Categorie: Nostalgia

Amaïs nog niet (*)

Als jongeling, toen ik nog uitermate knap, bijzonder viriel, heel erg single, compleet onvermoeibaar en ten zeerste potig was, ging ik verschillende keren aan de slag bij een loonwerker tijdens de maïsoogstseizoenen om wat bij te verdienen. Een rijbewijs G was – en is nog steeds voor wie geboren is vóór 1982 – geen verplichting als meerderjarige. Zodoende mocht ik elk landbouwvoertuig tot een maximumgewicht van 44 ton besturen.
Ik kreeg ieder seizoen weer de grasgroene hakselaar toegewezen, een luidruchtige en enigszins aftandse John Deere.

De taakomschrijving was even kort als efficiënt: slaap weinig en werk veel. Een dag- en nachttaak naeen tot een goed einde brengen, was geen uitzondering. We hielden ons wakker met sterke koffie, zware shag en tonnen camaraderie. Want het moet gezegd: de groep waarmee ik van maïsveld naar maïsveld trok, was zulk een toffe bende dat ze voorgoed in mijn geheugen gegrift staat.

Deze week heb ik al meermaals teruggedacht aan dat avontuurlijke verleden, aan het goddelijke gevoel van vrijheid dat ik toen had, het niet aflatende gekscheren met elkaar en het besturen van zo’n machtige machine waarmee je immer op je hoede moest zijn en waar je toentertijd, zelfs met gehoorbescherming, potdoof van werd. Het maïsseizoen is immers weer volop aan de gang.
Als je, zoals ik, op het platteland woont, is het dezer dagen onmogelijk om je van a naar b te verplaatsen zonder minstens één mastodont van een tractor met zwaarbeladen pulpaanhanger tegen te komen. Op tal van velden ontwaar je reusachtige, hoogwielige monsters met blikkerende tanden die heelder rijen maïskolven zonder versagen naar binnen slokken. Ik word gedurig teruggekatapulteerd naar mijn eighties.

Vandaar ook dat onderstaande video me zo boeit. En al duurt deze opname de volle achtentwintig minuten, toch heb ik ze in één ruk uitgekeken. Meer nog: mijn ogen waren als het ware aan het scherm gebrand omwille van zoveel schoons.
Ach, kon ik nog maar één keertje zo’n wild beest berijden.

Alvorens u de PLAY-toets beroert: this is a man’s world. Al zijn sommige vrouwen er evenmin vies van, het moet gezegd.

 


(*) Refererend aan de Vlaamse uitdrukking ‘Amai nog niet’ –> Het zal wel zijn.

Advertenties

Rust roest

Vandaag deed ik, overigens geheel onverwacht, een poos aan urban exploring.
Kent u dat begrip?
Kortweg betekent het het cameragewijs vastleggen van vergankelijkheid en het documenteren van alles wat zorgeloos is achtergelaten door de mens. Urban explorers of urbexers richten hun lenzen vooral op oude gebouwen. Van kloosters vol mottenballen en verlaten kastelen waar het lijkt alsof de bewoners elk moment wakker zouden kunnen worden na een honderdjarige slaap, over ontmantelde energiecentrales tot spookachtige, leegstaande hospitalen en aula’s. Maar ook vergeten en vergane voertuigen, schepen en vliegtuigen worden met veel gretigheid belicht.

Terwijl ik me deze namiddag volop wijdde aan mijn dagelijkse bezigheid, zijnde garden exploring, ontdekte ik ineens, verscholen in een afgelegen struweel en omsingeld door heelder bossen opgeschoten netels, onderstaand aftands duo. Prompt staakte ik mijn bezigheden, haalde mijn camera uit mijn busje en nam gretig kiekjes wijl ik tijd en ruimte eventjes compleet vergat. Mijn liefde voor oude automobielen is welhaast legendarisch, ziet u.

