Categorie: Natuur

De schone en het beest

Op dat moment wist ik hoe het voelde om in het hart van baarlijke schoonheid te kijken. Wat me het eerst was opgevallen, waren de fascinerende kleuren.

Ze illumineerden de grauwheid van deze kille herfstdag al vanop grote afstand. Toen er ons nog amper een meter scheidde, hield ik halt en liet ik mijn ogen gretig doch eerbiedig glijden over de heldere oranje welvingen die waren afgebiesd met een okergele, rafelige kraag. Elke ondulerende schaal was meandrisch getooid met welhaast evenwijdig aan elkaar lopende baksteenrode banden. Ze brachten, gedetailleerd en afgetekend, een rustgevende symmetrie in de verder compleet organische vorm.

En dan die opbouw. Alsof iemand minutieus een indrukwekkende 3D-puzzel had geconstrueerd uit vlezige schelpen die elk groter waren dan de handpalm van een kolossale zeebonk. Het geheel was een machtig meesterstuk dat moeder natuur pardoes exposeerde voor menig gefascineerde passant.

Deze schitterende, massieve en ongeschonden zwavelzwam was voor Katrien en ik het dessertje van onze dag. Een select kransje hoogopgeleide dames en heren noemen hem habitueel ook wel eens Laetiporus sulphureus. Hij komt vooral voor op dode eiken, wat ook hier het geval was.

Over de plas wordt deze zwam Chicken of the woods genoemd, want de textuur en de smaak doen erg aan kip denken. Eetbaar dus, al dien ik hierbij een belangrijke voetnoot te plaatsen: er zijn mensen die een allergie voor de paddenstoel ontwikkelen doordat vooral de jonge exemplaren bepaalde alkaloïden bevatten.

Tot slot nog even meegeven dat het wegnemen van deze schoonheden uit de vrije natuur in ons land een strafbare handeling is:

Wilde paddenstoelen opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen is verboden onder het decreet natuurbehoud.
Op overtredingen staan volgens de letter van het Bosdecreet boetes van 100 tot 50.000 (!) euro, aldus het Agentschap Natuur en Bos.

’s Anderendaags bleek jammer genoeg dat niet iedereen daarvan op de hoogte is, getuige deze intrieste foto’s die ik nam:

Hier werd onmiskenbaar een mes of een ander scherp voorwerp gebruikt om de zwavelzwam in zijn totaliteit van de dode eik te scheiden. Toen ik deze geheel zinloze en ronduit vandalistische daad opmerkte, kreeg ik het warm en koud tegelijk. Want echt: waaróm toch?

Moge de lafhartige barbaar die deze kille daad op zijn geweten heeft, dan ook tergend traag stikken in een excessief pezig stuk Laetiporus sulphureus. Geen genade voor een dergelijke onverlaat, wat ik u brom.

[ Foto’s: © Menck ]

Opium voor de dromer: oudewijvenzomer

Er kwam ons een koppel veertigers tegemoet met in hun kielzog twee kinderen. Meneer en mevrouw droegen een wegwerpmondmasker en wisselden geen woord met elkaar. De kinderen toeterden de lucht vol wijl ze wild gesticuleerden.

Toen we elkaar wilden kruisen op het smalle zandpad, stapten zowel de man als de vrouw ostentatief twee meter opzij, de rijkelijk met netels begroeide beemd in. Ze schonken ons, niet-mondmaskerdragers, een giftige blik.
“Geen verplichting hoor”, maakte ik hen glimlachend diets. “Open lucht en zo.”
De man mompelde iets in zijn masker waardoor het een stond opbolde. Aan zijn ogen te zien was het alvast geen instemmende formulering. De vrouw zweeg, doch als haar starre kijkers kogels waren geweest, dan hadden ze ons, notoire virusverspreiders, ter plekke neergebliksemd.
Twee tellen later was het passeermanoeuvre wijlen. Achter ons hoorden we de man ineens zwaar rochelend hoesten. We keken elkaar aan en barstten terstond in lachen uit.

