Categorie: Uncategorized

Ach luister nou toch, pa

Het werd hem een stonde droef te moede toen hij over moeder begon. Hij leunde wat achterover op de bank, wreef snel even met een zakdoek onder zijn neus, snifte kort en schier onhoorbaar, en begon over vervlogen dagen.
Het heden, laat staan de toekomst, is welhaast van generlei tel meer. Hij kijkt nauwelijks tv, bladert door geen enkele krant en laat de radio voor wat hij is. Hij leeft in de tijd die hij de zijne heeft gemaakt: vroeger. Apathie zou ik zulks niet noemen, veeleer het verlies van primaire interesses. Zelfs of het nou maandag is of dinsdag is niet altijd even zonneklaar. De dag komt en hij ondergaat hem, soms met enige zin, meestal met tegenzin.

Dat hij wat vaker onder de mensen moet komen, adviseer ik hem meermaals. Maar het is te koud, te vroeg donker en “wat heb ik nog te vertellen?”. De fietstochten, ja, die mist hij thans. En de wandelingetjes. Want zo kruist er nog eens iemand mijn pad, Menck. De winter staat hem tegen; die donkere, koude, veel te lange en eenzame winter. Avonden gevuld met gepeins en naar het plafond staren, dagen gevuld met praktische handelingen. Zijn pillen. Zijn eten. En het sorteren van de rekeningen, de dienstencheques en ook wel de was ophangen en het opbergen van de boodschappen die mijn zus al jarenlang elke woensdag voor hem doet. Zij is, serieus, een heldin.

Op zaterdagavond zet hij voor ons chips op tafel, en nootjes en stukjes droge worst en geïmporteerde druiven, gemicrowavede kippenbilletjes en flessen allerhande. Zelf consumeert hij dan niks. Zijn kinderen, daar doet hij het voor. Zonder zijn kinderen zou hij er al niet meer zijn, zegt hij. Herhaalt hij bij elk bezoek. Het maakt me trots. Het maakt me vooral intriest.
Mijn vader behoeft slechts één iets: verstrooiing middels mensen om zich heen. Maakt niet uit wie. Zelfs de spreekwoordelijke hond-met-een-hoedje is oké voor een babbeltje. Hij schreef zich, na enig aandringen, in bij de seniorenbeweging Okra. Hij heeft regelmatig contact met zijn buren. Hij is vol lof over zijn twee veel jongere buurvrouwen die hem in hun hart dragen. “Allez, ik, een ouwe zak van 81.” Maar de vele leemtes tussen de contacten verteert hij slecht. Mijn vader is de mens zonder hobby’s, moet u weten. Zo goed als niets draagt zijn onverdeelde interesse weg. Nu mijn moeder er niet meer is, krijgt hij deze lacune dagelijks vol in het gezicht geslingerd.

Van dag tot dag leven onder het juk van de existentie, de dagen ondergaan, de nachten gelaten en verdoofd opsouperen en dat alles zonder beslag te kunnen/willen leggen op de cruciale tier in het immer te korte aardse bestaan: ik kan me er voortaan iets bij voorstellen doch verdring dat denkbeeld meer dan ooit uit alle macht.

zoals je daar nu zit
je haren heel erg wit
de rimpels op je handen
zo droefgeestig maar zacht
wie had dat ooit gedacht
je bent zoveel veranderd
ach luister nou toch pa
het is nog niet te laat
want leven kun je leren

[ vrij naar ‘Pa’ van Doe Maar ]

[ Foto: Menck | Twaait ]

Still going strong?

