten geheel, zeg maar.

Ja, u voelt me al komen.
Verdere uitleg dienaangaande is overbodig; ik laat de foto’s voor zich spreken.
Weet echter één ding: tot nader order de beste beslissing van ons leven. Oké, oké, op ons huwelijk na, misschien.

.

SITUATIE VOOR:

SITUATIE TIJDENS:

SITUATIE NA:

De buitensituatie nog afwerken en klaar is Kees.

[ Foto’s: © Menck ]

Terrasjesweer

Februari heeft welhaast twee weken lang gesolliciteerd om te mogen fungeren als dienaar van de lente. Al die tijd hield de statistisch koudste maand van het jaar met verve de (zonne)schijn op. Maar schijn bedriegt, want op zijn laatste dag komt februari opnieuw iets nukkiger uit de hoek, ook al zit de traditionele vorst die de maand kenmerkt er niet meer in.

In al dat voortijdig genietbaars schuilt gewis ook een zeker onheil. Duizenden verontruste jongeren voorvoelen en vatten het thans bewuster dan wij, de mature tak van de samenleving. Zo stak ik eerder deze week, zonder de minste gewetenswroeging, de kop in het zand en heb ik de ongenadige koperen ploert dolenthousiast in mijn armen gesloten, onderwijl “Meer van dat!” wensend. Wie in dezen zonder zonde is, werpe de eerste steen.
Zoveel premature lente kon ik onmogelijk links laten liggen. Terrasjesweer, dát was het. En zodoende heb ik dan ook langdurig op mijn terras vertoefd, mijn bleke bovenbast slechts gehuld in een dun T-shirtje. Al heb ik op die zonovergoten plek een en ander verricht dat niet bepaald tot de geneugten des levens kan worden gerekend:

Na meer dan twintig jaar was het gros der houten latten zodanig verweerd dat ik letterlijk putten in het plankier stampte. Deze houtsoort dateert nog van voor er ook maar sprake was van het commercieel succes dat bankirai of andersoortig tropisch hardhout heden kenmerkt. De rijke mosgroei waarschuwde me al een paar jaar: dit terras is compleet óp.

De ontmanteling had best wat voeten in de aarde. De koppen braken af bij het willen uitdraaien van de schroeven, een gekend manco van inox. Zodoende diende ik mijn aloude koevoet en baarlijke spierkracht aan te spreken om de hele zooi los te wrikken. Ik verzeker u: er zijn voorwaar fijnere klussen denkbaar.
Op vandaag is het eerste stuk van het terras ontdaan van deklaag en onderconstructie. Het langszij liggende tweede terrasdeel volgt in een later stadium – zijnde bij tijd en goesting.
Rest er nog het elimineren van alle kiezel tussen de treinbielzenfundering om vervolgens ook die loodzware jongens af te voeren.

In de plaats komt er een stenen terras. Tegels, blauwsteen of klinkers, ik ben er nog niet uit. Als het maar niet meer kan rotten. En als het maar niet meer zo verrekte spiegelglad wordt bij nat weer, dat ook.

U ziet het: februari doet vandaag de boeken toe, maar maart opent meteen een schreeuwerige agenda. Al zal die ten dele worden ingevuld door lieden die meer thuis zijn in het construeren van terrassen dan ik. Om maar te zeggen dat ik me liever stort op groen dan op stenen.

* * * * *

Het terras in betere tijden:

[ Foto’s: © Menck ]

Bloembollo smitto (*)

Afgelopen zondag, toen de koperen ploert ineens begeesterd de grauwe hagelwolken opzijschoof, gooiden mijn madam en ik al even geestdriftig lentebloembollen in het rond. Waar ze neerkwamen, daar werden ze geplant. Tussen ons gezegd en gezwegen: er werd hierbij minutieus gemikt. *insert knipoog*

Onder het motto ‘If spring isn’t bright, at least it will be colourful’ kreeg onze tuin zodoende exact honderdzestien bollen te slikken, alsook een stevig uit de kluiten gewassen heester. (Zie onderste foto.) Die laatste is overigens een uitbundige herfstbloeier.