* * *

Over de weidse, rimpelende plas slingert zich een langgerekt hardhouten knuppelpad. De reeds lager staande zon strooide een sliert fel fonkelende parels op het wateroppervlak. Ik ging door de knieën en legde dit magische tafereeltje op de gevoelige plaat vast.
Wat verderop zagen we hoe een blauwe reiger met een welgemikte uithaal een vis aan zijn magistrale snavel spietste. De statige steltloper sloeg vervolgens met een gedecideerde beweging zijn nek achterover en stuurde alzo zijn wild spartelende prooi maagwaarts.
Op het moment dat ik mijn camera op de geduchte visrover richtte, steeg hij klapwiekend op, zweefde een wijl laag over de lagune en streek wat verderop neer tussen twee kloeke bundels lisdodden.
Een mislukte foto, een indrukwekkende waarneming.

* * *

Dit oorspronkelijke bufferbekken werd door de stadsgroendienst met vakkundig beleid omgetoverd tot een gevarieerd reservaat met een rijke fauna en flora. Het nuttige werd er op onnavolgbare wijze aan het aangename gekoppeld.
Op het moment dat Katrien en ik even halthielden om de laatste kleuren van de massale water- en oeverbegroeiing, badend in het mordoré licht van de ondergaande nazomerzon, ten volle tot ons te nemen, voelde ik hoe een gelukzalige gloed mijn hart vulde. Dat de natuur me nog immer, vaak tot tranen toe, kan beroeren, beschouw ik als mijn allergrootste fortuin. De helft mijner sponde even daargelaten, vaneigens.

En u?

Gemondkapt aanmodderen

De lockdown waarin we welhaast mondiaal verzeild zijn geraakt, maakt dat ik – net als ongetwijfeld velen onder u – zo stilaan toch wat zwaar op de hand aan het worden ben. Gelukkig zijn de strohalmen waaraan ik me optrek nog steeds sterk genoeg.

Als zelfstandig hovenier kan ik dan wel reglementair aan de slag blijven, doch ook in mijn vak loert het vermaledijde virus om elke hoek. Zo draag ik tijdens het arbeiden voortaan een mondmasker om de excessieve speekseloverdracht mijner overwegend bejaarde klandizie, die in meer gevallen dan ik bevroedde nog nooit van social distancing heeft gehoord, te weren.
Dat zulk een beschermende lor wat mij betreft niet bepaald een zegen is, valt te wijten aan mijn ongerijmde gewoonte om om de haverklap mijn lippen te bevochtigen met mijn tong. Het gevolg hiervan is dat het aanvoelt alsof ik mond en neus afscherm met een iets te intens gebruikte en pas afkoelende beflap. Met de uitzonderlijk zomerse temperaturen van de afgelopen week, leek het daarenboven alsof ik gedurig aan het vapen was, terwijl het gewoon mijn eigen mondvocht betrof dat via die vunzige vod verdampte. Moge de huidige koelere week daar please verandering in brengen.

Bovenstaande paragraaf kan de indruk wekken dat ik thans weder geheel de slaaf van een overvolle agenda ben geworden, doch niets is minder waar. Er zijn namelijk nog aardig wat klanten die de aanwezigheid hunner vertrouwde hovenier dezer dagen (lees: weken) niet op prijs stellen wegens latent besmettingsgevaar. Als zij in hun kot moeten blijven, dan ik ook maar.

En dus rest er mij meer vrije tijd dan me lief is. Tijd om aan het thuisfront zowel binnen als buiten diverse klussen uit te voeren die ik anders toch maar voor me uit zou hebben geschoven.
Verven, om er maar eens eentje te noemen. Ik beheers die nobele ambacht behoorlijk, doch executeer hem node. En aangezien de eindeloos lijkende quarantaine madam Menck en ik de gelegenheid biedt wat karweien van grotere omvang aan te gaan, verfden we meteen maar de hal en alle tien deuren die er op uitkomen. Wij betrekken een bungalow, ziet u. Daarin is een lange gang met veel deuren welhaast een conditio sine qua non.
Het eindresultaat van ons kwastenspel stemt zowel Katrien als ik uiterst tevreden. Wat voorheen een massieve expositie van vage zandkleuren was, is heden verworden tot een maagdelijk witte entree. Een langgerekte witte gang met plenty witte deuren: het is toch nog eventjes wennen. Als we onze woning binnenstappen, voelt het nog steeds alsof we een ziekenhuis betreden. Straks toch maar proberen om alvast díe knop om te draaien.