Ik herkende onmiddellijk een Citroën Traction Avant waarvan de houdbaarheidsdatum al ruimschoots is overschreden. Maar zelfs nu nog wist deze grande dame me danig te imponeren. Haar wonderlijke welvingen vol diepbruin edelroest gingen schuil onder een uitermate bekoorlijk patina. De tand des tijds is niet mild geweest voor haar, doch ze draagt haar lot tot op vandaag met waardigheid.
Enigszins anders was het gesteld met de metgezel die ongetwijfeld al menig jaartje aan haar zijde vertoeft. Deze bedaagde pick-up – wie kent het merk en type? (een Renault Vivaquatre BDH4 Commerciale – met dank aan De Fruitberg) – was omzeggens totaal verstoken van kleur en glans. Toch verraadden nog enkele sporadisch achtergebleven verfspikkels dat hij ooit in een donkerrood jasje gehuld is geweest.
Met één oog blikte hij me vol bravoure aan toen ik ootmoedig neerhurkte en mijn Canon eerbiedwaardig op zijn getaande ponem richtte wijl de netels mijn reet kietelden.

Toen mijn werkdag erop zat, wierp ik het duo nog een eresaluut toe, hees me in mijn bestelwagen en schudde vervolgens, geheel melancholisch, mijn hoofd om al het moois wat was en nimmer zal terugkeren.

[ Foto’s: Menck | locatie: Kortemark ]

Weltschmerz, medicijnen en mijmeringen

De dag van gisteren is gestart onder een dingsig gesternte. Waar het door kwam, daar kwam het door. Een mens heeft zulks maar zelden in de hand.

Het begon die morgen al: ik raakte ineens diep ontroerd door de intense goudkleurigheid van mijn ochtendurine. Met trillende lippen prees ik mijn blaas om zoveel liquide schoonheid. Toen ik na de plas rechtstond om mijn broek op te hijsen, bereikte een uitermate miniem en warm gedruppel mijn linkerdij. Tranen, zo vermoedde ik. Al riep de plotsheid ervan evenwel verwondering bij me op.

Tijdens het ontbijt vloog er een musje tegen het keukenraam. ’t Kan ook een meesje geweest zijn. Of een winterkoninkje, ‘k wil er vanaf zijn. Het beestje was in ieder geval kleiner dan de meeuwen die hier veelvuldig rondcirkelen. Wat restte, was een bloederige smurrie waarin tal van pluimen kleefden. Ik raakte diep ontroerd door de intense goudkleurigheid van het gevederte. Er bengelden opnieuw tranen. Tranen om wat vermoedelijk dan toch een goudvink zal geweest zijn.

In de brievenbus ontwaarde ik een grote enveloppe. Ik scheurde ze open en zag vette doch zwierige gouden letters. Ik had met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tienduizend euro gewonnen. Dat zou al blijken na een eerste bestelling van tweehonderd vijftig euro. Wederom tranen. In mijn koffie dit keer. Het doet wat met een mens.

Onder dat droefgeestig gesternte stapte ik een wijl later in mijn bestelwagen. De dag stond in het teken van een nieuw aan te leggen tuin in het verre Assebroek alwaar ik allerhande opmetingen te verrichten had. Meer zat er jobgewijs niet in, want sinds vorige week is mijn rechterschouder kaduuk en is diens aanhangsel, ook wel rechterarm genoemd, vleugellam. Sturen deed ik dientengevolge met mijn linkerhand en de versnellingspook bediende ik met de rechterknie. Geen fijne manier om een werkdag aan te vatten, temeer daar ik ook koffie aan het manoeuvredrinken was.

“Alles goed?” begroette de klant me monter en opgewekt.
Dat ik zware medicatie moet nemen die heel mijn maaghuishouding verstoort, iets waartegen ik eveneens pillen slik, hield ik wijselijk voor mezelf. Dat die medicinale combinatie heeft geresulteerd in een blaasjeseczeem over gans mijn lichaam, ik dienaangaande een dermatologisch onderzoek moest ondergaan en vervolgens een antibioticum, een ontstekingsremmer en cortisonezalf werd voorgeschreven, deelde ik de brave man evenmin mee. Zelfs over de gekmakende jeuk die dit euvel veroorzaakt, hield ik mijn lippen stijf op elkaar.
En dus verkondigde ik hem met een gekunstelde glimlach: ‘Alles prima, hoor.”

Tijdens de opmetingen en het foto’s nemen, welden er drie tranen op in de linkerhoek van mijn rechteroog. Was het de snijdende noorderwind die mijn gelaat als met naalden teisterde, of werd ik dan toch geraakt door de schoonheid van het project dat me te wachten stond? In mijn hoofd maakte ik tal van calculaties: zoveel ton compost, zoveel zakken bentoniet, zoveel plantjes, zoveel heesters, zoveel geld. Zoveel te doen en zoveel pijn. Zo verdomde veel treurnis. Het leek wel of ik me aan het wentelen was in zelfbeklag en er stiekem van genoot.

