Categorie: Familie

Mobiel op een drafje

Toen ons oudste nichtje zestien werd, heeft ze zich, na een lange en geestdodende vakantiejob in een smoezelige pizzeria, een tweedehandse Vespa aangeschaft. Zulks geschiedde enigermate tegen de zin van haar ouders, want zij vonden die scooter “een regelrecht gevaar voor zo’n jong en bijwijlen nog onbesuisd kind”.

Die commentaar lachte ons nichtje overigens meedogenloos weg.
“Mijn ouwelui gedragen zich zo ongelooflijk oubollig”, vertrouwde ze me eens samenzweerderig toe. “Iederéén van mijn leeftijd heeft een brommer. Dit is wel de eenentwintigste eeuw hè, nonkel Menck.”
“Zorg maar dat er geen vliegen tussen je blokjesbeugel komen vast te zitten”, pareerde ik haar grootspraak met een knipoog. “Daar gaat hij beslist van roesten.” Waarop ze kirde als ware ze nog een jong meisje. Hetgeen ze ook was, maar thans wel eentje mét een scooter.

Pa en ma beseffen niet hoeveel ellendige uren ik hiervoor geklopt heb. Ik heb mijn Vespa echt helemaal alleen verdiend. Ik had gehoopt dat ze een duit in het zakje zouden doen, maar nee, niks. Pure tegenkanting noem ik zoiets.”
“Ze vinden het eigenlijk een klein beetje verloren geld,” probeerde ik voorzichtig, “want binnen pakweg anderhalf jaar…”
“Ga ik voor mijn autorijbewijs!” vulde ze me enthousiast aan. “Maar dan gaat de scooter naar mijn zus. Enfin, verkoop ik hem aan haar. Mag ze ook een luizig vakantiebaantje zoeken, net als ik.” Ze schonk me een schalkse glimlach.
“Tegen dan hoef je je alvast geen zorgen te maken over de aankoop van een auto”, gaf ik haar quasi achteloos mee.
“Hoezo?” Ze keek me enigszins achterdochtig aan.
“Als – en ik zeg wel áls – de MINI van Katrien het dan nog doet én bovendien door de autokeuring geraakt, is hij van jou. Lijkt me wel fijn als eerste karretje, niet?”
“Écht waar?”
“Echt waar.”
Waarna ze me uitzinnig om de hals vloog.

Ondertussen zijn we welhaast twee jaar verder. Ons spichtig nichtje van destijds nadert de achttien lentes en is verworden tot een pronte jongedame met een voorlopig rijbewijs op zak. Haar lief, ook een nieuw gegeven in haar bestaan, brengt haar met volle overgave de finesses van het autorijden bij.
Mijn madam en ik hebben de juffer, geheel volgens belofte, de sleutels van de MINI overhandigd. De MINI zelf ook, doch dat lijkt me vrij logisch.
Toegegeven, het kleine karretje vertoont wat onhebbelijkheden. De kofferklep dient van binnenuit te worden geopend, de afstandsbediening van de centrale vergrendeling weigert alle medewerking, de bekleding van de bestuurderszetel is op twee plaatsen gescheurd en de teller verraadt ondertussen een kwart miljoen kilometers.
Maar! De diepgroene carrosserie heeft de roestduivel al die jaren dapper van zich af weten te slaan, het motortje loopt nog immer als een recentelijk gereviseerd Zwitsers klokje en het bonafide ding behoeft geeneens vijf liter brandstof per honderd kilometer wijl het slechts geringe onderhoudskosten vergt.
Op een jongmens’ lijf geschreven, kortom.

Madam Menck, vorige maand alreeds drieënvijftig geworden, hoeft thans niet langer haar gestaag strammer wordende knoken te teisteren bij het instappen van haar gewezen benepen en laag-bij-de-grondse bolide, want haar verjaardagscadeau kenmerkt zich door een beduidend grotere verpakking. Zelfde merk doch meer uit de kluiten gewassen. Want ook achterin kan nu iemand plaatsnemen die niet het formaat vereist van een met anorexia behepte kabouter wiens onderdanen onontkoombaar werden geamputeerd.

