Categorie: Doe-het-zelf

Als een snoek op zolder

Omdat de vrouw waarmee ik getrouwd ben sinds we een huwelijk aangingen me poeslief doch indringend heeft gevorderd om een stukje van onze zolder in te richten als hobbyruimte, zocht ik het vandaag dan ook hogerop in onze woning. De laatste keer dat ik de zolder betrad, was Obama nog presidentskandidaat voor zijn eerste termijn en moest de iPad nog worden uitgevonden.
Wat schetste mijn verbazing toen ik de ladder had bestegen? Dat het er nog drukker was dan op een avondmarkt in de Marollen. En even groezelig ook. Want hemeltjelief, wát een stof en wélk een hoeveelheid spinrag trof ik me daar aan.
Geen schatten op onze zolder, doch bovenal rommel, vergeten huisraad en uitgerangeerde toestellen allerhande wegens kapot of voorbijgestreefd. Als ik hier ooit grote schoonmaak moet houden – hetgeen er daadwerkelijk zit aan te komen – dan raad ik mezelf aan een container te huren en alles erin te zwieren. Of toch bijna alles, want een aantal elementen werden destijds op zolder geplaatst om bij te houden. Ik denk aan het stevige hardhouten stapelrek, een zelfgemaakte lange bijzettafel en een marktkramerstent die ik ooit voor een habbekrats op de kop wist te tikken. Niet dat ik marktkramerambities heb, doch als abri voor een tuinfuif is ze evenzeer geschikt. Want dat ben ik wel nog van plan in mijn leven: ettelijke tuinfuiven geven.
Doch eerst maar eens een nieuw terras plaatsen, want vorige week ben ik door het bestaande geschoten met mijn rechtervoet, hetgeen me allerminst deugd deed. Houtrot na tweeëntwintig jaar geseling door ons Belgisch klimaat, het mag geen verwondering wekken.

Achter een gitzwarte kast – had ze vroeger geen glazen deuren? – lag er nog een stapel vergeelde Humo’s uit de tijd dat ik nog in kolder en gein geïnteresseerd was. Eén ervan maakte gewag van de oprichting van de commerciële zender VTM, ondertussen toch alweer dertig jaar geleden.
Ik vond er tevens een bundeltje biljetten van twintig Belgische franken (heden een halve euro), opgerold en bijeengehouden door een eindje vlastouw. Een snelle telling leerde me dat ik alzo drieduizend frank heb laten verkommeren, in die jaren een aanzienlijk bedrag doch heden nog amper vijfenzeventig euro waard. De tijden zijn danig veranderd, wat ik u brom.

Ik nam wat foto’s teneinde een schetsje te kunnen voltrekken van de toekomstige hobbyruimte mijner bedhelft. Exact opmeten doe ik immer daarna.
Ik weet nu al dat ik me met een aantal problemen geconfronteerd zie waar ik, nochtans doe-het-zelver zijnde, geen raad mee weet:

  • Er bevindt zich slechts één stopcontact op zolder. En daarop is de brander aangesloten. Elektriciteit installeren is echt niet mijn ding;
  • De verlichting is op één peertje na onbestaande. Er zal extra bekabeling moeten worden geplaatst naar de hobbyhoek;
  • De betonnen vloer is zo ruw en oneffen als de huid van mijn schoonmoeder. Voorlopig geen idee hoe ik dat zal oplossen.

Staat eveneens in de pijplijn voor 2019:

  • Het oude tuinterras afbreken en een nieuw (laten) plaatsen;
  • De grootste van de twee vijvers leegmaken en die ganse tuinhoek heraanleggen;
  • De hall renoveren en schilderen;
  • Overmatig veel werk op de agenda als zelfstandig hovenier.

Ik wou dat ik een kat was.
Dan had ik negen levens.
Ze zouden zéér van pas komen.

 

De zolder van zuid naar noord (boven) en van noord naar zuid (beneden). Afmeting: 16 x 10 meter, stahoogte: 2,5 meter.