Á propos, wit: die kleur heerst niet alleen binnenshuis. Ook in de tuin, waarin ik steeds meer mijn heil zoek, is er momenteel een ware sneeuwexplosie aan de gang, slechts sporadisch onderbroken door een vonkje rood. En daar heb ik foto’s van. In dit annus horribillis zijn het shots die oplichten als fel fonkelende sterren in een verder compleet duistere nacht.

De bewijzen van onze verflust schotel ik u in de loop der lockdown geheid ook nog voor. Ik heb dus nog wel even de tijd, zeg maar.

.


Ondertussen net uitgebloeid: krentenboom (Amelanchier lamarckii).

Nog volop hun pracht tentoonspreidend (sierappel- en -kerselaars):

[ Foto’s: © Menck | aanklikbaar voor groter ]

Huizenjagers: speciale editie

Na afgelopen zondag – wat een overheerlijk weertje! – een paar baantjes te hebben getrokken in ons verwarmd olympisch zwembad, twee stukken vanuit Zambia geïmporteerde nijlpaardfilet aan de barbecue te hebben toevertrouwd, een halfuurtje in de op zolder geïnstalleerde cederhouten infraroodsauna te hebben vertoefd en ter verkoeling daarvan een helikoptervluchtje boven Oostende te hebben geëxecuteerd – wegens te lui om de luchtballon uit de paardentrailer te halen en die te verhitten voor een relaxerende wolkenvaart teneinde mijn chakra’s in de juiste banen te dirigeren – begon ik me toch ietwat te vervelen. Alledaagse dingen staan nu eenmaal snel tegen en aldus zocht ik later die dag mijn heil in wat creatief zaag- en timmerwerk ter algehele verstrooiing mijner kleurloze burgerbestaan.

Op een houten plank, die ik nog overhad na de bouw van onze indoorjacuzzi, tekende ik minutieus een handvol patronen uit. Vervolgens zette ik mijn wipzaag aan het werk, waarmede ik, voor alle duidelijkheid, niet de helft van mijn trouwboek bedoel. Al snel verkreeg ik alzo de benodigde houten vormpjes die in een logische volgorde aan elkaar werden getimmerd tot ik onderstaand tot volle tevredenheid stemmend resultaat verkreeg:

Het gaatje op mezenmaat – diameter drie centimeter – realiseerde ik met een klokboortje, waarna ik de kleine vogelvilla tevens van een landingsstokje uit sierpruimenhout voorzag. Ter afronding van het exterieur koos ik voor een restje oude rubberfolie als dakbedekking, hetwelk ik met nietjes fixeerde.

Noblesse oblige, en dus werden, alvorens te monteren, de binnenwanden van de vogelvilla bekleed met gestoffeerd Italiaans nappaleer. Tevens werd er een met dons gedrapeerd leg- en broedhoekje geconstrueerd ter grootte van maximaal acht eieren. Van dit uiterst elementaire onderdeel werden de zijkantjes afgewerkt met hoogwaardige Chinese zijde voorzien van een vrolijk voorjaarsbladmotiefje.
Het plafond van mijn vogelhuisje leukte ik op met een zonlichtimiterend ledlampje met fluittoonbediening, en ter finale completering voorzag ik de bodem van een op maat gemaakt stukje mosgroen Nepalees tapijt. Handgeweven, dat spreek voor zich.

Helaas vergat ik foto’s te nemen van de binnenkant. Mijn spijt is groot, want nu hangt het kleinood alreeds in de eik, de opening netjes naar het oosten gericht zoals menig vogelkenner immer voorschrijft.

