Categorie: Plezanteriën

I want to ride my bicycle


Historische dag vandaag (voor u: vier dagen geleden, daar ik op afgelopen zondag doel), want ik bezigde voor het eerst mijn onlangs aangekochte tweedehandsfiets. Na de banden te hebben opgepompt en het zadel enkele decimeters lager te hebben gewrikt (de vorige eigenaar was een reus van om en bij de twee meter twintig) scheurde ik met gierende banden mijn garage uit.
O ja, dit voelde goed. Aan een rottempo schakelde ik van de eerste naar de zesde versnelling. Heerlijk ding. In een wip en een scheet haalde ik een snelheid die ik als astronomisch hoog ervoer. Doldriest beroerde ik de bel wijl ik een overjaars besje in een asgrijze driewielige scootmobiel voorbijschoot. Toen ik achterom keek zag ik haar tegen de stoeprand tot stilstand komen. Ze stak, uit consternatie geheel verkeerdelijk, haar wijsvinger naar me op. Hol schaterlachend vervolgde ik mijn weg.
Aan het kruispunt van de Leprastraat en de Syfilisdreef sprong het verkeerslicht op rood. Ik ging vol in de remmen. Alsof de hand Gods mij een duw in de rug gaf, werd mijn bovenlijf naar voren gedrukt. Een lichaam dat in beweging is, wil in beweging blijven, aldus de traagheidswet van Galileï-Newton. Gelukkig hield het antislip-gelzadel me op mijn plaats.
Er kwam geen verkeer van links. Er kwam geen verkeer van rechts. Verkeerslichten tarten bijwijlen alle logica. En aldus schakelde ik mijn stalen ros in zijn één, zette af met mijn rechtervoet en accelereerde vervolgens op een wijze die Wout van Aert met een bleekgetrokken gezicht zou achterlaten.
“Hela, gij daar!”
De bulderende stem kwam van achter me. Ik keek om en zag een geüniformeerd en gehelmd flikkenduo – ouder mannetje en jong vrouwtje – me al fietsend naderen.
“Halt!” riep de vrouwelijke helft me thans met overslaande stem toe. “U rijdt door het rood, meneer!”
In een oogwenk overzag ik de situatie. Oké, ik rééd door het rood. Maar ook oké: ik deed zulks zonder enig gevaar voor lijf en leden van mezelf noch van anderen. Bovendien naderde de mannelijke helft de pensioengerechtigde leeftijd en beschikte de vrouwelijke helft over ledematen die nog het best als stokjes te omschrijven vielen. Ze maakten met andere woorden geen schijn van kans tegen de drieste coureur die zich vandaag van me meester had gemaakt. Ik negeerde dientengevolge hun bevelen en schakelde een versnelling hoger.
“Stop! Nú!” weerklonk het achter me. Weerom draaide ik mijn hoofd. Hun achterstand was danig vergroot. Jolijt vulde mijn hart. Ik lichtte mijn lijf uit het zadel en ging met mijn volle gewicht op de trappers staan.
“Halt of ik schiet!” schreeuwde het overjaarse haantje van dienst.
Ik gierde het uit bij zoveel fantasie.
En ineens weerklonken drie droge knallen. Eén kogel trof me in de rechterschouder. Gek genoeg voelde ik me daardoor week worden in mijn knieën. Ik trachtte tevergeefs nog wat kracht naar de trappers te dirigeren, maar het werd me wazig voor de ogen en ik begon plots alles rondom me dubbel te zien. Een fractie later doemden vier flikken naast me op, twee mannetjes en twee vrouwtjes. Een koppel identieke tweelingen, dacht ik nog. Toen ging het licht uit.

“Verdomme, Menck, waarom moet ik altijd tien keer roepen alvorens je opstaat?”
Katrien.
“Laat me gerust. Zie je dan niet dat ik stervende ben?”
“Yeah, right. Je zult gas moeten geven om nog op tijd op je afspraak te zijn.”
“Ik gáf gas. Ik zal het nooit meer doen, schat.”
Met een luide zucht trok ze de kamerdeur achter zich dicht.

Kortstondige relatie met een viswijf

.
Gisterenavond heb ik aangepapt met een viswijf uit Nijlen.
Zulks is, voor alle duidelijkheid, niet van mijn gewoonte.

Ze heeft me echter verleid na mijn werkuren.
Mooie rondingen.
Een donkere nauwsluitende jurk met een printje.
Een lichtbruine tint.
Een puntig wit kapseltje.
Ze was, toegegeven, wat aan de zware kant, doch daar hou ik wel van.