Laat aanrukken die taart en ontkurk de champagne, want precies acht jaar geleden zette ik mijn eerste schuchtere passen in de blogosfeer. Dat was overigens met een schrijfsel dat ‘Aimé’ als titel droeg.
2006 was het jaar waarin zowat half Vlaanderen aan het bloggen sloeg. Dagelijks schoten er tig nieuwe weblogs als paddenstoelen uit de grond. Vele verdwenen even snel als ze gekomen waren en slechts een handvol volhardde in de boosheid. Zij werden geënthousiasmeerd door toenmalige grote namen als ‘Smiling Cobra’, ‘Pietel’, ‘Merel Roze’, ‘Dominiek’ of zelfs ‘Imke Dielen’, die destijds al enkele jaren een weblog bijhielden.
Als ‘Menck’ blaas ik zodoende acht kaarsjes uit, maar aan deze webstek, Twaait, gingen er meerdere vooraf. Aanvankelijk koos ik voor bloggen.be als webhost, maar al vlug keerde ik dat oubollig platform (nog steeds, trouwens) de rug toe en sloeg u vervolgens woordelijk en fotogewijs om de oren middels het professioneler ogende en veelzijdiger functionerende WordPress.
De eerste reactie op mijn eerste blog – die destijds nog gewoon ‘Menck’ heette – was van een zekere Zapnimf. Alras bleek dit een aanstekelijke griet die vrijwel tegelijk met mij was beginnen te bloggen via dezelfde host. We werden dan ook snel virtuele – en later reële – maatjes. Doch kijk: heden hoor ik van Zapnimf niks meer, niet via haar op rust zijnde blog noch IRL. Dat ze in het huwelijksbootje stapte, was het laatste wat ik van haar, via anderen, vernam. Looking great, girl, maar wo bestu bleven?

Mijn eerste blogjaren liet ik voornamelijk cursiefjes op de lezers los. Niet geheel gespeend van snoeverij definieerde ik ze ik als columns. Het gros ervan was gestoeld op pure fictie. De lezersschare die me toen omringde, slikte mijn fantasie als zoete broodjes. Ik was in hun ogen, zo ging destijds het gerucht, vrijgezel, avontuurlijk, losbol en zelfs knap. Pas enkele webstekken later heb ik ze de schellen van hun ogen gerukt. Dolle tijden.
Later bracht ik gaandeweg mijn grote passie in mijn logs: fauna en flora. De inhoud van mijn weblogs werd gevarieerder en volgens sommigen daardoor ook saaier. Die ‘sommigen’ haakten uiteindelijk resoluut af. In de plaats kreeg ik het fijne gezelschap van een schare groenbloggers. Al wens ik zelf allerminst als dusdanig te worden omschreven. Ik hou van diversiteit en mede daardoor is ook Twaait verre van een natuur- dan wel tuinblog.
Ook madam Menck deed haar intrede op mijn blog. Ik plaats(te) al eens foto’s van haar en van mezelf, doneer zo nu en dan virtuele inkijkjes in onze tuin en woning en liet de lezer zelfs kennismaken met mijn vader en (het verlies van) mijn moeder. Kortom: de anonimiteit kwam/komt meer en meer te vervallen. Dat doet me plezier maar maakt me tegelijkertijd wat bang. Waar trekt een blogger de streep, nietwaar? Dit is tenslotte – and thank God for that – Facebook niet.

Paar wetenswaardigheidjes? Welaan dan:

Mijn meest gelezen stuk ooit was eigenlijk een blogreeks, verpakt als een toentertijd nog populair gegeven: een stokje. De ‘Roze Bril’-Blogweek – 7 dagen lang alleen maar ferm positief bloggen – kreeg navolging van ruim driehonderd bloggers, en liep van 21 tot en met 27 januari 2008;

      

Ik organiseerde een eerste blogmeeting. Place to be: de tuin van Chelone. Ook haar blog ligt trouwens al tijden op apegapen. Er zouden nog tal van meetings volgen bij verschillende bloggers waarop de namen eindelijk een gezicht kregen;


[ Foto: S. De Clerck | aanklikbaar voor groter ]

Ik leerde toffe blogcollega’s kennen door mijn tuin open te stellen. Dat ze soms van de andere kant van Vlaanderen afzakten naar het gat waar ik woon, vind ik nog steeds hooglijk cool;

Vorig jaar werd PICMENCK geboren, de fotodivisie van Twaait, waar eenieder door langere fotoreportages kan struinen zonder zich het pleuris te moeten klikken;

In 2006 was ik 39. Heden tel ik godbetert 47 lentes. Deze vos verliest weliswaar haren noch streken, maar vraagt zich wel eens af of hij zich bloggewijs onderhand niet aan het herhalen is en zich maar eens moet gaan focussen op iets geheel anders.

En u?