Er is zodoende een nieuwe villa vacant in onze tuin. Benieuwd welk mezenkoppel deze speciale, gevleugelde aflevering van Huizenjagers wint.
Ik hou u, deemoedig en gedienstig zoals u mij kent, uiteraard op de hoogte van het verloop hiervan.

.

[ Foto’s: © Menck ]

Voor zij die ‘Huizenjagers’ niet kennen: KLIK!

Quarantaine sans gêne

Katrien drukt met een kleine keramiekspatel plakjes papierklei op een stevig opgeblazen ballon. De dunne partjes overlappen elkaar en vormen al snel een kom die zich strak om de latex luchtbol sluit. Daarna werkt ze het minutieus vormgegeven geheel af met een rudimentair aangebracht reliëfje.

Eenmaal de klei voldoende droog is geworden, zal ze de ballon laten knappen. Wat overblijft, is een holle creatie die zich, eens gebakken en geglazuurd, dienstig zal maken als eigengereide theelichthouder.
Het is telkens weer pure passie die mijn madam bekruipt als ze met klei bezig is, ook al doodt ze er thans vooral een ledig stuk coronatijd mee.

Gelukkig laat de zon zich dezer dagen overwegend van haar beste kant zien. Dan duiken we beiden welgemutst de tuin in.
In vergelijking met de vorige jaren staan we ver voor op schema. Er werd alreeds gesnoeid, geschoren en gewied, gekuist, geschikt en geplant. En er wordt bovenal genoten. De bloesems spatten als feeëriek voorjaarsvuurwerk van de sierfruitbomen, op tal van plaatsen wordt de klamme bodem gekliefd door bevlogen opduikend lentegroen wijl talloze baltsende mannetjesmezen, -mussen en -merels bronstige wijfjes onder hun aandacht trachten te kwinkeleren.

De lucht is, kortom, zwanger van een onstuitbare, grenzeloze geestdrift. Wij laten ons met veel graagte op sleeptouw nemen door deze dolle draaikolk van hartstocht, ook al gaat dit fraaie seizoen dan latent gebukt onder een abstracte volksvijand.
Zo ben ik het aloude houten tuinmeubilair te lijf gegaan met de hogedrukreiniger. Een dergelijke ingreep is absoluut not done, werd me ooit ingefluisterd door een gedreven houtbewerker. Hij zwoer bij hoog en bij laag dat de kern van het hout hierdoor beschadigd raakt. Dat zal best, doch ik heb gedurig nauwgezet gespritst met een aanvaardbare pressie. Immer handig, zo’n regelbare drukspuit.
Ons welhaast een kwarteeuw door weer en wind geteisterd – en nooit voorheen gereinigd – tuinameublement werd alzo getrakteerd op een verjongingskuur van heb ik u daar.

Heden oogt het terras weer ganselijk seduisant, doch gasten, alsook potplanten, blijven noodgedwongen nog wat uit. Ons leven ten volle kleuren, zal pas kunnen nadat de Boze Chinese Blafhoest met de noorderzon is vertrokken.
Mijn plannen voor een glorieus herenigingsfeest zijn nochtans zo goed als in kannen en kruiken. Familie en vrienden terug in de armen mogen sluiten, staat momenteel helemaal bovenaan mijn bucketlist.
Het wordt geheid een Garden Party die zijn weerga niet zal kennen. De barbecue zal worden verhit tot het vlees krijst om genade, de dranken zullen koel, fel en menigvuldig zijn en er zal gedanst en gelachen worden tot de nacht de ochtend wakker kust.

Hoeveel nachtjes slapen is dat nog?
En vooral: hoeveel keer de handen wassen?

.

[ Foto’s: © Menck ]

Zegt de ene boom tegen de andere

Bomen in groep communiceren met elkaar.
Dat klinkt ten zeerste onaannemelijk, en dat was ook het eerste dat bij me opkwam toen een boomchirurg me zulks een jaar of tien geleden verkondigde. Ik word in het ootje genomen, dacht ik nog. Doch de man nam zijn vak bloedernstig en stond nergens te boek als fantast.