Kortom: een ouwelullenbak in een lichtelijk krampachtig blits jasje.
Heden de norm, naar verluidt.

     

     

[ Foto’s: Menck | laatste vier foto’s aanklikbaar voor groter ]

Als een eitje

Medio de jaren zestig van de vorige eeuw lieten mijn ouders een regenput plaatsen. Dan werd daar een handbediende smeedijzeren pomp op aangesloten waarmee mijn moeder op een relatief vlotte wijze haar wasmachine kon vullen.
Wasmachines werden toentertijd nog getankt via een luik aan de bovenkant waardoorheen emmers water werden gekipt. Zo’n machine had als hoofdtaak het in zeepsop verzonken wasgoed te verwarmen en het wat loompjes te laten ronddraaien in een soortement verzinkte kuip. Er was nog lang geen sprake van hoogtoerige inox trommels die textiel spoelen en het tevens handdroog zwieren.
Anno 2019 lijkt het folklore, maar toen was het bittere ernst.

Een regenput dus. Het betrof een overmaatse ronde kuip met deksel uit gewapend beton zoals we die heden nog steeds kennen. De inhoud was in die dagen met drieduizend liter echter geringer dan onze huidige modellen.
Met een stoere hijskraan zou de zware put ter aarde worden besteld, hetgeen een kleine volkstoeloop teweegbracht in het destijds slapende ouderlijke gat.
Maar het liep mis.
Nog voor de put kon worden neergelaten, brak de kabel van de hijskraan. Het betonnen gevaarte kwam met een doffe bons op de grond terecht en vertoonde prompt een barst van bodem tot top.
De aannemer trof schuld in dezen. Hij liet een nieuwe regenput aanrukken die dit keer zonder hindernissen werd geplaatst. Maar de gebarsten regenput werd achtergelaten in de tuin, tegen de omheining met de achterburen.

Pa besloot er kippen in te gaan kweken. Hiertoe werd, middels moker en beitel en met veel geduld en mankracht, een gat ter grootte van een deur uitgekapt. Een houten poortje sloot deze toegang af en hield ’s nachts tien gevederde dames binnen. Rond dit massieve betonnen kippenhotel werd een ren geconstrueerd die een beperkte uitloop garandeerde. En ziedaar: mijn vader startte zijn eigen kweekstation, want het pluimvee werd op schier anderhalve maand vetgemest, geslacht, gereinigd en in de diepvriezer gepropt. Daarna kwamen tien nieuwe dames logeren voor een week of zes.

Het slachten deed mijn vader zelf, hoewel dit geschiedde met een geweldige tegenzin van zijn kant. En die van de kippen, dat ook.
Pa had een aversie tegen dierenleed. Daarom diende het doden zo snel mogelijk te worden geëxecuteerd. De eerste poging, met een helaas iets te botte bijl, bracht geen soelaas. De kip in kwestie trok haar kop weg met als gevolg dat haar bek van haar kop werd gescheiden en ze bloedde als een rund. Ze werd uiteindelijk afgemaakt met een genadeslag van de spade, na haar eerst een tiental minuten achterna te hebben gezeten.

Om kip nummer twee naar het hiernamaals te verwijzen werd gebruik gemaakt van een aardappelmesje. De snavel werd met één hand vastgehouden wijl pa met zijn andere hand het mesje bediende. Ik moest tegelijkertijd de poten van de kip vasthouden omdat ze te heftig de lambada danste met haar lijf hetgeen doelgericht werken danig bemoeilijkte. Onze samenwerking lukte aardig. Met vaardige hand scheidde mijn vader de kop van de romp. Ik vond het vooral fascinerend dat de kop op zich nog een tijdje bleef leven en me gedurig knipoogjes toewierp. Ook het lijf leek nog een poos een eigen bestaan te leiden; de vleugels klapwiekten als gek wijl de poten houvast zochten in het ijle.
Deze methode werd echter afgevoerd wegens te arbeidsintensief en te ongecoördineerd.

