Categorie: Plezanteriën

Caelum et terras miscere (*)

Niet zo lang geleden, toen Corona nog slechts de gemoederen beroerde van de Anonieme Alcoholisten, berichtte ik u over mijn houten terras en hoe rot het geworden was.

Dat relaas zette ik online voor ik besloot om een grote blogvakantie te nemen. Uw geheugen opfrissen kan overigens hier en hier.

Op het moment dat ik de oude fundering finaal verwijderde, vielen de mussen in groten getale dood van het dak door de premature hitte. April 2019 was de vroege aanzet van wat een van de heetste en droogste zomers sinds de eerste waarneming halfweg de jaren 1880 zou worden. Ik herinner me dat er dagen waren waarop ik tot vier flessen van anderhalve liter water met extreme begerigheid tot mij nam. Dat zijn hoeveelheden waar zelfs een middelgrote pony jaloers van wordt.

Terwijl de nietsontziende koperen ploert ongenadig mijn verzengde lijf teisterde, sleurde ik vierentwintig treinbielzen uit zes ton blauwe grind. Die tweeënhalve meter lange en loodzware liggers ging ik met de kettingzaag te lijf; ik deelde ze op in lengtes van een halve meter, een noodzaak om ze te kunnen behappen. Onverhoopt kon ik al die stukken in één (overbe)lading kwijt in het containerpark, zelfs al was dat niet geheel conform de aldaar gangbare reglementering. Lees: ik werd danig berispt doch mocht mijn vracht na de nodige discussies toch lossen.

De zesduizend kilo grind, zoals je dat heden nog steeds tussen de spoorbielzen vindt, kruide ik in een huurcontainer. Daar deed ik, rekening houdend met de geselende weersomstandigheden, menig uurtje over. Die avond dacht ik dat mijn benen waren gekrompen, doch het waren mijn armen die waren uitgerekt.

In een derde fase diepte ik spadegewijs de kurkdroge en navenant harde bodem uit tot op zowat vijfentwintig centimeter. Dat was nodig om een voldoende dikke laag gestabiliseerd zand in te voeren waarop dan de blauwsteen zou worden gelegd. Wórden gelegd, inderdaad, want die klus liet ik met veel graagte over aan een goed geoliede tandem vaklui. Ik had, zeg maar, ander katten te geselen.

En ziedaar, wat ruim twintig jaar lang drieëndertig vierkante meter houten plankier is geweest waarop allerhande mossoorten immer welig tierden, is thans verworden tot een strakke en onderhoudsarme tuinhoek. Doch ook nu geldt het credo van weleer: algehele verpozing galore.

Binnenkort – lees: begin mei – de kuipplanten uit de serre halen en samen met de tuinset terugplaatsen op onze gerevalueerde zonnestek en we kunnen, als zulks ons althans wordt gegund, nog vele decennia genieten als nooit tevoren.

Alvast een koel drankje, iemand?

(*) Hemel en aarde bewegen

[ Foto’s: © Menck ]

Vijandig landschap

Dat handvol weldoordachte vegen uit de diepte splijt ineens mijn imaginaire landschap. Er heerst thans het beoogde contrast in minnekleren en kleuren die exploderen als waren ze de introductie tot een moderne oorlogsvoering.

Mijn laatste polychrome streken laat ik samenvloeien als het orgelpunt van een extatische reis. Met een zucht ervaar ik een triomf zoals die een kwarteeuw geleden voor het laatst het roer van me overnam.
Ik schud me verdwaasd uit een roes van vier vluchtige uren waarin omgeving slechts verre vaagheid was. Al ervoer ik diffuus wel hoe een zwerm kauwen de avond sloot; hun rumoer tuimelde als een gedempte, mistige kakofonie binnen in de epiloog van mijn bezieling.
En ineens merk ik dat de duisternis reeds compleet is, de binnenstromende zuidwester de kleine koperen gong aan het openstaande raam beroert en de door olie en terpentijn bezwangerde kamer mijn ogen met tranen heeft gevuld.

Na een hele week verven heb ik eindelijk weer eens geschilderd. Het voelt aan als de loutering waar ik onbewust al tijden naar snakte. Die obstructie brak abstract open op een doek zo immens en maagdelijk blank dat ik er aanvankelijk bang van was. Tot ik the drive hervond die ik vijfentwintig jaar geleden liet voor wat hij was onder invloed van de loop mijner leven.

Als ik heden het bonte spel van vegen, lijnen en vlekken aanschouw, opgehangen tegen de witste wand van onze woning, word ik gelukkig op een kinderlijke manier. Mogelijks neigt zulks naar écht geluk, wars van alle sociale invloeden.

Doch oordeelt u hieronder vooral zelf.
En dicteer me vervolgens in alle eerlijkheid of u het doek zou ophangen of veeleer de schilder?
.