Ondertussen weet ik dat de boomchirurg gelijk had. Bomen communiceren en interageren namelijk via een ondergronds schimmelnetwerk dat hen binnen een bepaald ecosysteem verbindt middels hun wortelgestel. Deze symbiose maakt het onder andere mogelijk dat voedingsstoffen gedeeld en verdeeld kunnen worden tussen de verschillende bomen onderling.
De grotere en oudere bomen, de moederbomen genoemd, zorgen er alzo voor dat zaailingen en jonge boompjes het halen, want de ouderlingen staan nu eenmaal in voor het voedingsbeheer van de ganse gemeenschap. Als een moederboom sterft – of wordt omgehakt – riskeren jonge boompjes in diens nabijheid het loodje te leggen.

Dat is pure larie”, opperde Gino. “Ik heb dat stupide broodjeaapverhaal ook al meegekregen.”
Gino is de mens die wel eens bijspringt als ik handen tekort kom.
“Lees erover en verrijk je kennis, beste Gino”, antwoordde ik schouderophalend. “Ik bespaar me alvast de moeite om je te overtuigen.”
Gino is een man met meningen waar hij doorgaans rotsvast van overtuigd is, ook al raken ze soms kant noch wal.
“Dus,” begon hij aarzelend, “als ik deze ouwe rakker hier omleg, dan zullen de vierentwintig anderen dat, eh,
voelen?”
“Voelen is veel gezegd. Maar de interactie via hun wortelgestel, en dan vooral via de
mycorrhiza-schimmeldraden waarin het vervlochten zit, stelt de andere bomen op de hoogte dat hun welvaren wordt verstoord.”
Ik moet wellicht als een belachelijk pedante professor hebben geklonken, want Gino keek me bepaald meesmuilend aan.
“Voor de, ahum, goede orde, Menck: als er één boom omvalt, ontstaat er een soort kortsluiting in de elektriciteit naar de andere bomen toe. Is dat het?” Hij schraapte zijn keel.
“Helemaal niet verkeerd voorgesteld, Gino.”
Prompt schoot hij in een daverende lach. Wat zeg ik: hij verslikte zich welhaast in onbedaarlijk geschater.
Weet je, Menck,” proestte hij, “vertel dit vooral niet teveel verder. De mensen zouden kunnen denken dat je… Enfin, je weet wel wattes.” Hij maakte met zijn wijsvinger een draaiende beweging tegen zijn slaap.
Hebben ze jou op school weleens een betweter genoemd, Gino?”
“Vaak, Menck. Héél vaak.” Met een krachtige ruk trok hij zijn kettingzaag in gang. “En dat kon me helemaal niets schelen”, bulderde hij over het tumult heen. Waarna hij zijn zaag resoluut tegen de stam drukte en het weldra houtpulp begon te sneeuwen.

Is de kabel aangehaakt?” riep ik naar de kraanbestuurder. Hij stak vanuit zijn cabine een duim omhoog. Ik zette mijn oorkappen op en wekte nijdig mijn trouwe Stihl tot leven.
Terwijl ik mijn eerste slachtoffer inwendig hoorde schreeuwen toen ik zijn ruwe bast openhaalde, beeldde ik me in dat de noeste en met kromme groeven dooraderde schors Gino’s rug was. Ik voelde terstond mijn hartslag dalen.

[ Foto’s: © Menck ]

 

* * *

Ruim tachtig procent van de vijfentwintig dennen in deze bostuin werd na gedegen onderzoek zwak dan wel ziek verklaard. Aangezien er reëel gevaar bestond voor ontworteling bij guur weer, werd wijselijk besloten om tot de kap over te gaan, niet in het minst omdat de woning zich middenin de dennengroep bevond.

De dennen (grove den / grenen) werden indertijd kunstmatig aangeplant als houtwinning voor de Limburgse mijnbouw. In deze ganse regio vind je nog legio overgebleven exemplaren. De meesten hebben een hoogte van rond de dertig meter en tal van omvangrijke naaldhoutzones zijn gemeentelijk beschermd op basis van uitzichtbepaling.