Uiteindelijk is mijn ouwe een methode beginnen uit te dokteren die hij jarenlang heeft volgehouden. Deze briljante werkwijze was adequaat, pijnloos en wist de tien kippen tegelijk in één vlotte beweging het leven te ontnemen.
Mijn broer en ik maakten daartoe met onze schopjes tien putjes op rij in de moestuin. Daarin werden de kippen stuk voor stuk gedeponeerd op hun achterwerk en werden de putjes dichtgegooid. Thans staken nog slechts de koppen boven het maaiveld uit. Yep, maaiveld: de grasmachine werd over de koppen gedirigeerd en het eens zo akelige klusje was op een wip en een scheet gepiept. De koppen belandden netjes in de opvangbak van de grasmaaier, wat meteen ook een stuk properder werken was.
Vervolgens kon het slachten beginnen, een klus waar ook mijn broer en ik werden voor ingeschakeld. Ik heb alzo geleerd om vlot een chick binnen te doen en ze als een kip zonder kop compleet kaal te pluimen. Een behendigheid die me in mijn latere uitgaansleven meermaals goed van pas is gekomen.

Het leven als leermeester? Het heeft me geen windeieren gelegd, zeg ik u.

K staat voor kut

Maandag 1 januari 2018

Er wordt getoost op het nieuwe jaar. ‘En op een goede gezondheid’ blijft voor het eerst onvermeld. De glazen worden enigszins schoorvoetend geheven waarna er welhaast werktuiglijk wordt genipt van de gouden bubbels. De stilte die volgt, duurt een fractie te lang. Aretha Franklin zet vanuit het behang een nieuw lied in. Sisters are doin’ it for themselves klonk nooit eerder zo gesmoord.
Ik zie dat Katrien naar haar zus kijkt. Hun ogen vinden elkaar. Haar zus wendt het hoofd af, reikt naar een borrelhapje op de salontafel, zet haar glas neer en staart vervolgens voor zich uit. Haar jongste dochter slaat een arm om haar heen. Ik merk hoe hun beider ogen waterachtig worden.

Anderhalf uur later wordt het hoofdgerecht geserveerd. Kabeljauw op een bedje van weetikveelwat begeleid door een te zoete wijn. De babbels na het maal zijn luid en worden zo nu en dan gelardeerd met een gulle lach om geestige anekdotes. De alcohol sorteert effect.
Ik ben met Katriens zus verwikkeld in een gesprek over pijnlijk dure Parajumpersjassen die heden opmars maken bij de jeugd en het Millet-tijdperk uit onze schooltijd doen herleven. We halen tal van herinneringen op, vergelijken toen met nu, laten ons treiterend-laatdunkend uit over de materialistische ingesteldheid van haar twee dochters die naast ons aan tafel zitten en kelderen elk verweer van de tieners.
“Je lach doet me goed”, geef ik haar ineens mee. Waarna ze haar gezicht instant in serieuze modus plooit als wil ze zich verontschuldigen om zoveel misplaatste uitgelatenheid.
Ik leg over tafel mijn hand op de hare. “Niet doen,” zeg ik, “een mens is het strijdbaarst als hij de lach blijft vinden.”
Ze kijkt me een hele tijd aan en glimlacht wijl de tranen over haar wangen rollen.