[ Foto’s: © Menck | aanklikbaar voor groter ]

Advertenties

Als een eitje

Medio de jaren zestig van de vorige eeuw lieten mijn ouders een regenput plaatsen. Dan werd daar een handbediende smeedijzeren pomp op aangesloten waarmee mijn moeder op een relatief vlotte wijze haar wasmachine kon vullen.
Wasmachines werden toentertijd nog getankt via een luik aan de bovenkant waardoorheen emmers water werden gekipt. Zo’n machine had als hoofdtaak het in zeepsop verzonken wasgoed te verwarmen en het wat loompjes te laten ronddraaien in een soortement verzinkte kuip. Er was nog lang geen sprake van hoogtoerige inox trommels die textiel spoelen en het tevens handdroog zwieren.
Anno 2019 lijkt het folklore, maar toen was het bittere ernst.

Een regenput dus. Het betrof een overmaatse ronde kuip met deksel uit gewapend beton zoals we die heden nog steeds kennen. De inhoud was in die dagen met drieduizend liter echter geringer dan onze huidige modellen.
Met een stoere hijskraan zou de zware put ter aarde worden besteld, hetgeen een kleine volkstoeloop teweegbracht in het destijds slapende ouderlijke gat.
Maar het liep mis.
Nog voor de put kon worden neergelaten, brak de kabel van de hijskraan. Het betonnen gevaarte kwam met een doffe bons op de grond terecht en vertoonde prompt een barst van bodem tot top.
De aannemer trof schuld in dezen. Hij liet een nieuwe regenput aanrukken die dit keer zonder hindernissen werd geplaatst. Maar de gebarsten regenput werd achtergelaten in de tuin, tegen de omheining met de achterburen.

Pa besloot er kippen in te gaan kweken. Hiertoe werd, middels moker en beitel en met veel geduld en mankracht, een gat ter grootte van een deur uitgekapt. Een houten poortje sloot deze toegang af en hield ’s nachts tien gevederde dames binnen. Rond dit massieve betonnen kippenhotel werd een ren geconstrueerd die een beperkte uitloop garandeerde. En ziedaar: mijn vader startte zijn eigen kweekstation, want het pluimvee werd op schier anderhalve maand vetgemest, geslacht, gereinigd en in de diepvriezer gepropt. Daarna kwamen tien nieuwe dames logeren voor een week of zes.

Het slachten deed mijn vader zelf, hoewel dit geschiedde met een geweldige tegenzin van zijn kant. En die van de kippen, dat ook.
Pa had een aversie tegen dierenleed. Daarom diende het doden zo snel mogelijk te worden geëxecuteerd. De eerste poging, met een helaas iets te botte bijl, bracht geen soelaas. De kip in kwestie trok haar kop weg met als gevolg dat haar bek van haar kop werd gescheiden en ze bloedde als een rund. Ze werd uiteindelijk afgemaakt met een genadeslag van de spade, na haar eerst een tiental minuten achterna te hebben gezeten.

Om kip nummer twee naar het hiernamaals te verwijzen werd gebruik gemaakt van een aardappelmesje. De snavel werd met één hand vastgehouden wijl pa met zijn andere hand het mesje bediende. Ik moest tegelijkertijd de poten van de kip vasthouden omdat ze te heftig de lambada danste met haar lijf hetgeen doelgericht werken danig bemoeilijkte. Onze samenwerking lukte aardig. Met vaardige hand scheidde mijn vader de kop van de romp. Ik vond het vooral fascinerend dat de kop op zich nog een tijdje bleef leven en me gedurig knipoogjes toewierp. Ook het lijf leek nog een poos een eigen bestaan te leiden; de vleugels klapwiekten als gek wijl de poten houvast zochten in het ijle.
Deze methode werd echter afgevoerd wegens te arbeidsintensief en te ongecoördineerd.

Uiteindelijk is mijn ouwe een methode beginnen uit te dokteren die hij jarenlang heeft volgehouden. Deze briljante werkwijze was adequaat, pijnloos en wist de tien kippen tegelijk in één vlotte beweging het leven te ontnemen.
Mijn broer en ik maakten daartoe met onze schopjes tien putjes op rij in de moestuin. Daarin werden de kippen stuk voor stuk gedeponeerd op hun achterwerk en werden de putjes dichtgegooid. Thans staken nog slechts de koppen boven het maaiveld uit. Yep, maaiveld: de grasmachine werd over de koppen gedirigeerd en het eens zo akelige klusje was op een wip en een scheet gepiept. De koppen belandden netjes in de opvangbak van de grasmaaier, wat meteen ook een stuk properder werken was.
Vervolgens kon het slachten beginnen, een klus waar ook mijn broer en ik werden voor ingeschakeld. Ik heb alzo geleerd om vlot een chick binnen te doen en ze als een kip zonder kop compleet kaal te pluimen. Een behendigheid die me in mijn latere uitgaansleven meermaals goed van pas is gekomen.