[ Foto’s: © Menck ]

Carried away by a moonlight shadow

Vorig jaar verraste ik het innemende dochtertje van vrienden nog door voor haar uit twee houten wijnkratjes een fleurig poppenhuis te vervaardigen waarin ze haar Playmobilfamilie kon huisvesten. Het kind was, het moet gezegd, danig in de wolken met mijn polychrome constructie. Toch voor een maand of twee. Daarna was het finaal uit met de liefde voor de vierkamervilla en diens plastic bewoners.
Heden staat het kleinood stof te vergaren op zolder, stof waarin ik onlangs ‘vergane glorie’ schreef met mijn rechter wijsvinger.

Sedert enkele weken is deze uk – drieënhalve lentes ondertussen – geheel en al in de ban van de maan en de sterren. De échte maan, beste lezer, en niet de veelal banaanvormig getekende Janneke Maan en diens cartooneske consorten uit tal van kinderboekjes.
Zij aanschouwt de maan zoals volwassenen dat al lang verleerd zijn, tenzij ze Frank Deboosere heten: met onverholen bewondering, grote ogen incluis. Ze weet dat er diepe putten op de maan zijn, en zand en bergen en dat er al eens mensen op hebben rondgelopen. Al twijfelt ze bijwijlen nog wel eens aan dat laatste. Nu al niet vies van een conspiracy-theorietje, die kleine.

Ook overweldigend: de maan geeft zowaar licht! ’s Nachts dan nog wel, als het buiten voor de rest helemaal donker is. De maan is wat haar betreft het nachtlampje van de tuin en de sterren zijn pinkeltjes. Aan fantasie alvast geen gebrek.
Dat de maan eigenlijk de zonnestralen terugkaatst naar ons en zelf geen licht produceert, trachtte ik haar laatst bij te brengen. Ze schudde geagiteerd en langdurig van neen waardoor haar pijpenkrullen een onstuimige dans executeerden. Dat ik er helemaal niks van kende en toch eigenlijk wel een beetje dom was. Dat de zon voor overdag is en de maan voor ’s nachts. En dat ik toch nog véél moest leren.
Tegen dergelijk gefundeerd verweer kon ik geen woord inbrengen, dat spreekt voor zich.

Met Kerst schonk ik haar de maan. De realistisch ogende versie, die zich reusachtig en glorieus verheft boven een dennenbosje te midden van menigvuldig sterrengefonkel. Ik schilderde dit nachtelijke tafereel op een groot dunhouten paneel dat ik vervolgens achter glas heb ingelijst.
Om na meer dan dertig jaar nog eens lekker loos te kunnen gaan met fijne penselen en tubetjes olieverf, maakte me pueriel gelukkig. Er is aan mij geen groot artiest verloren gegaan, doch een kinderhand is gauw gevuld.
Alleen de sterren zijn zo fake als de borsten van La Cicciolina. Het zijn nachtelijk lichtgevende stickertjes. Een bewuste keus ten faveure van de kindervreugd. Een ruimhartige mens doet al wel eens een toegeving, ziet u.

En zo komt het dat er sedert deze week een heuse maan hangt te schitteren op de kamer van een kleine meid. Dat schitteren mag u overigens letterlijk nemen: een welgericht ledlampje speelt hierbij voor zon. Het eigenzinnige juffertje zal me binnenkort wel bijtreden wat mijn uitleg over de zonnestraalreflectie betreft, geloof me.

   

[ Foto’s: Menck | onderste foto’s: papa van de kleuter ]

Amaïs nog niet (*)

Als jongeling, toen ik nog uitermate knap, bijzonder viriel, heel erg single, compleet onvermoeibaar en ten zeerste potig was, ging ik verschillende keren aan de slag bij een loonwerker tijdens de maïsoogstseizoenen om wat bij te verdienen. Een rijbewijs G was – en is nog steeds voor wie geboren is vóór 1982 – geen verplichting als meerderjarige. Zodoende mocht ik elk landbouwvoertuig tot een maximumgewicht van 44 ton besturen.
Ik kreeg ieder seizoen weer de grasgroene hakselaar toegewezen, een luidruchtige en enigszins aftandse John Deere.

De taakomschrijving was even kort als efficiënt: slaap weinig en werk veel. Een dag- en nachttaak naeen tot een goed einde brengen, was geen uitzondering. We hielden ons wakker met sterke koffie, zware shag en tonnen camaraderie. Want het moet gezegd: de groep waarmee ik van maïsveld naar maïsveld trok, was zulk een toffe bende dat ze voorgoed in mijn geheugen gegrift staat.

Deze week heb ik al meermaals teruggedacht aan dat avontuurlijke verleden, aan het goddelijke gevoel van vrijheid dat ik toen had, het niet aflatende gekscheren met elkaar en het besturen van zo’n machtige machine waarmee je immer op je hoede moest zijn en waar je toentertijd, zelfs met gehoorbescherming, potdoof van werd. Het maïsseizoen is immers weer volop aan de gang.
Als je, zoals ik, op het platteland woont, is het dezer dagen onmogelijk om je van a naar b te verplaatsen zonder minstens één mastodont van een tractor met zwaarbeladen pulpaanhanger tegen te komen. Op tal van velden ontwaar je reusachtige, hoogwielige monsters met blikkerende tanden die heelder rijen maïskolven zonder versagen naar binnen slokken. Ik word gedurig teruggekatapulteerd naar mijn eighties.