Uit het (hoveniers)leven gegrepen

Als hovenier betreed ik de meest uiteenlopende tuinen. Op vrijwel elk groen perceel steel ik met mijn ogen, want hoe alledaags een tuin soms ook lijkt, er valt vaker dan verwacht wel iets te ontdekken. Fijne creaties, creatieve oplossingen en charmante trouvailles leg ik met graagte op de gevoelige plaat vast, al zeker als ze vallen onder de noemer ‘goed(koop) gevonden’.

* * *

Behalve misschien in het schuurtje van opa, op – vooral Waalse en Franse – brocantemarktjes en in sommige veel te dure vintagewinkels, vindt u quasi nergens anders meer de geheel in onbruik geraakte metalen flessendroogrekken. Ze zijn zwaar, overmaats en voorbijgestreefd.

Ooit waren dergelijke rekken een zekere noodwendigheid en werden er melk-, limonade- en waterflessen op gedroogd teneinde die (verplicht!) proper te kunnen retourneren aan de plaatselijke melkboer dan wel brouwer. Heden leven we al tijden in een plasticmaatschappij en is een flessendroogrek nog slechts folklore.
Al zijn er tuiniers die een dergelijk vergeten object toch een coole nieuwe bestemming offreren:

* * *

Wat doet een kattenliefhebber wiens geliefde huisdier liever in de tuin dan binnenshuis vertoeft? Juist: een gezellig eigengemaakt buitenverblijf onder het lover voorzien voor dat beest, kekke kussentjes incluis:

* * *

Een zieke boom omleggen en de stam in moten zagen, betekent niet altijd dat er brandhout wordt gewonnen. Wat dacht u bijvoorbeeld van een geheel eigentijdse overwinteringsplaats voor egels?
Dit kunstzinnige ontwerp werd later trouwens afgewerkt met aarde, graszoden en mos. Ganz toll!

* * *

Bolacacia’s snoeien en de takken aan de composthoop toevertrouwen? Geen verkeerd idee, al kan er ook, zelfs gedurende langere tijd, eerst een tuinhoekje plattelandsromantisch mee opgeleukt worden:

* * *

Een kruiwagen die het hard te verduren krijgt, slijt en roest en wordt uiteindelijk afgeschreven. In plaats van hem dan maar meteen naar het containerpark te verwijzen, kan er evenzeer wat creatiever mee worden omgesprongen:

Bij diezelfde klant van me eten (’s winters) en drinken (’s zomers) de vogeltjes uit zijn handen:

* * *

Een wat kleinere tuin(hoek) kunt u optisch groter doen lijken door pienter gebruik te maken van een forse spiegel. Eenmaal strategisch goed geplaatst, creëert hij een immer in beweging zijnde trompe-l’oeil:

* * *

Plankresten gooi ik zelden weg. Want niks is leuker dan ze te investeren in nuttige kleinoden voor tuin en terras:

* * *

Wilt u op Moederdag vrouwlief verrassen met een weelderig en langlevend boeket zonder uw bruintje te plunderen? Vanaf volgende maand kan zulks weer volop. Een vaas gevuld met in de berm geplukt Fluitenkruid oogt ronduit feeëriek.
Of het wegnemen van Fluitenkruid langs de kant van de weg ook wettelijk te verantwoorden valt, weet ik echter niet, doch ik vergrijp me er jaarlijks meermaals aan.

* * *

Een deels vergane, lekke waterton een tweede leven geven? Met potaarde in plaats van water kan ze prima als attractieve plantenkuip dienen!