Zout op mijn huid

Pas als we het statige witte staketsel naderen en schuimkoppen luidschurend diens stelten omhelzen, word ik rustig.
De blinkende jachten vol mondaine would-be matrozen en chique wijven met glimmende lijven dobberen ver achter ons. Ik ben thans één met de meeuwen en voel me thuis.
Een ragfijne kanten rand siert de grillige vloedlijn waarop zeewier, schelpen en enkele geblutste blikjes een kleurrijke ketting vormen. De duinen wapperen grijsgroen helmgras en welven als borsten die de maagdelijke pannen verleiden. Ik neurie in de wind en laat me erdoor overstemmen.
Uit de verte nadert een stip die gestaag aanzwelt. Een late jogger. Een gebronsde godin, blijkt alras. In het passeren blik ik in twee zeegroene ogen. Ze drukken dartel een glimlach op me af. Vijf tellen later kijk ik achterom en zie haar eveneens het hoofd draaien wijl ze weifelend inhoudt. Een flard vluchtige vlinders en ze loopt door om dra weer te verworden tot een stip aan de horizon.
“Schat, kom je?” Mijn madam wandelt twintig meter voor me uit. Als we de kop van de pier bereiken, leun ik loom op de ruwe reling en wacht tot de zon de einder kust. Mijn zomer staat in volle bloei als hemel en water vlammend rood verkleuren. “Wat hou ik van je,” fluister ik tegen de zee. Madam Menck gloeit. Nieuwpoort baadt in vuur en schittert.

Een impressie? Klik op onderstaande prent voor een uitgebreid fotoverslag op PicMenck:

Ein-de-lijk: de eerste voorjaarsactie!

Maart moet ons vijf zomerse(r) dagen schenken, aldus de boerenwijsheid. Drie zijn reeds de revue gepasseerd: allen in week één, toen ik padden emmergewijs hielp overzetten. De maand houdt dus nog belofte in, maar die laat voorlopig op zich wachten.

Een overwegend donker gepigmenteerd hemelgewelf weerhield mijn madam en ik er zondag niet van om de lenteschoonmaak in de tuin aan te vatten. Weg met sneeuw, vorst en bedrukte gedachten. Het occasionele straaltje zon deed deugd, maar het werd helaas nog net iets te vaak gechargeerd door sombere wolkenformaties om van een vierde zacht dagje te kunnen gewagen. Bovendien was de wind eens te meer de grootste spelbreker in de kustregio; gevoelsmatig bond de temperatuur vijf graden in.
Desalniettemin hadden we er schik in en werd er uitbundig gesnoeid, geknipt en geplant. In de vijver spotten we zelfs de eerste reeds volop paaiende salamanders, terwijl in het amfibiepoeltje een kikker tussen het eendenkroos opdook. Door de lente vooruitgestuurde tâches de beauté, zeg maar.

Ik mat de bolacacia’s een coupe militaire aan. De vrijgekomen takken worden in latere instantie gehakseld en zullen dienen als ophoging van de schorspaadjes:

Per boom dient ettelijke malen te worden geknipt. Met een kwalitatieve snoeischaar levert zulks geen pijnlijke spieren op achteraf:

Dit stuk van de gele border is klaar. Wat vrijkomt, zijn de eerste lentekleuren:

Madam Menck in actie in de blauw/paarse border:

Chatblis laat het ondertussen niet aan zijn hart komen en geeft het begrip ‘kattenbak’ een geheel eigen invulling:

Twee van de zes tuinkamers werden gisteren zodoende onder handen genomen. Maar ook de vogelhuisjes werden in ere hersteld:

Hopelijk levert dat straks, net als de voorgaande jaren, opnieuw onderstaande mooie taferelen op:

De helleborussen blijven nog eventjes heer en meester van de tuin. Het gele exemplaar rechtsonder is een debutantje:

    

    

Nu reeds drukbevolkt en straks dus een behoedzame opkuis vereisend: het amfibiepoeltje:

Immer vroege jongens, die Euphorbia myrsinites:

Na een lange winter volgt het lentedebuut tussen de mosjes:

[ Foto’s: Menck | aanklikbaar voor groter ]

Mémoires en exil

Als kind ving ik stekelbaarsjes in de talrijke sloten die het ouderlijke dorp in de jaren zeventig nog rijk was. Massa’s!
Rechtover onze woning bevond zich een natuurgebiedje met vele vennetjes. Daar verschalkten mijn vriendjes en ik padden en kikkers en salamanders. Al dat interessants stopten we in grote weckpotten ter observatie. Na een grondige studie schonken we onze veroverde fauna terug de vrijheid.
Later maakten we kampen in de stokoude knotwilgen die de vennetjes omzoomden. We kozen hiertoe een aanzienlijke hoogte uit om ‘ons’ stukje natuur goed te kunnen overschouwen. Niet zelden donderden we tijdens de constructie naar beneden. Maar we verbeten de pijn. Kampbewoners huilden niet.