We selecteerden onderstaande greep uit het ruime aanbod van de kwekerij:


Tulipa ‘Sylvestris’ geurende bostulp | 10 exemplaren


Tulipa ‘Akebono’ | 10 exemplaren


Tulipa ‘Lambada’ | 10 exemplaren


Tulipa ‘Candy Club’ | 10 exemplaren


Ornithogalum pyramidale | 5 exemplaren


Ornithogalum nutans ‘Silver Bells’ | 10 exemplaren


Muscari macrocarpum ‘Golden Fragrance’ – vermeerderende gele druifjes | 4 exemplaren


Gladiolus communis ‘Byzantinus’ | 10 exemplaren


Fritillaria persica ‘Ivory Bells’ | 1 exemplaar


Erythronium dens-canis ‘Rose Queen’ | 3 exemplaren


Camassia leichtlinii ‘Semiplena’ | 1 exemplaar


Allium nigrum | 10 exemplaren


Allium atropurpureum | 6 exemplaren


Allium ‘Violet Beauty’ | 10 exemplaren


Allium ‘His Excellency’ | 3 exemplaren


Allium ‘Cameleon’ | 10 exemplaren


Allium amethystinum ‘Red Mohican’ | 3 exemplaren

Heester:


Callicarpa bodinieri ‘Profusion’ | 1 exemplaar


(*) Bollo smitto: kermisattractie waarbij met zachte ballen wordt gegooid naar blikken dozen.

Make-over: stadstuintje

Een koppel middertigers met een kleuter van drie heeft een huis met een tuintje gekocht. Ze werden instant verliefd op de woning, maar de tuin – een stadstuintje van tien bij vijf meter – kon daarentegen een grondige make-over gebruiken.
En zodoende werd me een verlanglijstje onder de neus geduwd:

Bij mijn eerste bezoek kreeg ik onderstaand, eh, idyllisch plekje te zien:

U snapt meteen dat dit kleine stukje natuur allerminst de Tuin van Eden mocht worden genoemd. Volgens het koppel – en ik geloofde hen direct – kwam dat door de algehele desinteresse van de vorige eigenaars. Zij beschouwden deze achtertuin als niet meer dan een dump- en stapelplaats.
“De tuin ziet er nu alweer enigszins toonbaar uit”, gaf de vrouwelijke helft van de twee-eenheid me mee. “Toen we hier voor het eerst aankwamen, was hij bezaaid met allerhande troep die al jaren lag te wachten op een rit naar het containerpark.”

Er stond me maar één ding te doen: handen uit de mouwen, het verlanglijstje van het jonge koppel indachtig. En ja, dé doorn in mijn oog, zijnde het bouwvallige tuinschuurtje, mocht worden verwijderd.

Om niet al te veel gazonruimte in te palmen – de kleuters playground, weet u wel – construeerde ik een lange doch smalle verhoogde plantenbak. Eén uiteinde werd voorzien van een zitruimte waarop bij mooi weer vrolijk gekleurde kussens kunnen worden neergelegd. Zo’n langgerekte constructie doet de tuin optisch groter lijken, iets wat altijd mooi meegenomen is in een stadstuintje van nauwelijks vijftig vierkante meter:

De bak werd gevuld met een mengeling van goede tuinaarde, compost en bentoniet. Dat laatste is een watervasthoudende kleikorrel die al te snelle uitdroging voorkomt.
Als beplanting opteerde ik voor een mix van bloeiende vaste planten die zowel in de lente, ’s zomers als in het najaar kleur aan het geheel zouden geven:

En zoals dat gaat met vaste planten, werden ze al snel groter:

Enkel de vórm van de bak herhaalde ik tegen de garage. Daar komt nauwelijks zon zodat ik op die plek schaduwminnende vaste planten voorzag.
Hier dus geen tweede verhoogde plantenbak; zulks zou alleen maar beklemmend werken. Bovendien maakt variatie in hoogte elke tuin een pak boeiender:

Om de lelijke garagemuur relatief snel aan het oog te onttrekken, bestelde ik vier wilde wingerds ter aarde. Slechts vier, inderdaad, want never underestimate the power of a wilde wingerd, beste lezer:

Al vlug liet zich ook hier weelderigheid optekenen:

De eentonige achterkant van de tuin mocht wel wat doorbroken worden. Ik pootte aldaar twee bolcatalpa’s neer en koos voor hoogstammen. U zult verderop in dit log merken waarom:

Ook het o zo gewilde terras kreeg zijn plaats “daar waar ook ’s avonds nog volop zonlicht is”. Ik besloot om de twee bolcatalpa’s in deze zithoek te integreren.
Het terras – 5 x 3 meter – rust op palen van azobé, een hardhoutsoort van de hoogste duurzaamheidsklasse. De palen, tweeëndertig stuks in totaal, werden middels een zware voorhamer een meter diep in de grond gedreven. Onnodig te vermelden dat ik de dag daarop een hele poos geen gevoel meer had in mijn armen.
Tegen de azobépalen bevestigde ik de draaglatten van het terras. Ik opteerde hiertoe, alsook voor de uiteindelijke deklatten, voor kerngeïmpregneerd vurenhout met FSC-label dat ik immer rechtstreeks van de fabriek betrek:

Het bevestigen van de latten met talloze schroeven maakt dat een dergelijk werkje traag maar gestadig vordert:

Beide bolcatalpa’s werden ingewerkt. Een dun laagje houtsnippers onttrekt het onderliggende antiworteldoek aan het oog:

De voltooiing van de zithoek gebeurde in de volle regen, doch de ligzetel moest er per se al op:

Als u onderstaande foto vergelijkt met hoe de tuin er voor aanvang van de werken uitzag, kunt u nog slechts één iets opmerken: het gazon kan beter:

En ook daar paste ik een mouw aan, of wat dacht u!

[ Foto’s en uitvoering: Menck | Locatie: Melsele, Oost-Vlaanderen ]

Redding in 5 stappen

Het was rond de middag toen de jonge kauwen onze schouw verlieten. Aanvankelijk wat stuntelig rondfladderend onder ouderlijke begeleiding, maar tegen de avond al omgeturnd tot volleerde, zelfstandige piloten. Anderhalve dag later keerden ze het luchtruim boven onze tuin de rug toe, ongetwijfeld om zich aan te sluiten bij de kolonie waartoe het ouderpaar behoort.

Volgende week dinsdag wordt de schoorsteen professioneel gereinigd waarna hij, middels een rasterwerk, definitief zal verworden tot een kauw-no-go.

Eind goed, al goed?

Eh, nee.

Want de morgen nadat de kauwen aan de einder waren verdwenen, werden we ineens opgeschrikt door een paniekerig gekras vanuit de woonkamer.
Mijn eerste gedachte was dat één onzer katten alsnog een kauwtje had verschalkt en er thans mee aan het dollen was in de living. Doch eenmaal ter plaatse bleek alles peis en vree. Op dat wanhopige gekras na. De exacte locatie van die geluidsbron werd alras getraceerd. Om een en ander te verduidelijken, geef ik u hieronder een snelle situatieschets mee:

Yep, er was inderdaad een kauwenjong in de linkse schoorsteenschacht gesukkeld. Die eindigt overigens tegen het plafond van onze woonkamer, initieel bedoeld om er een kachel op aan te sluiten. Een dergelijk verwarmingstoestel is er echter nooit gekomen zodat het gat in het plafond al twee decennia lang is verzegeld middels een dunne plaat. En net op die plaat hoorden wij, tussen het paniekerige gekrijs door, trippelende vogelpootjes.
Ocharme dat jong. Moederziel alleen achtergelaten door de ouders die het wellicht als verloren hebben bestempeld. Omringd door stof, gruis, duisternis en weet ik wat nog allemaal. (Dikke spinnen! Versteende vogelpoep! Een reeds in verregaande staat van ontbinding verkerende Zwarte Piet!)

Hier diende resoluut te worden ingegrepen. Hetgeen ook geschiedde, en wel als volgt:


STAP 1 | De afdekplaat werd met behulp van hamer en beitel ontmanteld. De schade aan het plafond bleef beperkt tot wat afbladderende verf. Maar de hoeveelheid ondefinieerbare troep die uit het gat kwam, was aanzienlijk.
.


STAP 2 | Het jong werd na een moeizame bevrijding liefdevol opgevangen door madam Menck. Het spartelde hevig tegen, wat een goed teken was. Op zijn bek zat geronnen bloed, ongetwijfeld ten gevolge van verwoede ontsnappingspogingen. Met een keukenhanddoek werd het arme dier, geheel tegen zijn zin, grondig afgestoft.
.


STAP 3 | Teneinde straks toch enigszins voorbereid de wijde wereld te kunnen intrekken, liet ik de jonge kauw alvast kennismaken met deredactie.be van onze openbare omroep. Onder meer het artikel over de onveilige asbestverwijdering in Sint-Niklaas droeg diens volle aandacht weg.
.