Hetzelfde geldt overigens voor zinken exemplaren:

* * *

Een aanhanger hoort bij een hovenier als bier bij een café. Maar soms, heel soms, laat dat ding het afweten en wordt het ter verzorging bij de remorquedokter gedropt. Op dergelijke momenten komt de plantrekker in mij naar boven: een bolderkarretje is dan alvast beter dan niets:

* * *

Bij één welbepaalde klant van me was het verlangen om ooit eens een ijsvogel bij zijn vijver aan te treffen een pak groter dan zijn gevoel voor goede smaak. Ach, nood breekt wet, zeg maar:

* * *

Eindigen doe ik met een foto die me tevreden en gelukkig stemt. Want als hovenier plant je meermaals een tuin aan zonder, enkele jaren later, het volwassen resultaat te mogen aanschouwen. Bij onderstaand stukje (voor)tuin kon dat wel, en bovendien vanuit de hoogte.
De foto nam ik vorig jaar in juni toen Rosa ‘Jacky’s Favorite’ (*) op haar fraaist te bewonderen viel tussen het symmetrisch opgebouwde groen van siergrassen en bolbomen.
Onstuimigheid binnen de perken: gotta love it.

[ Foto’s: © Menck | laatste foto aanklikbaar voor groter ]

____________

(*) Een creatie van Jaak ‘Jacky’ Vangampelaere, (gepensioneerd) professioneel rozenkweker, en tevens mijn schoonvader. De roos werd op mondiale schaal gecommercialiseerd wegens haar unieke eigenschappen.

Weer op pad

Hij is het type waar slechts weinig mensen voor vallen. Hij stapt traag en plomp en lijkt constant op zijn hoede. Om de vijf voet maakt hij pas op de plaats. Alsof hij elk ogenblik onheil verwacht. Tenzij hij veeleer kortademig is, wat best zou kunnen; zijn corpulente lijf zal hem beslist parten spelen.

Pas als de schemering de dag wandelen stuurt, gaat hij op pad. Mogelijks schaamt hij zich voor zijn pokdalige uiterlijk. Een dermatoloog zou aan hem een vette kluif hebben. Zijn voorkomen schrikt dan ook menigeen af. Sommigen vinden hem een ronduit weerzinwekkend creatuur en blijven bij voorkeur uit zijn buurt. Zijn bolle, priemende ogen boezemen angst in. Ze lijken dwars door je heen te turen met een blik die gif spuwt.

Hij staat te boek als de eeuwige loner, geïsoleerd en in zichzelf gekeerd. Ik heb hem nooit anders gekend. Zijn onooglijke vrijgezellenflat zal stellig donker, groezelig en van elke vorm van knusheid verstoken zijn. Een louter functioneel onderkomen waarin hij zich bij het krieken van de dag terugtrekt.
De nacht is zijn partner. Velen beweren dat hij dan uit is op gewillige prooien. Enkelingen dichten hem zelfs een smoezelig en profaan seksleven toe. Ze nemen daarbij expliciete woorden als gangbang in de mond, evenals wurgseks en geslachtsverkeer op openbare plaatsen. “Van zodra het warmer wordt, is het van dat” wordt er bedachtzaam gefluisterd. “Stel het u voor zeg, zoveel onbetamelijke bandeloosheid!”
Recentelijk vernam ik dat hij kinderen zou hebben bij verschillende vrouwen. Niemand weet precies hoeveel en met wie, maar sowieso zou hij zijn nakomelingen niet erkennen. Het maakt er hem niet bepaald sympathieker op.

En toch fascineert hij me. Hij is rap van tong. Hij zuigt zich vast aan nachtelijke omstanders. Dat is aanvankelijk even schrikken, maar met zijn verbazend lieflijke stemgeluid en zijn hypnotiserende blik trekt hij de argelozen moeiteloos naar zich toe. Dolzinnig kan je hem hierbij bezwaarlijk noemen; hij gaat immer omzichtig te werk. En telkens treft hij doel.

’s Winters weet niemand wat hij uitspookt. Dan verlaat hij zijn kluizenaarsstek onder geen beding. Er wordt wel eens smalend opgeworpen dat hij daar dan misschien één langgerekte winterslaap houdt. Een uitlating die iedere keer weer op massale instemming wordt onthaald wegens “echt iets voor hem”.

Gisterenavond liep ik hem onvermoed tegen het lijf. Hij staarde me een ganse poos verbolgen aan alvorens doodgemoedereerd zijn weg te vervolgen.
De winter loopt op zijn laatste benen. Hij is weer op pad.
.