Woensdag 10 januari 2018

“Het ergste is achter de rug”, meldt mijn schoonbroer me telefonisch. “De tumor was helaas wel groter dan gedacht.”
“Wat houdt dat in?” vraag ik hem zenuwachtig.
“Dat de operatie jammer genoeg niet borstsparend was.”
Er volgt een lange stilte.
“En nu?”
“Sowieso bestraling. En afwachten of er geen uitzaaiingen zijn.”
“Ja.” Meer kan ik niet uitbrengen.
“Als de uitslag gunstig is, wordt er gedurende twee weken een soort ballon ingebracht om de huid op te rekken. Daarna volgt een reconstructie met eigen weefsel.”

Lang zal hij beven!

Zijn moeder was een halve zool en zijn vader een gehaaide egoïst-zakkenvuller.
De enige nestwarmte die hij als kind kende, was de hitte van de kachel. Zijn opvoeding bestond uit harde woorden, rake klappen en frequente vernederingen.
Op zijn veertiende stond hij al in de fabriek, een leeftijd waarop de kindervreugde normaal hoogtij dient te vieren. Werken moest hij, werken tot hij erbij neerviel. Zijn loon moest hij daarbij tot de laatste cent afgeven. “Tot de dag dat ge trouwt, manneke.”
Hij was eenendertig toen hij huwde, om halfacht ’s morgens in een schier lege kerk. Zijn enige wens was om linea recta op eigen benen te staan, bevrijd van de ouderlijke tirannie. Geen sinecure als je quasi platzak bent. De eerste huisraad was een door buren geschonken tafel en vier stoelen. Verder niks. Maar de vrijheid die hij genoot, was onbetaalbaar.

Dat een dergelijk verleden toch blijvende littekens op zijn ziel moet achterlaten, hoor ik u denken. Dat het welhaast niet anders kan dan dat zulks zijn eigen karakter nefast heeft beïnvloed.
Nee, dus.
Wel integendeel.
Want nooit nog zal ik zulk een aimabele, warmhartige, gulle, begripvolle en open mens leren kennen als mijn vader. O ja, hij heeft zijn kuren en kleine kantjes – koppigheid en drammerigheid om maar eens iets te noemen – doch wie zonder zonde is, werpe de eerste steen.
Hij heeft zijn kinderen geschonken wat hij zelf altijd heeft moeten ontberen: vrijheid, verantwoordelijkheid, ontplooiingskansen en liefde, héél veel liefde. Moest ik vader zijn geworden, dan wenste ik me prompt een aardje naar mijn vaartje.

Vandaag wordt hij vierentachtig.
Afgaand op de gemiddelde leeftijd van een Vlaamse man, worden hem thans extra jaren gegund. En dat terwijl hij al vanaf zijn vijftigste verkondigt “dat hij het niet al te lang meer zal trekken”.
Krakende wagens en zo, u kent dat wel.

Na het verlies van mijn moeder, ondertussen bijna vier jaar geleden, is hij wat vereenzaamd.
Een poos na haar overlijden schreef hij zich nog in bij een aantal ouderlingenverenigingen, maar heden laat hij ze stuk voor stuk links liggen. “Al die ouwe mensen ook”, is zijn enige uitleg.
Vertier vindt hij nog in fietsen, ook al vergaat zijn lichaam van de artrose. “Stappen lukt maar moeilijk meer, maar fietsen gaat nog wonderwel”, verkondigt hij telkens. Dat is: tot hij valt. Want zonder hulp van een welwillende medemens slaagt hij er hoegenaamd niet meer in om overeind te komen. De gedachte dat mijn vader ooit eens de nacht in een verlaten straatje zal dienen door te brengen, spookt dan ook geregeld door mijn hoofd.

Verder houdt hij zich onledig met tv-kijken, roddelblaadjes lezen, op zijn terras zitten en naar de radio luisteren.
Maar het liefst van al schaart hij zijn drie kinderen en diens partners rond zich. Dan vergeet hij even dat hij niet meer piep en vaak moe is en waant hij zich weer de energieke hoeder van weleer, vol enthousiasme en droge humor, met een vlotte babbel en geheel en al de tijd uit het oog verliezend.