We vertoefden een poos stilzwijgend in elkaars gezelschap.
Na een minuut of vijf omvatte ik teder haar hals.
Die voelde wat klam aan.
Toen mijn handen vervolgens haar gladde body beroerden en ik met een flukse beweging haar topje aftrok, werd ze zo nat dat ze alras begon te schuimen.

Voorzichtig dirigeerde ik haar richting mijn mond.
Haar geur bedwelmde me.
Zonder dralen beroerde ze mijn tong.
Ik gaf me over en voelde me al snel licht worden in mijn hoofd.
Ze bevredigde me.
Enigszins draaierig werd ik ervan.

En ineens was er die leegte.
Nochtans was ik tot op de bodem gegaan.
Kom ik ooit nog aan de bak?
Zou onze kortstondige relatie op de fles gaan?
Mijn gedachten leken wel beneveld.

Ik duwde haar van me weg.
Een viswijf is toch niet echt iets voor mij, besefte ik.
Niet dat ik haar een etiket wilde opplakken.
Dat was ook nergens voor nodig.

Ik nam afscheid onder begeleiding van een luide boer.
Zo’n viswijf zorgt nu eenmaal voor zure oprispingen.
Bovendien gaat mijn voorkeur uit naar blonde types met wat meer pit.
Morgen kan ik misschien eens aanpappen met een dulle teve.
Hop doet leven, niet?
.
.

[ Foto: © Menck ]

Beter dan zomaar wat

.
Mijn leven voelt momenteel aan als een Monopolyspel waarin ik alle kanskaarten trek zonder de gevangenis te mogen verlaten. Corona, zegt het u iets?

Gisteren vroeg buurvrouw me nog wat het eerste is dat ik zal doen eens corona geheel en al kapotgevaccineerd zal zijn.
“Je zulk een tong draaien dat al het wit uit je ogen wordt gezogen”, gaf ik haar instant te kennen.
Ze kirde als een bronstige duif wijl ze haar rechterhand door haar vette zwartgrijze haardos streek.
“Ik help het je onthouden”, was haar repliek. Waarna ze me scheef in de ogen blikte.
Buurvrouw loenst dat het niet schoon meer is. Bovendien ruikt haar adem naar veertien dagen oude maatjesharing en heeft ze okselvijvers waarop een met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tal van algen welig tieren. Ik hoop dientengevolge van harte dat de viruscrisis nog een behoorlijke poos mag standhouden.
“Nog iets?” proestte ze. Ze speelde het spel der onuitvoerbare verleiding, dat was duidelijk. Edoch we gingen erin op.
“Uiteráárd zal ik me vervolgens tomeloos verdiepen in een spelletje plietsepletse met die twee vleestomaten van je”, gaf ik haar met een stalen blik te kennen. “Bevrijd zijn van corona dient doorwrocht te worden gevierd, denk je niet?”
“Ik zal me met veel graagte overgeven aan je botviering, buurman. Uiteraard niet zonder tegenprestatie, dat spreekt voor zich.”
“Doe maar een voorstel”, haakte ik daarop in.
Thans viel er een stilte die pijnlijk lang duurde. Buiten het geknars van haar leuzige hersenraderen viel er hoogstens een eenzame merel met paardrang te horen. Ja, we dolden in de buitenlucht met elkaar, gescheiden door de gemeenschappelijke heg. Een afstandsgebeuren zoals dat nou eenmaal hoort in tijden van woekerende virussen.
“Ik zal er nog even moeten over nadenken”, besloot ze uiteindelijk met een stem die drie octaven was gezakt.
Een anticlimax als antwoord en een inbreuk op de speelse interactie. Mijn enthousiasme smolt als boter in een oververhitte pan.
“In dat geval trek ik me terug. Ik heb nog wat handwerk te verrichten.”
“Zolang het maar niet uit de hand loopt, Menck.”


Bleek dat gekke mens dan toch gevatter dan ik bevroedde.

.

The best is yet to come

.
De talrijke reacties die ik mocht ontvangen op mijn voorgaande schrijfsel waren hartverwarmend, helend en vooral onomwonden. Veel commentaren heb ik een paar keer herlezen omdat ze de troost boden die ik zocht, de warme humaniteit offreerden die in deze kwade tijden al eens durft zoek te raken en de stimulans waren die ik ten zeerste vandoen had. En dat, beste lezer, is wat ik bedoel met de wezenlijke interactie van het bloggen; de meerwaarde ervan is werkelijk onbetaalbaar. Waarvoor dank.