Vandaar ook dat onderstaande video me zo boeit. En al duurt deze opname de volle achtentwintig minuten, toch heb ik ze in één ruk uitgekeken. Meer nog: mijn ogen waren als het ware aan het scherm gebrand omwille van zoveel schoons.
Ach, kon ik nog maar één keertje zo’n wild beest berijden.

Alvorens u de PLAY-toets beroert: this is a man’s world. Al zijn sommige vrouwen er evenmin vies van, het moet gezegd.

 


(*) Refererend aan de Vlaamse uitdrukking ‘Amai nog niet’ –> Het zal wel zijn.

Nu zij nog

“Met wie zou jíj eigenlijk eens een nachtje willen doorbrengen?”
Katriens ogen fixeerden me van boven haar magazine.
“Wat bedoel je?” vroeg ik afwezig. Ik zat volop in een film.
“Je favoriete onenightstand. Ik alleszins niet met Paul Jambers.”
“Paul Jambers? Hoe kom je dáár nou bij?”
“Hierdoor.” Ze reikte me het magazine aan. De kop van Jambers prijkte, slecht getrukeerd, op een atletisch lichaam. Achter hem stond een enigszins streng kijkende brunette. De foto suggereerde een beginnende stoeipartij.
“Wie is zij?” Bij nadere beschouwing had Jambers toch niet zo’n slechte smaak.
“Een of andere Amerikaanse journaliste die wereldtoerisme belicht. Zijn wens voor één nacht, blijkbaar. Ik ken haar niet.”
“Ach zo.” Ik gaf haar het blad terug en draaide me opnieuw naar de beeldbuis.
“Nu heb je nog niet op mijn vraag geantwoord.” Ze nam de zapper en dimde het volume.
“Moet dat per se nú? Ik tracht hier wel een film te volgen, schat.”
“Niet meer nodig. Kijk maar.” Ze knikte in de richting van het scherm.
“Getver, wééral reclame. Da’s al het derde blok. Klotezender.” Ik zuchtte en greep naar de zak chips op de salontafel. “Wat wilde jij ook weer weten?”
“Met wie jij voor een nacht de lakens zou willen delen. Doe maar alsof ik een glossyreportster ben.”
“Dat heb ik je toch al eens verteld, dacht ik.”
“Ja, maar dat was geen Belgische schone.”
“Die van Paul Jambers toch ook niet?”
“Nee, en dat vind ik raar. Normaal staat dit blad er iedere week op dat het een man of vrouw uit eigen land is. Jambers is bang om zijn onenightstand tijdens een tv-opname tegen het lijf te lopen, las ik. Nou, en?” Ze lachte.
“Wie zou jij kiezen?”
“Zo niet, hè. Ik heb de vraag wel eerst gesteld.”
“Goh, ik heb niet zo meteen iemand voor ogen, eigenlijk. Jij wel?”
Ze knikte en grijnsde. “Eerst jij.”
“Mag ik daar even over nadenken? Ik moet toch plassen. Potdenken gaat me goed af.”
“Oké. Ik wacht wel.”

Toen ik terug de woonkamer binnenkwam, speelde er een glimlach om mijn lippen.
“Wat loop jij nou te grijnzen?” vroeg mijn madam verbaasd.
“Ik grijns niet, ik wéét het.”
“O ja? Wie?”
“Raad ‘s.”
“Nicole van Hugo?” Ze schaterde het uit.
“Bijna juist. Een tip dan maar? Als ik me niet vergis, staat er een fotootje van haar in datzelfde magazine.”
“In déze editie, zeg je? Wacht, ik vind ze wel.” Ze begon naarstig te bladeren.
“Doe maar rustig. De film begint weer.” Ik nestelde me behaaglijk in mijn luie fauteuil.
“Bieke Ilegems?”
Ik trok mijn schouders op.
“Ja maar, je moet het me wel zeggen als ik erop zit, hè.”
“Ik zal het je vooral niet laten weten als ik erop zit.”
Een nanoseconde later zoefde er een weekblad door de lucht. Mijn afweerpoging haalde weinig uit; het boekske trof me in de nek en fladderde vervolgens op de grond. Het viel open op pagina 51.

“Kom dat tegen, zeg.” Ik raapte het verfomfaaide magazine van de grond. “Je hebt zowaar raak geschoten, schat.”
Mijn madam keek me een wijl niet-begrijpend aan. Toen glimlachte ze en griste met een ongekende felheid het blad uit mijn handen.
“Hmmjaaaah, dié heeft inderdaad wel wat.

 


UPDATE 24/01:
Wie klikt(e) op het punt achter de laatste zin van bovenstaand schrijfsel, ziet/zag dit plaatje verschijnen:


[ aanklikbaar voor groter ]