Het leven als leermeester? Het heeft me geen windeieren gelegd, zeg ik u.

Boe noch ba

We namen plaats aan een ronde glazen tafel, hij met een kloeke bel cognac en ik met een veel te slappe koffie. Op een aftands taboeretje dat in de hoek van de verder lege kamer stond, bevond zich zijn jonge bruid. Ik schatte haar begin dertig, mogelijks iets ouder. Het gros van de tijd zat ze met gebogen hoofd in haar glas water te staren als ware ze verlegen om in onze nabijheid te vertoeven.
V
orig jaar had hij haar ten huwelijk gevraagd. Ze had meteen ja gezegd, zelfs nadat hij haar had voorgesteld om definitief in België te komen wonen.
Ze liet zich, welhaast op fluistertoon, ontvallen dat ze nooit meer terug wil naar Thailand. “Belgium bettel”, besloot ze kordaat, al was van enige overtuiging in haar nederige decisie niet veel merkbaar.
Haar Engels gaat erop vooruit”, gaf haar nieuwbakken echtgenoot me enigszins meesmuilend mee. “Maar nu volgt ze ook Nederlandse les. Nietwaar schat?”
“Ies moeluk, Dutch.” Waarna ze opnieuw het hoofd boog en haar volle aandacht weer op het glas water in haar handen richtte.

Hij is een naar België uitgeweken norse Duitser van achter in de zeventig. Drie jaar geleden verloor hij zijn eerste vrouw aan de dood door sterfte wegens overlijden. Zij had erop gestaan dat hij niet single zou blijven.
Na meer dan dertig jaar verblijf in ons land, is zijn uitspraak nog steeds erg Pfaffiaans. Voor de niet-Belgen onder u: hij spreekt Nederlands met een zware Duitse tongval.
“Nog ein Kaffee, Menck?”
“Nee, dank u. Laten we terzake komen.” Ik schoof mijn kartonnen mapje dichterbij en diepte een balpen uit mijn binnenzak op.
“Gut idee. Maar ich neem da nog ein beetchen cognac bei.” Hij stond op en slofte, zijn lege glas in de hand, naar het kleine aanpalende keukentje.
Er viel thans een welhaast breekbare stilte. Zij bleef gefascineerd naar haar glas water staren, misschien wachtend tot het geheel en al verdampte, en ik bladerde geruisloos door mijn schetsen en berekeningen.

Ein kot, dus. Ein afdak, eigenluk. Für de fietsen enerzeids en für de containers anderzeids.”
Met containers bedoelde hij de plastic gft- en vuilnisbak. Onze noorderburen plegen die dingen wel eens kliko te noemen.
De constructie diende te worden opgetrokken in een onregelmatig gevormde, scherpe L-hoek van de tuin. De afmetingen werden me een paar weken geleden bij benadering doorgemaild. Voor de rest kreeg ik carte blanche, zolang het maar “Nicht zu duur” zou zijn. “Geen kostbare tand- und groefplanken, bitte. Als de rommel an das sicht van de straat onttrokken ist, ist das al lang goed voor mei. Alles klar?”

Toen de klus eenmaal achter de rug was, werd ik snel en correct vergoed. Via-via vernam ik dat meneer erg tevreden was over mijn werk. Me deze heuglijke tijding in eigen persoon meedelen, was echter teveel van het goeie. Hij is een man van weinig tot geen complimenten met een star, koud gezicht dat zich nimmer laat aflezen. Zoals het een rechtgeaarde stoïcijnse Duitser betaamt, denk ik dan.

Dit voorjaar mag ik tevens de nu nog geheel uit gazon opgetrokken tuin aanleggen. En er zelfs een tuinschuurtje construeren. Dat is me ook wat waard, natuurlijk, al had een persoonlijk compliment of een gemeende dankjewel wellicht nóg meer deugd gedaan.