Proficiat, ouwe. Dat we dat laatste woord trouwens nog vele jaren mogen bezigen. Zolang je maar niet begint te zingen. [ zie video onderaan ]


In huwelijksoutfit (mei 1964).


Genietend op het terras, een enigszins geforceerde glimlach om de lippen…


… al is te langdurige ernst niet aan hem besteed.


Even waant hij zich nog een jonge god in de sportbolide van mijn zus, maar zonder hulp van buitenaf raakt hij er geheid nooit meer uit.



Mijn vader “zingt” een ode aan mijn moeder.


[ Foto’s + video: Menck ]

Kerkhofblomme

[ Foto | tekst: Menck ]


Katrien creëerde een grafstukje met Vanda’s, de mooisten der orchideeën.
Drie resterende bloemen kregen elk een vaasje toegewezen en sieren de salontafel.
Als snijbloem blijft de Vanda drie weken goed in huis. De bloemen op de zerksteen zullen helaas te vroeg heengaan.
Net als de schone blomme die eronder rust.

Dag 30.316 – Gespreksflarden

“Juicht ende jubelt, vader(*): vandaag beleef je je dertigduizend driehonderd en zestiende dag op deze aardkloot. Dat is zoveel als drieëntachtig jaar. Iemand die niet weet hoe oud je bent, schat jou jonger in, zeg je altijd. En dan glunder je. Ik zou ook glunderen moest die eer me ooit eens te beurt vallen.”

“Je bent een van de laatste echte broekvegers die ik ken. Niet gemassacreerd door de nieuwerwetse lichting would-be goeroes die heden de boekskes bevuilen. Op je boterham pleur je échte boter en een hele plak spek. En uiteraard druipt het vet van je kin als je een kippenbil afpeuzelt. Cholesterol is een hol begrip voor je. Gek dat je desalniettemin maalt over je bloeddruk. Zo onprincipieel. Net zoals je zonder morren hebt aanvaard dat ik je levenswijze niet wil volgen.”

“Ik heb je menigmaal bewonderd en evenzo vaak verguisd. Toen ik niet kreeg wat mijn vrienden van gegoede ouders wél kregen, bijvoorbeeld. Of omdat moeder geëduceerd was en jij al op je veertiende in de fabriek stond maar me constant aanmaande om meer te studeren toen ik veertien was. Puberen, noemde je mijn gedrag. Infantiliteit mijnentwege, besef ik thans. Want zie mij nu, ondanks alles: ik ben evenzeer een ploeteraar geworden. Het is jouw beurt om mij te beschimpen. Maar jij doet zulks niet. Jij bent mijn vader.”

met mijn zakdoek
sla ik de stoflaag af
van een teruggevonden foto
uit de vergetelheid doemt
het beeld op van de vader mijner jeugd

“Je zult niet lang meer leven, beweer je. Dat oreer je overigens al minstens dertig jaar lang. Doch zie: op je taart staan drie kaarsjes. Ze staan voor de jaren die je moeder al hebt overleefd. Blaas ze maar uit. Spuw ze desnoods uit met al het opgekropte verdriet van de afgelopen drie jaar, het kan me niet schelen. Weet echter één ding: vandaag is het féést, verdomme. Ik hef, trots en vol respect, het glas op jouw gezondheid.
En hey, er zijn hapjes en taart en al. Proost!”


(*) Ik noem mijn ouwe al sinds mensenheugenis vader. Niet papa, niet pa en – godbetert – niet bij zijn eigen naam. Gewoon vader. Of voadre, in ons heilig dialect.

[ Foto: Menck W. ]

Brengen mij tot zingen: de kleine dingen

Het leven is een grote bundel van kleine dingen. Die universele vaststelling indachtig serveer ik u hierbij, zonder al te veel tekst doch voornamelijk middels voor zichzelf sprekende foto’s, een beknopte anthologie van mijn afgelopen dagen.
Weinig ophefmakends allemaal, doch wederom heel erg genoten, moi.