Toen ik negen of tien was, ontdekte ik op zekere dag naast mijn kamp een nooit eerder geziene plant. Ze was zo mooi en zag er zo exotisch uit dat ik ze instant als je reinste openbaring bestempelde. Deze godin der bloemen was hoger dan ik en bloeide rijkelijk met vreemdsoortige diepe kelkjes. Ik rende naar huis, pakte mijn schopje en spitte ze voorzichtig uit. Ik stelde mijn vader voor om ze in de tuin te planten.
“Weet je wat?” zei hij toen hij de fonkeling in mijn ogen zag, “Ik maak voor jou je eigen tuintje. Daar plant je maar in wat je mooi vindt.” Waarop hij in een zonovergoten hoek van de tuin enkele vierkante meters gazon omspitte en daarin mijn meegebrachte schoonheid een plaatsje achteraan schonk.
“Dit is een hoge plant. Die moet achteraan, zie je. Ervoor komen de wat lagere planten. En helemaal vooraan zet je de kleintjes. Zo zul je ze altijd allemaal kunnen bewonderen.” Ik knikte omdat ik dacht dat ik het begreep.
“Welke plant heb ik meegebracht, pa?” vroeg ik hem terwijl hij mijn eersteling rijkelijk begoot.
“Dit is vingerhoedskruid. Zie je dit bloempje? Steek daar maar eens je vinger in.”
“Hé, nou snap ik het. Een vingerhoedje! Maar dan wel een héél schoontje.”

Tak na tak snoeide ik weg wijl ik in gedachten weer jong was. ‘Dit, pa,’ ging het door mijn hoofd, ‘zijn bolacacia’s. Toen ik tien was, waren ze nog uitermate nieuwerwets. In tuinmiddens worden ze thans gemeenzaam Robinia pseudoacacia ‘Umbraculifera’ genoemd. En vingerhoedskruid is Digitalis purpurea. Zou je überhaupt nog de Nederlandse naam kennen? Vingerhoedskruid? Zou het je nog iets zeggen? Het was nochtans mijn Grote Tuinliefde van weleer.’

En dat is het tot op vandaag nog steeds.

Het rijk der gieters

Ik zal hier niet opnieuw een sermoen afsteken ten faveure van een kwalitatieve gieter. Dat kwaliteit en praktische bruikbaarheid een conditio sine qua non zijn voor elke rechtgeaarde tuinier, orakelde de eigenwijze meneer reeds in schone bewoordingen.
Daar waar hij zich recentelijk de Mercedes der gieters aanschafte (Dat glanzende koetswerk! Die blingbling! Die houtinleg!) zweer ik bij mijn veel kleurlozere Toyota van de tuitemmers: degelijk en betrouwbaar, ook na -tig jaren. Ruim dertig jaar, in mijn geval.

In den beginne zette die gieter nog een franke teut op in de rozenserres van mijn schoonvader, alwaar hij menig nieuw ras als eerste met een gulle geut water mocht dopen. Later moest hij plaats ruimen voor zo’n nieuwerwets bewateringssysteem. Dat was even balen, maar hij kwam goed terecht: bij mijn madam. Enfin, in die tijd was ze nog andermans madam en was ze slechts mijn geëerde collega in een grote uitgeverij. (Doch dat is een ander verhaal dat mijn lezers van het eerste uur zich beslist nog herinneren.)
Op het einde van zijn loopbaan aldaar, waar hij op het laatst meer gebruikt werd om naar (ex-)meneers hoofd te gooien dan waar hij werkelijk voor diende (bemerk de bluts op de foto!), smachtte de gieter naar andere oorden. Die vond hij – net als zijn eigenares – bij mij. Want mijn madam had, naast haar valiezen, uiteraard ook haar gieter mee toen ze zich in mijn nest kwam, eh, nestelen. Dat ouwe, trouwe erfstuk harer vader wilde ze voor geen geld ter wereld abandonneren. Voortaan zou de gieter het schoon weer gaan maken in een tuin die nog moest geboren worden. Daar heeft hij vandaag de dag al zowat 750 soorten planten gelaafd met een stevige straal dan wel een relaxerende douche. Zulks deed hij vooral bij het aanplanten ervan, want daarna nam de tuinslang het zegevierend van hem over.