* * * * *

Aanvangssituatie:

Schets van de berging vóór opmeting:

Uitvoering en afwerking:

Materialen:

  • kerngeïmpregneerd vurenhout;
  • dakbedekking: multiplex + EPDM rubberfolie;
  • vloer: verharde dolomiet.

Later nog te plaatsen:

  • goten + regenpijp

___

[ Foto’s & schetsen: © Menck ]

Haar klei(n) geluk

Na een pauze van ruim twintig (!) jaar, is madam Menck weer aan het bakken geslagen. Anders dan u denkt, situeert dat bakken zich niet in de keuken doch wel in een ruim en lichtrijk pottenbakkersatelier in de schone Brugse binnenstad. Al ben ik ondertussen wel een paar keer ingefluisterd en bestookt met niet mis te verstane hints dat ze maar wát graag haar eigen kleine hobbyruimte zou willen betrekken. “Onze zolder is zo groot en is slechts stof aan het vergaren”, luidt het dan.
2019 wordt nog eens een druk jaar, zeg ik u.

Naast verf op doek gebruikt mijn madam nu dus ook weer klei om haar ideeën beeldend vorm te geven. Klei is zacht, kneedbaar, amorf, flexibel en vormbaar en wordt na het bakproces hard en ongenaakbaar. Maar ook kwetsbaar en fragiel of stoer en krachtig, robuust en aards.
In haar hart schuilt de ware pottenbakker die zweert bij de gebruiksfunctie, een traditie die sinds oudsher in stand wordt gehouden. Zij vervaardigt dientengevolge geen kunst; de ambachtelijkheid staat hoog in het vaandel. Kennis van materialen, technieken en gereedschappen is noodzakelijk om datgene te bereiken wat ze wil.
Als keramiste wil ze het gehele proces, van de zachte klei tot het versteende object, in eigen hand houden en niet zelden de grenzen van het materiaal kennen en tarten.

2019 is amper zeventien dagen oud, maar de oogst is nu al behoorlijk groot. Weet echter dat wat u onderaan dit logje treft, een werk van lange adem – lees: talloze processen – is. Zodoende werd met deze keramische schnabbel vorig jaar reeds een aanvang genomen.

Alle voorwerpen die ze creëert – en vroeger reeds vervaardigde – worden te onzent ook daadwerkelijk gebruikt. Kommen dienen om soep, thee en koffie in te doen, in de vazen en potten pronken geregeld bloemen en planten, en ons dagelijks servies, inclusief een stel robuuste spaghettikommen, is ooit aan haar draaischijf ontsproten.
Geregeld wordt iets uit de met tal van vormen en kleuren beladen etagère genomen om aan te wenden. Na gebruik vliegt het, zonder de minste gevolgen, de vaatwasser in om daarna weer te worden uitgestald. Geen centje pijn, kortom.

Mocht u, na het doornemen van dit logje, zin hebben gekregen om óók aan de slag te gaan, stuur me dan gerust een mail met al uw besognes. U vindt mijn – nieuw – e-mailadres bovenaan deze blog onder de zwarte knop ‘CONTACT‘.

 

[ Foto’s: © Menck ]

Meer van Katriens creaties vindt u
HIER.

Vet? Moddervet!

Mijn favoriete uk, het dochtertje van vrienden, werd afgelopen zomer vier. Twee weken voor haar verjaardag viel er een onwijs charmante – wegens door haar getekende – uitnodiging in mijn bus. Nu ja, bus: in mijn mailbox. De tekening was zorgvuldig ingescand. Een mens moet nu eenmaal mee met zijn tijd, zelfs al is-ie pas vier.

Bij een verjaardag hoort vanzelfsprekend een cadeautje. Via de mama had ik een hint ontvangen over iets wat dochterlief had ontdekt op YouTube, haar favoriete kanaal waarop ze voornamelijk tekenfilms verslindt: een mud kitchen.
Toen ik googelde op die term, want ik kende zo’n ding niet, bleek alras dat het om een eigenhandig ineengeflanst buitenkeukentje op kindermaat ging én dat het kleinood op korte tijd immens populair was geworden.