[ Het is een keer iets anders ]

Als hovenier is het fijn om zo nu en dan een opdrachtje voorgeschoteld te krijgen dat enigszins afwijkt van het gebruikelijke takenpakket. Compostbakken in elkaar zetten, om maar eens iets te noemen. En ze vervolgens voorzien van zelf uitgedokterde deksels. Want compostbakken zonder deksels zijn een klein beetje als maagzuur zonder Rennies: de vertering laat te wensen over.

Deze composietcompostbakken, waarvan alle onderdelen zijn samengesteld uit gerecycleerde kunststoffen, werden aangeschaft als een bouwpakket bij de lokale groendienst. Handleiding incluis, dat spreekt voor zich. Ecologisch, uitermate duurzaam en zeer betaalbaar: my kind of thing, kortom.

De deksels vervaardigde ik uit tweedehandse bangkiria (ofte bankirai) terrasplanken. Kostprijs: nul euro. (Oké, oké, een doosje schroeven, twee metalen handvatjes en vier roestvrije scharnieren niet meegerekend.)

Dat ik tijdens de werkzaamheden een wel erg geïnteresseerde toeschouwer naast me had, die zich bovendien uitgebreid liet fotograferen, vond ik extra vermakelijk.

Mocht er iemand in (de buurt van) Steenbrugge een tam dwergkonijn zijn kwijtgeraakt: mail me! Het is een schat van een beest, weet ik ondertussen.

[ De herfst is gearriveerd ]

Hoewel het gisteren niet meteen merkbaar was – lekker zonnetje en een fijne tweeëntwintig graden Celsius – heeft de herfst wel degelijk zijn intrede gedaan. Geheel onopgemerkt is diens komst toch niet gebleven:


[ Herfsttijloos | Colchicum autumnale ]


[ Liriope muscari ]

Na de afgelopen anderhalve maand te werden geteisterd door een niet aflatende droogte en een bijwijlen verzengende hitte die mijn lijf liet verworden tot een affreuze poel van zweet, muggenbeten en verbranding, stel ik de komst van het mooiste seizoen dan ook danig op prijs. Al mijn zintuigen genieten weer volop, want de herfst is synoniem aan bedwelmende geuren, feeërieke kleuren en een actief tuingebeuren. Eén langgerekt gevoel van extatisch proeven met ogen, oren, mond, handen en neus, kortom.

[ Buitenleven ]

Het kon – en kan nog steeds – perfect: buiten vertoeven. Het gestaag variërende uitspansel is tot nader order veruit het meest vertrouwde plafond van mijn habitat. Enfin, toch overdag.
En zulks is niet zelden je reinste geneugte.

Eveneens op het programma: kokerellen in open lucht nu dat nog tot de mogelijkheden behoort. Wat dacht u van een mosselfestijn in de kolengestookte wadjan, om maar eens iets te noemen.
Want voor mosselen mag u me op gelijk welk tijdstip wakker maken. En dat weten ze verdomd goed, die op culinair vertier beluste aangetrouwde familieleden van me.


[ Wadjan overvloedig insmeren met kokosolie ]


[ Groenten en kruiden toevoegen ]

[ De ingrediënten een wijl husselen ]


[ De vuurkracht wat intensifiëren middels stevig blazen op de kolen ]


[ Checken op gaarheid ]


[ En opdienen maar! ]

En u?

[ Foto’s: Menck W. ]

Facelift

Hoe ik een brede glimlach op het gezicht van mijn ouwe tover?
Met een likje verf, zo blijkt.

De letsels waren al jaren legio.
De tand des tijds kent weinig genade, ziet u.
Doch heden heerst weer de glans van oudsher.