Twee dagen na publicatie van dat logje werd ik – alsof ze aldaar geabonneerd zijn op mijn stek – gecontacteerd door de afdeling chirurgie van het lokale ziekenhuis met de melding dat mijn operatie aanstaande vrijdag zal plaatsvinden. Maakt u zich hierover vooral geen zorgen, dat doe ik wel in uw plaats.
De ingreep is noodzakelijk. Ik bespaar u de details, maar grofweg komt het erop neer dat mijn gezicht via een heelkundige noviteit zal gewisseld worden met mijn reet omdat mijn adem te veel stinkt. U zult me naderhand herkennen aan mijn brede verticale glimlach. Doch tot zover de medische kant van het verhaal.

Om mijn inferieure humeur wat op te krikken, heb ik een beroep gedaan op mijn grenzeloze en onbeteugelde fantasie, zelfs in die mate dat ik ze meenam in een grandioze droom die ik u niet wil onthouden.
Ik was de CEO van een internationaal gerenommeerd hoveniersbedrijf. Mijn ruim vierhonderd man sterk veldpersoneel kon de onafgebroken binnenstromende opdrachten welhaast niet bolwerken.
Teneinde ook de boekhoudkundige en administratieve kant meester te blijven, had ik een honderdtal secretaressen in dienst genomen, zorgvuldig geselecteerd op hun beloftevolle capaciteiten en, geheel toevallig, allen jonger dan vijfentwintig.
De dag was gekomen dat ik mijn hondstrouwe medewerkers rijkelijk wilde belonen voor hun tomeloze inzet. De werkmannen ontvingen elk een bonus ter waarde van zegge en schrijve honderddertig euro en twee uren vrije tijd op elke eerste paaszondag van de maand september.
De secretaressen, tenslotte de groep met wie mijn samenwerking het innigst is, trakteerde ik op een veertiendaagse vakantie op het zonovergoten subtropische eiland Bora Bora met mezelf als enige reisleider. Zon, zee, strand, muziek en dans, totale zorgeloosheid en geheel verstoken van corona: life as we knew it.

Om het enigszins aanschouwelijk te maken, bied ik u onderstaande video aan. Zet uw geluid op tien, leun achterover en ga helemaal op in zoveel fraais.
Weet alvast één ding: als dat smerige virus finaal de pijp aan Maarten heeft gegeven, zal grenzeloos genieten effectief helemaal bovenaan op mijn to-dolijst prijken. Met de hand op het hart, wat ik u brom.
.

Caelum et terras miscere (*)

Niet zo lang geleden, toen Corona nog slechts de gemoederen beroerde van de Anonieme Alcoholisten, berichtte ik u over mijn houten terras en hoe rot het geworden was.

Dat relaas zette ik online voor ik besloot om een grote blogvakantie te nemen. Uw geheugen opfrissen kan overigens hier en hier.

Op het moment dat ik de oude fundering finaal verwijderde, vielen de mussen in groten getale dood van het dak door de premature hitte. April 2019 was de vroege aanzet van wat een van de heetste en droogste zomers sinds de eerste waarneming halfweg de jaren 1880 zou worden. Ik herinner me dat er dagen waren waarop ik tot vier flessen van anderhalve liter water met extreme begerigheid tot mij nam. Dat zijn hoeveelheden waar zelfs een middelgrote pony jaloers van wordt.

Terwijl de nietsontziende koperen ploert ongenadig mijn verzengde lijf teisterde, sleurde ik vierentwintig treinbielzen uit zes ton blauwe grind. Die tweeënhalve meter lange en loodzware liggers ging ik met de kettingzaag te lijf; ik deelde ze op in lengtes van een halve meter, een noodzaak om ze te kunnen behappen. Onverhoopt kon ik al die stukken in één (overbe)lading kwijt in het containerpark, zelfs al was dat niet geheel conform de aldaar gangbare reglementering. Lees: ik werd danig berispt doch mocht mijn vracht na de nodige discussies toch lossen.

De zesduizend kilo grind, zoals je dat heden nog steeds tussen de spoorbielzen vindt, kruide ik in een huurcontainer. Daar deed ik, rekening houdend met de geselende weersomstandigheden, menig uurtje over. Die avond dacht ik dat mijn benen waren gekrompen, doch het waren mijn armen die waren uitgerekt.