[ Foto: © Menck | aanklikbaar voor groter ]

Galgenmaal

Aan de driftloos grijze dag begon zich pluis van schemer te hechten. Ik tuurde uit het raam, gefascineerd door het enthousiaste spel van de tuinvogels.
Divers pluimage deed zich te goed aan de overvloed die het winterrestaurant hen bood, een zelfbediening die door ons halfwekelijks wordt bijgevuld. Mezen scheerden door de lucht als werden ze door golfjes voortgestuwd, gestadig op en neer. Op de vetbollen kwinkeleerden vinken hun laatste hits van het etmaal tussen het driftig pikken door, allerminst geïmponeerd door een wild gesticulerend roodborstje dat met een zekere agressie de beste plaats opeiste.
Een plompe houtduif maakte een buiklanding in de winterborder als ware ze een aftandse Boeing die amechtig het tarmac aantikte. Alles wat de kleintjes van de hoog opgehangen graansilo’s lieten vallen, verdween in haar keel. In mijn hoofd nummerde ik elk kliekje dat ze naar binnen schrokte. Iets voorbij de tweehonderdvijftig raakte ik de tel kwijt, afgeleid door een groenling die gracieus op de betonnen voedselpaal neerstreek teneinde daar wat sneeuw te happen. Want ons restaurant serveerde die dag geen drank. Overmacht door vorst.

Idyllisch, hè?
Helaas stopt het hier.
Want wat ik nooit eerder mocht aanschouwen, werd me ineens vol voor de ogen gegooid: een sperwer op rooftocht. Een bloeddorstig mannetje. Hij kwam als een weerlicht uit het zwerk geschoten en stortte zich meedogenloos op de nietsvermoedende groenling.
Wat volgde, voltrok zich in een flits. De klauwen van de sperwer boorden zich diep in zijn gillende prooi. Oké, oké, een groenling kan niet gillen, maar zijn doodskreet klonk me in ieder geval wel zo in de oren. Meteen daarop werd de genadeslag toegediend middels een draaiende knauw van de vermetele haaksnavel in de strot van zijn zieltogende slachtoffer.
Een fijn straaltje opspuitend bloed viel in dieprode druppels uiteen op de smetteloze sneeuw. Het was prachtig en barbaars tegelijk.

Mijn madam vond het tafereel van een grenzeloze wreedheid getuigen en tikte met haar ring op het raam. De sperwer keek op, priemde zijn felle ogen een wijl in de onze en zette vervolgens zijn maaltijd verder. Wij waren ramptoeristen en hij duldde onze nabijheid.
Vanuit de losse pols nam ik een tiental foto’s. Van het minutieus pluimen van zijn prooi over het openrukken van diens strot tot het naar binnen schrokken van de darmen. De ganse opvoering nam uiteindelijk een kleine drie kwartier in beslag.

Niets zo overweldigend als de natuur doch ook niets zo meedogenloos. In het rijk der dieren is het steevast eten en gegeten worden.
We kijken er al lang niet meer van op als een onzer katten weer maar eens een muis verschalkt of een vogel te snel af is. Maar als een sperwer plots een groenling de dood injaagt, stokt ons hart. Dat van Katrien uit verontwaardiging en dat van mij uit ontzag. Ieder diertje zijn pleziertje, quoi.

 

[ Foto’s: © Menck | aanklikbaar voor groter ]

Ten baetens van

Als een legendarische klassieker zo magistraal wordt heruitgebracht, en als zulks dan ook nog eens gebeurt in het kader van een initiatief dat me bijzonder genegen is, kan ik niet anders dan er een logje aan wijden.

Actrice Veerle Baetens en The Broken Circle Breakdown Bluegrass Band brengen een eigenzinnige, beklijvende cover van ‘Laat ons een bloem’ van Louis Neefs. Zo willen ze Natuurpunt helpen om geld in te zamelen voor méér bos in Vlaanderen.
Doe ook uw duit in het zakje, en kom mee planten! Meer info vindt u HIER.