Een goede drie jaar geleden lieten we gietermans, die stoere bonk met zijn gegalvaniseerde torso, kennismaken met wat prompt zijn vriendinnetje zou worden: een grasgroene jonge freule die echter evenzeer van goeden huize afkomstig was. Het ranke lichtgewicht met haar slanke nek en schattig broeskopje bracht het hoofd van de ouwe gieter meteen op hol (We hebben het nooit meer teruggevonden, zodat hij het thans moet stellen met een plastic surrogaat). En óf ze een hecht team zijn geworden! Hij neemt goedmoedig de grote potten en bakken voor zijn rekening terwijl zij zich dartel mag uitleven tussen de talloze eenjarige bloeiers op de vensterbanken.
Bij zo’n goed huwelijk horen foto’s, vaneigens. U vindt ze hieronder.

O ja: mijn tuinslang siste me nijdig weg toen ik ook haar wilde vereeuwigen. Ze wierp me vanonder de rododendron strak opgerold een venijnige blik toe.
Vindt u dat nou ook niet vreselijk raar, jaloezie bij tuinslangen?

[ Foto’s: Menck | aanklikbaar voor groter ]

Cypripedium

“Het is een Phalaenopsis,” zei ze, nadat ze me in de hall de orchidee had overhandigd. “Beetje moeilijke naam, maar zo’n plant bloeit lang en vraagt weinig verzorging,” voegde ze eraan toe.
We gaven elkaar drie zoenen.
“Je woont hier mooi, Menck. Rustige buurt ook.” Ik nam haar jas aan.
“Dank je. Best fijn toeven hier. De woonkamer is op het einde van de gang. Gooi jezelf maar in een zetel, ik kom meteen.”
Ze klikklakte zich hooggehakt richting de living. Nadat ze de deur had geopend, hoorde ik haar een langgerekte en hooglijk verbaasde ‘oooh’ uitstoten. Daarna begon ze hartelijk te lachen.
“Toeme, iemand was me voor. Veel iemanden, eigenlijk.”
Ze keek uit op de drie vensterbanken van de erker. Daarop bevinden zich achttien orchideeën van divers pluimage.
“Je mocht me wel eens verwittigd hebben dat je grossiert in die planten, maatje. Ik had gehoopt je te kunnen verrassen.”
“Oh, maar daar doe je me oprecht een plezier mee,” loog ik. “Er is trouwens nog net plaats voor eentje.”
“Maar da’s dan ook het allerlaatste, vermoed ik. Tjonge. Jammer dat je orchideeën niet in de tuin kunt planten. Dat zou handig zijn in jouw geval.”
“Dat treft, want daar ben ik deze week mee begonnen.”
“Eh, ik ben even niet mee, vrees ik.”
“Orchideeën in de tuin,” verduidelijkte ik mezelf.
“En waar blijf je er dan ’s winters mee? Toch niet op deze vensterbanken?” Ze draaide zich richting de overvolle erker.
“Nee, ze blijven buiten in de winter.”
“Je vervangt ze elk jaar opnieuw? Je centjes beu, jong?”
“Nee hoor, het zijn wel degelijk tuinorchideeën. Cypripediums, om ook eens een moeilijke naam te gebruiken. Vooralsnog relatief zeldzaam. Angst, vermoed ik. En ook de nog hoge prijs.”
“Angst? Omwille van de winterhardheid?”
“Yep. Geheel onterecht, overigens. Ze hebben net vorst nodig om in het voorjaar weer te kunnen uitlopen. -30 °Celsius? No problemo. Je moet ze alleen wat beschermen tegen late nachtvorst. Die kan schade aanrichten. But that’s it.”
“Dus een zonnige standplaats en je…”
“Nee, juist niet. Gek genoeg zijn het schaduwminners. Meer nog: de zon is hun ergste vijand.”
“Nu heb je me toch benieuwd gemaakt.”
“Volg me naar buiten, I’ll show you. Voorlopig heb ik me twee exemplaren aangeschaft. Als ze waarmaken wat wordt beloofd, dan krijgen ze volgend jaar al kameraadjes.”

[ Foto’s: Menck ]

800 per uur

Een uur tennissen.
Een uur joggen aan een stevig tempo.
Een uur voetballen met een normale intensiteit.
Een uur zwemmen à rato van vijftig meter per minuut.
Een uur fietsen met een gemiddelde snelheid van twintig kilometer per uur.