[ Foto’s: Menck W. | garagepoort van de ouderlijke woning, d.d. 1964 ]

Die avond, mijn ouwe en de kraaien

“Er zit etter in mijn plas. Een heel zware blaasontsteking. De dokter is net weg.”
“Moet je pillen nemen?”
“Drie per dag. Antibiotica. Een kuur van twintig dagen. Om te beginnen.”
“En veel drinken, pa. Heeft de dokter dat niet gezegd?”
“Ja. Twee glazen water per dag, commandeerde ze.”
“Je bedoelt twee liter, veronderstel ik?”
“Goh, was het nu twee liter? Zou zomaar eens kunnen. Toeme, dat ben ik vergeten. Ik vergeet wel vaker iets de laatste tijd.”
Er verschijnt een diepe frons op zijn voorhoofd. Hij sluit even zijn ogen en vouwt zijn handen in zijn schoot.
“Het blijft warm, hè”, counter ik zijn gepeins.
“Nog tweeëntwintig graden. Ik heb daarnet de thermometer gecheckt. Gek, maar ik voel geen pijn als ik plas.”
“Dat is omdat er geen leven meer zit in die lul van je.” Ik lach. Mijn lach blijft onbeantwoord.
“Jongen toch, dat was vroeger wel even anders. Je moest eens weten.”
Thans grinnikt madam Menck wijl ze haar blik gericht houdt op het magazine waarin ze verdiept is.

De maan verschijnt sikkelvormig aan het firmament dat van blauw naar oranje overvloeit. Op de toren van de oude maalderij beginnen de kraaien zich te verzamelen. Een dagelijks ritueel alvorens ze met honderden hun slaapboom opzoeken.
“Je hebt dat echt goed gedaan, Menck.”
“Wat bedoel je?”
“De garagepoort.”
“Ach, dat. Nu, die kon na al die jaren wel een lik verf gebruiken, niet?”
“Het is minstens twintig jaar geleden dat ze geschilderd werd. Of misschien zelfs dertig, ik weet het niet meer.”
“Ze kan er weer twintig jaar tegen, pa. Degelijke verf, weet je wel.”
“Ja.”

Het verzamelde kraaienleger krast thans geagiteerd. Straks zal het, als ware het op bevel, ineens het luchtruim kiezen. Een boeiend schouwspel dat al jaren vanop het ouderlijk terras te aanschouwen valt.

“Wil je een gin-tonic, Menck? Het is er dé avond voor, vind ik. Je weet waar de flessen staan.”
“Straks. Wil ik voor jullie een fles cava ontkurken?”
Madam Menck kijkt op en mijn vader grijnslacht. “Het moet niet altijd water zijn, niet?”
“Jij ook, schat?”
“Bwah, waarom ook niet. Het is er inderdaad de avond voor.”
Ik sta recht en geef mijn ouwe een knuffel.

Het geheugen werkt vaak fotografisch.
Een flits van vroeger is er plots weer.
Niets beweegt erin, alsof de tijd besliste om even een korte rustpauze te houden.
Mijn vader zit nog steeds op dezelfde stoel.
Zijn gezicht kun je dichterbij halen.
Dan zie je hoe over zijn ogen een dun laagje vocht ligt en trilt, nog geen echte tranen, maar toch, iets als een pril begin van verdriet.
Zijn handen liggen in zijn schoot, lichtbruin, als gevallen bladeren, wegzakkend in een wolk van weemoed.
En ik, nog immer zijn kind, leg het hoofd met de rode schram over de wang op de harde rondingen van zijn knieën.
Straks, zo besef ik, laat hij mij los en leer ik de eenzaamheid van de volwassenen.

 

[ Foto & video: Menck W. ]

The chainsaw massacre

“Die boom is echt wel véél te groot geworden. Hij neemt onze zon weg!”