Later die dag plaatste ik de bestellingen, betaalde voorschotten en reed huiswaarts, doch niet alvorens nog even wat rust in mijn hoofd te tanken. Dat bewerkstelligde ik, zoals wel vaker, op een mij vertrouwde plek: de groene oase waar ik al sinds mensenheugenis kom. (Zie link onderaan dit logje.)
Er ontsprong wederom wat zoutwater in mijn ooghoeken. Toen ik naar mijn zakdoek tastte, viel er een houtduif uit een grote, knoestige eik. Ze bleef roerloos en ruggelings op de grond liggen met haar beide vleugels wijd opengespreid. In de verte hoorde ik een donderslag, ook al kon de hemel niet helderder zijn.

Nogmaals: weltschmerz.
Lach er gerust om.
Maar sta me toe dat ook te doen als ú erdoor overvallen wordt. Want – gaf ik het u reeds mee? – een mens heeft zulks maar zelden in de hand.

Mijn toevluchtsoord in tijden van innerlijke onrust vindt u overigens HIER.
Fijne plek vol persoonlijke nostalgie en in een ver verleden zelfs de werkstek van wijlen mijn moeder.

De Koektrommel | 2. Wilde boerendochter

De blogchallenge voor 2017, De Koektrommel, werd gelanceerd door Thomas Pannenkoek. Ik geef er met graagte gevolg aan.


De zomer van 1951.
Koning Boudewijn besteeg de troon in België net nadat de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en 44 andere landen officieel de staat van oorlog met Duitsland beëindigden. Bij onze noorderburen deed de tv zijn intrede. In de eerste jaren keken er maar enkele duizenden mensen televisie, vooral door de technische beperkingen en de torenhoge aankoopprijs van de toestellen. België zou zelfs nog twee jaar uitsluitend aan de radio gekluisterd blijven.

In dat jaar werd mijn moeder achttien. De oprukkende modern times van weleer gingen aan haar voorbij. Ze las de krant waarop wat later de patatten geschild werden, luisterde daarbij vaak naar de middengolfradio (Nat King Cole! Tony Benett! Frankie Laine!) en leerde autorijden in de Chevrolet pick-uptruck van haar vader, een achtergelaten oorlogsrestant van de Amerikanen.
Die 4×4 kwam overigens goed van pas op de boerderij van mijn grootouders die hardwerkende landbouwers waren. Het voertuig was tevens de enige luxe die er was, want de boerenstiel stond toentertijd gelijk aan het harde buitenleven vol noeste handenarbeid, aan de samenwerking tussen mens en trekpaard en – om Wim De Craene even te citeren – aan het binnenhalen van de oogst | het weer was droog en heet | de lijven plooiden naar de hooivork | en stonken naar het zweet | Het graan was rijp en binnen | de boer zijn hoogste wens | men zei me dat dit alles | een paradijs was voor de mens.

Paradijs ammehoela, moet mijn moeder op een bepaald moment gedacht hebben. En ook: breek uit jezelf. Had zij híérvoor langer dan gemiddeld mogen studeren van haar ouders? Lag haar toekomst echt bij die welstellende doch vadsige veehandelaar aan wie haar ouwelui haar per se wilden koppelen? Ze zag hem nog niet staan, wilde boerendochter die ze was. Ze wilde maar één ding: wegvluchten uit dit kleine dorpje dat weggestoken lag tussen de sparrenbossen, verdeeld in allemaal kleine boerderijtjes.

Of ze daarin geslaagd is? Dat verneemt u binnen de kortste keren in deel drie van De Koektrommel.


Manueel aardappelen rooien; mijn moeder (links) aan het werk met één van haar zussen


Uitrusten na het te drogen zetten van de oogst


Mijn moeder (rechts) met haar oudere zus in de typische boerenkledij van toen


Samen met Max, het goedmoedige varken dat mocht blijven leven

[ Foto’s: de ouderlijke koektrommel ]

Na Zdorovje

[ Wenduine, donderdag 8 augustus 1985 ]