In een derde fase diepte ik spadegewijs de kurkdroge en navenant harde bodem uit tot op zowat vijfentwintig centimeter. Dat was nodig om een voldoende dikke laag gestabiliseerd zand in te voeren waarop dan de blauwsteen zou worden gelegd. Wórden gelegd, inderdaad, want die klus liet ik met veel graagte over aan een goed geoliede tandem vaklui. Ik had, zeg maar, ander katten te geselen.

En ziedaar, wat ruim twintig jaar lang drieëndertig vierkante meter houten plankier is geweest waarop allerhande mossoorten immer welig tierden, is thans verworden tot een strakke en onderhoudsarme tuinhoek. Doch ook nu geldt het credo van weleer: algehele verpozing galore.

Binnenkort – lees: begin mei – de kuipplanten uit de serre halen en samen met de tuinset terugplaatsen op onze gerevalueerde zonnestek en we kunnen, als zulks ons althans wordt gegund, nog vele decennia genieten als nooit tevoren.

Alvast een koel drankje, iemand?

(*) Hemel en aarde bewegen

[ Foto’s: © Menck ]

Vijandig landschap

Dat handvol weldoordachte vegen uit de diepte splijt ineens mijn imaginaire landschap. Er heerst thans het beoogde contrast in minnekleren en kleuren die exploderen als waren ze de introductie tot een moderne oorlogsvoering.

Mijn laatste polychrome streken laat ik samenvloeien als het orgelpunt van een extatische reis. Met een zucht ervaar ik een triomf zoals die een kwarteeuw geleden voor het laatst het roer van me overnam.
Ik schud me verdwaasd uit een roes van vier vluchtige uren waarin omgeving slechts verre vaagheid was. Al ervoer ik diffuus wel hoe een zwerm kauwen de avond sloot; hun rumoer tuimelde als een gedempte, mistige kakofonie binnen in de epiloog van mijn bezieling.
En ineens merk ik dat de duisternis reeds compleet is, de binnenstromende zuidwester de kleine koperen gong aan het openstaande raam beroert en de door olie en terpentijn bezwangerde kamer mijn ogen met tranen heeft gevuld.

Na een hele week verven heb ik eindelijk weer eens geschilderd. Het voelt aan als de loutering waar ik onbewust al tijden naar snakte. Die obstructie brak abstract open op een doek zo immens en maagdelijk blank dat ik er aanvankelijk bang van was. Tot ik the drive hervond die ik vijfentwintig jaar geleden liet voor wat hij was onder invloed van de loop mijner leven.

Als ik heden het bonte spel van vegen, lijnen en vlekken aanschouw, opgehangen tegen de witste wand van onze woning, word ik gelukkig op een kinderlijke manier. Mogelijks neigt zulks naar écht geluk, wars van alle sociale invloeden.

Doch oordeelt u hieronder vooral zelf.
En dicteer me vervolgens in alle eerlijkheid of u het doek zou ophangen of veeleer de schilder?
.

[ Foto’s: © Menck ]

Carried away by a moonlight shadow

Vorig jaar verraste ik het innemende dochtertje van vrienden nog door voor haar uit twee houten wijnkratjes een fleurig poppenhuis te vervaardigen waarin ze haar Playmobilfamilie kon huisvesten. Het kind was, het moet gezegd, danig in de wolken met mijn polychrome constructie. Toch voor een maand of twee. Daarna was het finaal uit met de liefde voor de vierkamervilla en diens plastic bewoners.
Heden staat het kleinood stof te vergaren op zolder, stof waarin ik onlangs ‘vergane glorie’ schreef met mijn rechter wijsvinger.

Sedert enkele weken is deze uk – drieënhalve lentes ondertussen – geheel en al in de ban van de maan en de sterren. De échte maan, beste lezer, en niet de veelal banaanvormig getekende Janneke Maan en diens cartooneske consorten uit tal van kinderboekjes.
Zij aanschouwt de maan zoals volwassenen dat al lang verleerd zijn, tenzij ze Frank Deboosere heten: met onverholen bewondering, grote ogen incluis. Ze weet dat er diepe putten op de maan zijn, en zand en bergen en dat er al eens mensen op hebben rondgelopen. Al twijfelt ze bijwijlen nog wel eens aan dat laatste. Nu al niet vies van een conspiracy-theorietje, die kleine.