Zulk een keukentje is allerminst geschikt om pakweg pannenkoeken of brownies te bakken, maar zelf bereide zandtaartjes en moddercakejes, verkregen uit polychrome bakvormpjes in de gekste gedaantes, zijn dan weer wél een instant hit. Beetje water, beetje zand en roeren maar. Een kind kan de was doen.

Bij het aanschouwen van de honderden modderkeukentjes op mijn monitor, het ene al ingenieuzer en origineler dan het andere, viel me meteen op dat er voornamelijk werd gewerkt met pallethout. Doch aangezien een dergelijk speeltoestel overwegend buiten vertoeft, leek het me prudenter om te kiezen voor geïmpregneerd tuinhout. Een paar planken en een handvol schroefjes volstaan, dus erg prijzig is het allemaal niet.

Een mud kitchen ineenzetten, neemt slechts enkele uurtjes in beslag. Het is echter geraadzaam vooraf een ruw schetsje te maken waarop onder meer de diverse afmetingen zijn aangebracht. Eenmaal dat is gebeurd, is het een doe-het-zelfklusje waar je ontzettend veel plezier aan beleeft. Bij de vormgeving en de inrichting ervan laat je je fantasie maar naar hartenlust de vrije loop gaan. Tijdens het construeren, voelde ik me zelf weer even kind worden. Ronduit heerlijk.

Wat mijn geknutsel uiteindelijk heeft opgeleverd, treft u hieronder in enkele foto’s. En voor wie zelf aan de slag wil, is vooral pinterest.com een welkome stek. Kortom: u moest al bezig zijn!

Bovenstaand: stoeltje vervaardigd uit een stuk stam met daarop de afgezaagde leuning van een oud hobbelpaard.

[ Foto’s: © Menck ]

Carried away by a moonlight shadow

Vorig jaar verraste ik het innemende dochtertje van vrienden nog door voor haar uit twee houten wijnkratjes een fleurig poppenhuis te vervaardigen waarin ze haar Playmobilfamilie kon huisvesten. Het kind was, het moet gezegd, danig in de wolken met mijn polychrome constructie. Toch voor een maand of twee. Daarna was het finaal uit met de liefde voor de vierkamervilla en diens plastic bewoners.
Heden staat het kleinood stof te vergaren op zolder, stof waarin ik onlangs ‘vergane glorie’ schreef met mijn rechter wijsvinger.

Sedert enkele weken is deze uk – drieënhalve lentes ondertussen – geheel en al in de ban van de maan en de sterren. De échte maan, beste lezer, en niet de veelal banaanvormig getekende Janneke Maan en diens cartooneske consorten uit tal van kinderboekjes.
Zij aanschouwt de maan zoals volwassenen dat al lang verleerd zijn, tenzij ze Frank Deboosere heten: met onverholen bewondering, grote ogen incluis. Ze weet dat er diepe putten op de maan zijn, en zand en bergen en dat er al eens mensen op hebben rondgelopen. Al twijfelt ze bijwijlen nog wel eens aan dat laatste. Nu al niet vies van een conspiracy-theorietje, die kleine.

Ook overweldigend: de maan geeft zowaar licht! ’s Nachts dan nog wel, als het buiten voor de rest helemaal donker is. De maan is wat haar betreft het nachtlampje van de tuin en de sterren zijn pinkeltjes. Aan fantasie alvast geen gebrek.
Dat de maan eigenlijk de zonnestralen terugkaatst naar ons en zelf geen licht produceert, trachtte ik haar laatst bij te brengen. Ze schudde geagiteerd en langdurig van neen waardoor haar pijpenkrullen een onstuimige dans executeerden. Dat ik er helemaal niks van kende en toch eigenlijk wel een beetje dom was. Dat de zon voor overdag is en de maan voor ’s nachts. En dat ik toch nog véél moest leren.
Tegen dergelijk gefundeerd verweer kon ik geen woord inbrengen, dat spreekt voor zich.