Kleine schuimkopjes krulden zich om haar tenen, likten licht ruisend haar roosgelakte nagels en trokken zich speels terug in de zilte weidsheid die Noordzee heet. Ze lachte toen er plots een diepgroen bosje zeewier aan haar grote teen bleef hangen. Ze schopte het weg met de onstuimigheid van een kleuter die voor het eerst de zee ziet.
“Zal je altijd van me houden?” vroeg ze ineens. Ze hield halt, draaide zich in een vlotte beweging om en sloeg haar armen om mijn nek.
“Mag ik over zo’n zwaarwichtige vraag even nadenken?” Ik drukte een kus op haar roodverbrande en sproeterige neus.
“Niet langer dan vijf seconden.” Ze sloot haar ogen in afwachting van mijn antwoord.
“En wat als ik oud ben, afgetakeld misschien, lelijk ook en daarenboven nog ‘s last heb van mijn prostaat?”
“Is dat een ja?” Ze keek me indringend en verwachtingsvol aan. Haar handen verplaatsen zich van mijn nek naar mijn schouders.
“Allez, vooruit.” Ik knikte. Prompt zoende ze me vol op de mond.

“Hier is niemand”, leek ze wat later ineens te constateren. ”Echt niemand. Verbazingwekkend. Zijn de stranden in België altijd zo verlaten?” Haar rollende ‘r’ was opmerkelijk.
“Eh, toch zeker op een werkdag om bijna elf uur ’s avonds, ja.”
“Ik ga zwemmen.”
“Nú? Da’s verboden op dit tijdstip. En zeker in deze zone.”
“Ben jij ineens een regeltjesmens geworden?” Ze stiet een minachtende ‘Puh!’ uit.
Zonder dralen stroopte ze haar felbedrukte T-shirt af, rolde het in een bolletje en gooide dat op de droge strandhelft. Hetzelfde deed ze met haar reeds van zeewater doordrenkte short. Die landde een eind verderop. Ze kraaide toen ze zich in de golven stortte. Kort daarop ging ze kopje onder. Een angstwekkend lange poos later kwam ze proestend boven.
“Kom je? Het is heerlijk.” Dan wees ze omhoog. “Kijk, volle maan. Van hieruit is-ie prachtig. Bovendien: ik heb iets voor je!” Ze wreef met beide handen ostentatief over haar glimmende borsten en maakte lichte kneedbewegingen.
‘Ach, het zit zó’, dacht ik, waarna ik me grijnzend van mijn kleren ontdeed. Vervolgens nam ik mijn katoenen schoudertas, tastte erin en vond wat ik zocht. Twintig seconden later omsloten donkere, licht deinende golven mijn middel. De onverwacht felle kou halveerde stante pede mijn mannelijkheid.
“En jij duikt hier in?” Ik was haar tot op twee meter genaderd. “Da’s ijswater, zeg.”
“Hoe kan ik u verwarmen, o koene ridder mijn?” Ze lachte luidop.
“Laat ik u daarop antwoord geven, mijn glibberige waterprinses.” Ik nam haar hand in de mijne en bracht die onder water tot tussen mijn benen.
“Wa…? Wat heb je…?” Toen gierde ze het uit. “Je hebt de fles Porto mee, of wat?”
“Yep, en we komen niet uit dit zoutbad tot we deze knaap soldaat hebben gemaakt. Benieuwd hoe jij zwemt als je dronken bent.”
“Hoe wild ik dan word, zal je bedoelen. Wacht maar ‘s af.” Ze draaide enthousiast de schroefdop open, gooide die in zee en zette de fles aan haar lippen. “Superspul. Jij?”
“Graag.” Ik nam een stevige slok en boerde luidop.
“Na zdorovje.” Ze legde haar wijsvinger op mijn lippen en trok me daarna teder tegen haar gebronsde lichaam. Onze monden vonden elkaar voor een langdurige tongzoen met druivenafdronk.

’s Anderendaags waren we beiden ziek. Van de port. Van de kou.
Die avond huilde ze toen ik haar ten afscheid kuste op het perron.
“Ik voel me ellendig.”
“Ik wist niet dat je zó slecht tegen de drank kon.”
“Van verdriet, sufkop.”
Toen ze in de trein zat, tekende ik van op het perron met beide handen een hartje in de lucht. Ze blies me een kus toe. Daarna wees ze naar mij en vervolgens naar zichzelf. Met haar lippen vormde ze een geluidloos doch niet mis te verstaan ‘forever’. Haar warme adem liet een zweem condens achter op het glas. De trein zette zich traag in beweging.