STAP 4 | De restjes pizza picante noch de boterham met Nutella zeiden het dier iets. Maar dorst had het wel! Een halveliterfles SPA Touch of Lemon werd dra soldaat gemaakt.

STAP 5
Na wat op krachten te zijn gekomen – en vervolgens uitermate nieuwsgierig in quasi elk object in mijn bureel te hebben gepikt – werd het tijd om het kwieke vogeltje een veilig onderkomen te doneren. Onze tuin en diens omgeving waren uitgesloten wegens a) een nog niet vliegwaardig jong, b) zijn ouders die niet langer aanwezig waren en c) ons immer roofzuchtige kattentrio op de loer.
En dus trok Katrien nog diezelfde middag met haar Mini Pooper naar Oostende met het kauwtje netjes naast haar op de passagierszetel – gordel om, ja ja – en The Black Crowes op de radio.
Die dolle rit eindigde hier:

Op het moment dat “onze” kauw voldoende op krachten is gekomen en terug aan het luchtruim zal worden toevertrouwd, ontvangen we hierover een (foto)bericht.
De champagne staat alvast koud!

[ Foto’s: Menck ]

Emma

“Leer me de natuur zien”, zei Emma. “Ik wil die door jou leren kennen.”

Ik zat naast Emma op de verweerde grenen tuinbank en blikte bedenkelijk in haar richting. Ze keek naar me maar zag absoluut niks. Emma is achtentwintig en al zeventien jaar blind. Het gevolg van een overdosis aspartaam, heeft ze me ooit ijlings toevertrouwd. Of ze de ware toedracht maskeert, weet ik niet, maar ze wil het er alvast nooit meer over hebben.

“Hoe moet ik me dat voorstellen, Em?”

We praten vaak over de natuur. Emma is dol op ieder seizoen. Haar ouders hadden vroeger een grote tuin waarin ze tijdens haar verwerkingsproces veel troost heeft gevonden in het anders leren ervaren van vormen, geuren en geluiden. Naar eigen zeggen “ziet” ze nu tien keer meer dan vroeger.
Zes jaar geleden gingen haar ouwelui uit elkaar. Omwille van haar, of toch onrechtstreeks. Haar moeder hield haar vader verantwoordelijk voor haar blindheid. Eenieder deed zulks af als klinkklare onzin. Desondanks hield Emma’s moeder voet bij stuk en vertrok.
Emma woont nu samen met haar vader in onze straat in een veel bescheidener woning dan hun vroegere villa-op-vijftig-are-grond. Ze is een heel open, hartelijke, knappe en wereldwijze meid waar mijn madam en ik geregeld mee babbelen. ’s Zomers zitten we niet zelden op ons schaduwterras te filosoferen, te gieren of gewoon te relaxen tot een stuk in de nacht. Ze heeft het nog wel eens over haar moeder, die al vrij snel na de scheiding is gaan samenhokken met rijke Louis. Maar al zes jaar is ze uit haar – hun – leven verdwenen, iets wat zo nu en dan aan Emma vreet.

“Ik zou zo graag willen dat je je kennis over fauna en flora met me deelt. Je diepe liefde ervoor. Je weet hoe gefascineerd ik daardoor ben, en al zeker door jouw tuin. Wees mijn ogen, Menck. Leer me kijken door jouw ogen, hoe jij de dingen ziet en benadert. Wil je dat doen voor me?”
“Voor jou doe ik alles, dat weet je. Enfin, bijna alles.” Ik lachte.
Emma nam een slok van haar thee.
Soms schaam ik me dat ik naast haar gin of Duvel zit te hijsen. En af en toe, doch echt heel zelden, durft ze zich ook wel eens te verliezen in een avondje gerstenat. Dan wordt ze veelal lacherig en plagerig en bijwijlen weemoedig.