Met Kerst schonk ik haar de maan. De realistisch ogende versie, die zich reusachtig en glorieus verheft boven een dennenbosje te midden van menigvuldig sterrengefonkel. Ik schilderde dit nachtelijke tafereel op een groot dunhouten paneel dat ik vervolgens achter glas heb ingelijst.
Om na meer dan dertig jaar nog eens lekker loos te kunnen gaan met fijne penselen en tubetjes olieverf, maakte me pueriel gelukkig. Er is aan mij geen groot artiest verloren gegaan, doch een kinderhand is gauw gevuld.
Alleen de sterren zijn zo fake als de borsten van La Cicciolina. Het zijn nachtelijk lichtgevende stickertjes. Een bewuste keus ten faveure van de kindervreugd. Een ruimhartige mens doet al wel eens een toegeving, ziet u.

En zo komt het dat er sedert deze week een heuse maan hangt te schitteren op de kamer van een kleine meid. Dat schitteren mag u overigens letterlijk nemen: een welgericht ledlampje speelt hierbij voor zon. Het eigenzinnige juffertje zal me binnenkort wel bijtreden wat mijn uitleg over de zonnestraalreflectie betreft, geloof me.

   

[ Foto’s: Menck | onderste foto’s: papa van de kleuter ]

Kaas come a casa

“Als hoofdmaaltijd wordt er driehonderddertig gram kaas per persoon voorgeschreven. Kijk maar, het staat letterlijk op de site.”
“Driehonderddertig gram? Is dat niet wat van het goede teveel?” twijfelde mijn madam.
“Ik geef slechts mee wat door de speciaalzaak wordt geadviseerd, een kaasdeskundige ben ik niet. Maar ik zou er toch maar voor gaan. Stel je voor dat we er niet in slagen alle hongerige magen te vullen; ik mag er niet aan denken.”

Afgelopen zaterdag organiseerden we een kaasavond voor acht personen – mijn madam en ik incluis. Daartoe haalden we exact 2,64 kilogram kaas in huis, verdeeld over twaalf qua smaak en afkomst erg uiteenlopende kwaliteitshompen. We serveerden tevens verschillende soorten brood, fruit en vruchtenjam.
Na afloop van deze bourgondische avond bleven we achter met meer dan de helft van de kaas. De zachte kazen waren ondertussen tot een soort kleverige smurrie verworden en vulden de woonkamer met bijzonder rijke geuren.
Wij houden het erop dat we voorafgaand aan de eigenlijke maaltijd waarschijnlijk te veel aperitiefhapjes hebben geserveerd.

Soit.

Toch nog even een leukigheidje meegeven dat deze calorierijke avond inluidde.
De kazen wilde ik namelijk à la façon de Menck presenteren. Niet op een ordinaire schaal of zo’n dertien-in-een-dozijn-kaasplank, dus.
Mijn aanpak daartoe was en is even simpel als doeltreffend:

  1. Zaag een boom om. Een overjaarse berk, bijvoorbeeld. Wegens de decoratieve schors.
  2. Haal uit diens stam, middels de kettingzaag, de benodigde aantallen tweeënhalve centimeter dikke houtschijven. Ik hield het op twee stuks:
    .

    .
  3. Schuur één kant van elke houtschijf zo vlak mogelijk:
    .

    .
  4. Rep u naar uw plaatselijke doe-het-zelfzaak en koop er de kleinste zwenkbare wieltjes verkrijgbaar. Voorzie vier stuks per houtschijf:
    .

    .
  5. Rep u nogmaals naar uw plaatselijke doe-het-zelfzaak en schaf u aldaar een voldoende grote doorzichtige plexiplaat aan van zowat een millimeter dikte. Knip er de omvang uwer houtschijven uit. Zulks lukt prima met een gewone keukenschaar. Plaats de alzo bekomen cirkelvormen op het geschuurde oppervlak. Op de wieltjes zou behoorlijk belachelijk zijn.
    .

    .
  6. Ziedaar uw geheel draai- en verplaatsbare, uitermate natuurlijk ogende kaasdienblad(en). Uw gasten hoeven zich niet langer uit hun stoel te lichten én de armen vruchteloos te strekken teneinde een stukje kaas te kunnen aansnijden dat zich op het verste randje van het kaasblad bevindt. Een simpele draaibeweging volstaat om de gewenste kaassoort in hun richting te dirigeren.
    .

    .

Volgende keer: hoe ik een fonduestel vervaardig uit twee afgedankte rollators en een Duitse legerhelm.


[ Foto’s: Menck ]