Ik bleef zwaaien tot haar raampje uit mijn gezichtsveld verdween.  Ik heb nooit meer iets van haar gehoord.

Kruiskriebels

Het was de grootste van het drietal die de vraag op me afvuurde. De hoon in zijn stem was onmiskenbaar.
“En, Menckie, heb jij al wel eens kruiskriebels gehad?”
Kruiskriebels.
De term was me volslagen onbekend. In al mijn onschuld bevroedde ik dat het de een of andere vieze ziekte betrof. Beledigd beet ik van me af. Het trio barstte slechts in lachen uit. Lachen zoals in uitlachen.
De grootste gaf me een por die hard aankwam. Ik wankelde enigszins doch herstelde me snel. Toen ik hem vervolgens een scheenschop wilde verkopen, sprong hij gezwind achteruit.
“Rap ben je niet hè, Menckie. Op verschillende vlakken, lijkt me.” Waarna de jennende drie-eenheid zich als op afspraak omdraaide en terug naar de speelplaats slenterde op zoek naar hun volgende mikpunt van spot.
We schrijven eind de jaren zeventig. Ik was elf.

Diezelfde avond kwam ik echter te weten waar die haantjes-de-voorste op hadden gedoeld.
Het gebeurde toen ik naar Toppop aan het kijken was en er ineens een nieuwe hit-in-wording op het scherm werd losgelaten. Welhaast instinctmatig verlegde ik mijn focus van de klanken naar de beelden. En wat ik toen voelde, beste lezer, waren onmiskenbaar kruiskriebels. Ik vond deze voorheen ongekende sensatie tegelijk aangenaam en beschamend. Doch prompt dacht ik: hm, dát is het dus. Onmiddellijk gevolgd door: méér van zulks, graag.

De bewuste clip werd slechts tweemaal uitgezonden. Genoeg om hem voorgoed op mijn jeugdige netvlies te branden.
De weken daarop werd er een veel kuisere versie op muziekminnend Vlaanderen en Nederland losgelaten. Maar mijn kruiskriebels, die zijn gebleven. Hà!

En u? Wanneer/waardoor ervoer u voor het allereerst kruiskriebels?

Old but not gold

Maak kennis met de Siol, in visserijmiddens beter gekend als de O.225 Norman Kid. Deze sloep is met zijn ei zo na zestig gure winters de oudste houten vissersboot van de Belgische vloot. Een heuse brok erfgoed, kortom.
Dat de oude rakker op de kade ligt, zegt u? Klopt als een zwerende vinger, want hij is al ruim twee jaar zo lek als een zeef. De reder wil hem graag gekalefaat zien zodat hij opnieuw waterdicht wordt. Helaas zou die mens voor dit huzarenstukje om en bij de 60.000 euro moeten ophoesten. Geld dat er, zo verduidelijkt hij, hoegenaamd niet is.

En dus moet de Siol weg van de kade. Een beslissing van de Oostendse havenvoorzitter, een zekere Johan Vande Lanotte. “De kaai is bedoeld om vistuig op te leggen, het is geen goedkope stockageplaats.” Vistuig, iemand?
De reder vroeg aanvankelijk drie maanden uitstel van executie. Dat zijn ondertussen twee volle jaren geworden. De Siol ligt nog steeds op het droge te happen naar zijn dure regencape.
In Oostende is het geduld en bij de reder het geld al jaren op. En dus kreeg die laatste thans de dwingende raad om zijn befaamde allodium liefst zo snel mogelijk naar het containerpark te brengen.

Gooi uw sloepje maar in de bak voor houtafval, meneer. Bedankt en tot ziens, hè!

Dientengevolge, beste lezer, zou bovenstaande foto wel eens een van de laatste beelden kunnen zijn die u van de Siol te zien krijgt. Deze golden oldie, met een geschiedenis zo rijk dat hiervoor alleen waarachtig ontzag gepast is, is niet belangrijk genoeg om als cultureel erfgoed (met een museumfunctie?) te worden beschermd.
De rottende botter is bovendien wellicht ook een fikse doorn in het oog van de talloze investeerders in hypermoderne flats voor de happy few. Dergelijke nieuwerwetse hoogbouwsels schieten in die buurt in ieder geval als paddenstoelen uit de grond. (Foto boven)

Modern times, net wat u zegt.
Wordt ongetwijfeld vervolgd.

[ Foto’s: Menck W. ]