Ook overweldigend: de maan geeft zowaar licht! ’s Nachts dan nog wel, als het buiten voor de rest helemaal donker is. De maan is wat haar betreft het nachtlampje van de tuin en de sterren zijn pinkeltjes. Aan fantasie alvast geen gebrek.
Dat de maan eigenlijk de zonnestralen terugkaatst naar ons en zelf geen licht produceert, trachtte ik haar laatst bij te brengen. Ze schudde geagiteerd en langdurig van neen waardoor haar pijpenkrullen een onstuimige dans executeerden. Dat ik er helemaal niks van kende en toch eigenlijk wel een beetje dom was. Dat de zon voor overdag is en de maan voor ’s nachts. En dat ik toch nog véél moest leren.
Tegen dergelijk gefundeerd verweer kon ik geen woord inbrengen, dat spreekt voor zich.

Met Kerst schonk ik haar de maan. De realistisch ogende versie, die zich reusachtig en glorieus verheft boven een dennenbosje te midden van menigvuldig sterrengefonkel. Ik schilderde dit nachtelijke tafereel op een groot dunhouten paneel dat ik vervolgens achter glas heb ingelijst.
Om na meer dan dertig jaar nog eens lekker loos te kunnen gaan met fijne penselen en tubetjes olieverf, maakte me pueriel gelukkig. Er is aan mij geen groot artiest verloren gegaan, doch een kinderhand is gauw gevuld.
Alleen de sterren zijn zo fake als de borsten van La Cicciolina. Het zijn nachtelijk lichtgevende stickertjes. Een bewuste keus ten faveure van de kindervreugd. Een ruimhartige mens doet al wel eens een toegeving, ziet u.

En zo komt het dat er sedert deze week een heuse maan hangt te schitteren op de kamer van een kleine meid. Dat schitteren mag u overigens letterlijk nemen: een welgericht ledlampje speelt hierbij voor zon. Het eigenzinnige juffertje zal me binnenkort wel bijtreden wat mijn uitleg over de zonnestraalreflectie betreft, geloof me.

   

[ Foto’s: Menck | onderste foto’s: papa van de kleuter ]

Amaïs nog niet (*)

Als jongeling, toen ik nog uitermate knap, bijzonder viriel, heel erg single, compleet onvermoeibaar en ten zeerste potig was, ging ik verschillende keren aan de slag bij een loonwerker tijdens de maïsoogstseizoenen om wat bij te verdienen. Een rijbewijs G was – en is nog steeds voor wie geboren is vóór 1982 – geen verplichting als meerderjarige. Zodoende mocht ik elk landbouwvoertuig tot een maximumgewicht van 44 ton besturen.
Ik kreeg ieder seizoen weer de grasgroene hakselaar toegewezen, een luidruchtige en enigszins aftandse John Deere.

De taakomschrijving was even kort als efficiënt: slaap weinig en werk veel. Een dag- en nachttaak naeen tot een goed einde brengen, was geen uitzondering. We hielden ons wakker met sterke koffie, zware shag en tonnen camaraderie. Want het moet gezegd: de groep waarmee ik van maïsveld naar maïsveld trok, was zulk een toffe bende dat ze voorgoed in mijn geheugen gegrift staat.

Deze week heb ik al meermaals teruggedacht aan dat avontuurlijke verleden, aan het goddelijke gevoel van vrijheid dat ik toen had, het niet aflatende gekscheren met elkaar en het besturen van zo’n machtige machine waarmee je immer op je hoede moest zijn en waar je toentertijd, zelfs met gehoorbescherming, potdoof van werd. Het maïsseizoen is immers weer volop aan de gang.
Als je, zoals ik, op het platteland woont, is het dezer dagen onmogelijk om je van a naar b te verplaatsen zonder minstens één mastodont van een tractor met zwaarbeladen pulpaanhanger tegen te komen. Op tal van velden ontwaar je reusachtige, hoogwielige monsters met blikkerende tanden die heelder rijen maïskolven zonder versagen naar binnen slokken. Ik word gedurig teruggekatapulteerd naar mijn eighties.

Vandaar ook dat onderstaande video me zo boeit. En al duurt deze opname de volle achtentwintig minuten, toch heb ik ze in één ruk uitgekeken. Meer nog: mijn ogen waren als het ware aan het scherm gebrand omwille van zoveel schoons.
Ach, kon ik nog maar één keertje zo’n wild beest berijden.

Alvorens u de PLAY-toets beroert: this is a man’s world. Al zijn sommige vrouwen er evenmin vies van, het moet gezegd.

 


(*) Refererend aan de Vlaamse uitdrukking ‘Amai nog niet’ –> Het zal wel zijn.