Aan het woord waren de rechterburen van mijn vader. Dat zijn blijkbaar mensen die de zon als hun eigendom claimen.
De boom in kwestie betreft de overjaarse berk in de ouderlijke tuin. Die majestueuze witschors staat mooi te wezen op minstens vijftien meter afstand van de perceelgrens. Met zijn hoogte van welhaast twintig meter is het geen kleine jongen, maar om nu te zeggen dat hij de zon wegneemt, is je reinste lulkoek. Ik wist overigens niet dat een boom de zon kan wegnemen. Als in: ik pluk je uit de hemel, gij vermaledijde koperen ploert.
“Laat je niet overhalen, pa”, adviseerde ik mijn vader die avond. “Je weet dat er een stel mierenneukers naast de deur woont. Door de berk komt hun terras ’s zomers hooguit een kwartiertje in de schaduw te liggen. Omwille daarvan ga je die oude reus toch niet neerhalen?”
“Neerhalen? Ik denk er niet aan. Maar drastisch snoeien wil ik misschien nog overwegen. Ik sta liever op goede voet met mijn buren, Menck. Het is me geen geruzie waard.”

Wie een berk aanschaft, beste lezer, weet op voorhand hoe groot hij zal worden. Kies in functie daarvan diens standplaats en besef bovenal dat een berk normaliter nooit dient gekortwiekt te worden. Meer zelfs: een berk drastisch terugsnoeien is een erg delicate operatie waarvan de gevolgen nimmer met zekerheid kunnen worden voorspeld. De sapstroom komt al erg vroeg in het jaar op gang en dat kan tot het zogenoemde bloeden leiden. En als een berk begint te bloeden, doet hij dat zelden bescheiden, soms met geheel of gedeeltelijk afsterven tot gevolg.
Wie, om welke reden dan ook, toch een berk gaat kortwieken, doet zulks bij voorkeur tussen halfweg december en de tweede week van januari. Door de kou ligt de sapstroom stil. Als het echter rapper dan verhoopt weer warmer wordt, kan het bloeden alsnog inzetten. Nogmaals: een erg delicate actie, en al zeker tijdens een winter als deze waar er van echte kou nog steeds geen sprake is.

Ondanks mijn eerdere tegenkantingen – “Van een berk moet je afblijven, pa!” – bleek mijn vader enkele dagen later ineens niet meer te vermurwen. De buren hadden hem er ongetwijfeld nog een paar keer op aangesproken.
En zodoende werd de berk gekortwiekt. Drastisch gekortwiekt. Ik zou bijna van kandelaberen gewag willen maken. Het resultaat is een voor meer dan de helft ingekorte hoofdstam en een stuk of wat resterende affreus kale zijstompen. De boom, of wat er thans moet voor doorgaan, doet me denken aan The Texas Chainsaw Massacre: pure horror als gevolg van gewelddadig en nietsontziend kettingzaagwerk, akelige bloedscènes incluis. Dit is een steek door mijn tuiniershart en een echte aanfluiting van de hovenier die prat gaat op zijn respect voor de natuur.

“Als de berk dit al overleeft, zal hij nooit meer uitgroeien tot de statige schoonheid die hij voorheen was”, gaf ik mijn vader mee. We stonden op het verhoogde terras getweeën naar de gehavende sukkelaar te staren. “Hij zal veeleer lijken op een overmaatse struik op stam dan op een fiere boom doordat hij een heksenbezem van flutstammetjes zal aanmaken in plaats van een nieuwe top te vormen.”
“Het is goed zoals het is”, was mijn vaders dwarse antwoord. “Bovendien gaat zulke kerngezonde reus heus zo snel niet naar de filistijnen.”
“On verra, papa.”
“En stront is kaka”, repliceerde hij infantiel rijmend ten teken dat verdere discussie niet aan hem besteed was.
“Ik krijg het koud, ik ga naar binnen”, besloot ik.
“Koud? Zo koud is het nochtans niet.”
“Het is de aanblik van zoveel doffe ellende die me koude rillingen bezorgt, pa.” Waarna ik resoluut de veranda instapte en de deur achter me dichttrok.

[ Foto: Menck | Twaait ]