“Weet je wat ik nu het sterkst ruik? Een roos. Een oude theehybride, right?”
“Right”, antwoordde ik naar waarheid. Ze staat zowat vijf meter voor je.”
“Welke naam draagt ze?” Ze draaide haar hoofd naar me toe. Haar ogen leken me echt aan te kijken, hoewel ik wist dat ze daar behoorlijk wat moeite moest voor doen.
“Dat is de Arioso. Rosa ‘Arioso’ om correct te wezen.” Ik glimlachte om mijn pedanterie.
“Een roze?”
“Yep, een roze. Maar dat was een gok, niet?”
“Tuurlijk. Maar ik stel me een roos doorgaans roze voor. Gek, hè?”
“Misschien associeer je dat met vroeger, met de rozen uit jullie gewezen tuin.”
Ze antwoordde niet en nipte nog eens van haar thee.
“Welke geur ruik jij, Menck?”
“Op dit moment, bedoel je?”
“Ja.”
Ik snoof eens heel diep, waardoor Emma in de lach schoot.
“Je mag dat niet doen. Je moet gewoon chill blijven en de sterkste geur in je opnemen. De geur die je neus spontaan komt binnendrijven. Dewelke is dat?”
“De jouwe. Ik ruik shampoo.”
“Gekkerd.” Ze legde haar hoofd op mijn schouder. Zo bleven we een ganse poos stil zitten. Soms heb ik zin om mijn arm om haar heen te slaan en haar dicht tegen me aan te trekken. Maar dat durf ik niet. Ik ben bang dat net iets teveel intimiteit een wig tussen ons zou kunnen drijven en al het moois zou doen splijten.
“Citroen”, zei ze ineens.
“Eh, wat?”
“Ik ruik citroen. De Arioso geurt naar citroen.”
“Wacht”, zei ik, terwijl ik opstond en naar de rozenstruik stapte. Ik plukte er een rijk gevulde bloem af. “Ruik maar.” Ik legde de roos in haar hand.
“Wow, die is dik!” Ze bracht de roos tot tegen haar neus en inhaleerde lichtjes. Toen gaf ze de bloem aan me terug. Met dat gebaar kwam er een sterk citroenaroma vrij.
“Mijn eerste les”, sprak ze zacht. Ze legde opnieuw haar hoofd op mijn schouder. “Rosa ‘Arioso’ is een volle, naar citroen geurende en roze theehybride.” Ze dreunde het schools op, glimlachte voor zich uit en knikte instemmend.
“Perfect. Wedden dat jij dit langer zal onthouden dan ikzelf?”
“Ooit, Menck, ooit zal ik je, als je écht oud en versleten zult zijn, les geven over je eigen tuin. Ooit.”

Ondanks mijn eerdere twijfel, sloeg ik nu toch mijn arm om haar heen. Zacht. Aarzelend ook.
Emma beantwoordde mijn gebaar door haar hoofd tegen mijn borst te leggen en de ogen te sluiten.

Cover-up Catalpa

Moest Adam (die van Eva, jazeker) in ónze tuin zijn geschapen in plaats van in dat ander aards paradijs, dan had hij beslist dat vijgenblaadje gelaten voor wat het was.
Een blad van onze Catalpa om zijn dingeling te bedekken: dát is pas gerief waar je mee kunt uitpakken!

Ach, misschien had Adam gewoon een klein pietje, dat kan ook.

*
*      *

Achter die Catalpa, die aan het begin van elke lente tot schier tegen de stam wordt gekortwiekt (maar behoorlijk snel teruggroeit), gaat een ganse topgevel met twee ramen schuil.
De boom hebben we met andere woorden doelbewust op die plek geplant om onze soms iets te nieuwsgierige buren geen inkijk in onze woonkamer te gunnen. Halfweg de herfst verliest hij weliswaar zijn blad, maar dan worden de rolluiken toch vroeg naar beneden gelaten.

Jaarlijks stevig terugsnoeien doe ik om de structuur van deze gewone Catalpa (geen bolcatalpa, dus) compacter en zodoende steviger te houden. Door zijn talrijke grote bladeren vangt een niet jaarlijks gesnoeide Catalpa veel wind die ervoor kan zorgen dat er makkelijk takbreuk of -afscheuring ontstaat. Dergelijke wonden kunnen gaan infecteren met soms noodlottige ziektes tot gevolg.

Ook (eveneens jaarlijks teruggesnoeide) bolcaltalpa’s staan garant voor de nodige privacy, zeker als ze al enkele jaren oud zijn:

Wie niet jaarlijks de snoeischaar hanteert, wordt eind juli/begin augustus getrakteerd op een rijke bloei met feeërieke orchideeachtige trompetbloemen:

[ Foto’s: Menck W. | De laatste twee foto’s nam ik in de ouderlijke tuin alwaar een oude Catalpa huist die slechts sporadisch wordt gecoupeerd. Hij geniet de (wind)beschutting van andere bomen. ]