Bovenstaande activiteiten hebben één ding gemeen: je verbrandt er om en bij de 800 kilocalorieën mee. Dagelijks op die manier sporten biedt bovendien meer: de kans op overgewicht en obesitas neemt uiteraard af, maar ook de bloeddruk en de slechte cholesterol verlagen én de kans op osteoporose en op ouderdomssuiker wordt drastisch gereduceerd. Fijn.

Het is echter niet aan mij besteed. Niet meer.
Dat was dus ooit anders. Want ooit – in mijn voorhuwelijkse bestaan, that is – trok ik dagelijks, de weekends inclusief, een kilometer baantjes in het plaatselijke zwembad. Twee à drie keer per week ging ik vijf kilometer joggen. En ik had bovendien een abonnement bij de fitnessclub.

En tóch sport ik nog.
Op dagelijkse basis, zelfs.
Niet zelden van ’s morgens tot negen uur ’s avonds.
Weliswaar beoefen ik geen erkende sport, maar ik verbrand evenzeer 800 kilocalorieën per uur.
Ik ben namelijk een tuinier. Op professionele basis bovendien. Een topsporter, kortom.
Want ik train zowat alle spieren van mijn lichaam. Als ik hark, train ik mijn buik-, schouder- en rugspieren. Als ik gras maai, train ik mijn been- en armspieren. Onkruid wieden? Goed voor de rug- en schouderspieren. Ik graaf en ik spit, ik plant en ik snoei, ik til en ik trek, ik timmer en ik zaag, ik maai en ik frees, ik klim en buig en strek me dat het een lieve lust is.
Bovendien creëer ik.
Maak ik mensen gelukkig.
Én verdien ik.

Hobbysporters zijn janetten, zeg ik u.

En u?

Deze week ontving ik een mail van iemand die mijn blog leest. Gewoon lezen en nimmer reageren. Een lurker, kortom, en dat gaf hij zelf grif toe. Maar wel een trouwe lurker. Want hij volgt me al sinds mijn blog nog gewoon ‘Menck’ heette en het gehost werd door een andere provider dan WordPress. Ook ‘Kerekewere’, ‘Mohow’, ‘Monumenck’, ‘Kielzog’ – herinnert u ze nog? – en thans ‘Twaait’ bezocht en bezoekt hij op regelmatige basis. Fijn.
Van iemand een mail ontvangen die nooit reageert, is al bij al toch een beetje verrassend. Temeer omdat zijn schrijven niet bepaald overliep van enthousiasme.
Laat ik even citeren:

Je blog is veranderd. Niet meteen ten goede. Flora en fauna komen te veel aan bod. Vroeger was het een toffe mix van de meest uiteenlopende onderwerpen, en dat vond ik aangenaam. Vooral je columns, doorgaans fictieve onzin (positief bedoeld!), las ik graag. Nu schrijf je nog haast uitsluitend over tuinieren, planten en beestjes. Vandaar mijn vraag: is Twaait een ordinaire (sic) groenblog geworden waar geen plaats meer is voor stukjes zoals vroeger? Dat zou ik erg jammer vinden. Daarom mijn oproep aan jou: kerekewere!

Tja. Daar sta je dan. Toch wel een beetje bouche bée, eigenlijk. Zowaar een reprimande, al dan niet terecht. Want tenslotte loopt mijn pen over waar mijn hart van vol is. Misschien té vol, als ik deze mens mag geloven. Want vroeger was het beter. Gevarieerder. Beweert hij.
Oké, dit is het schrijven van slechts één persoon. Quantité négligeable, welhaast. Maar ís dat wel zo? Want misschien zijn er wel meer mensen die er eender over denken. Dat merk ik doordat er vroegere lezers (en reageerders) lijken af te haken. Maar ik merk evenzeer dat er nieuwe bijkomen. Die mijn floristische praat wel te pruimen vinden. Denk ik dan.

Daarom vraag ik het u: houden zoals het is? Of toch maar terug naar de gevarieerdere versie? Mij is het eender; ik vind beiden oké. Vandaar mijn toevlucht tot deze vox populi.
Het reactieluik is all yours, net als onderstaande poll.

UPDATE 06/05:
Op vandaag, zijnde zondag 6 mei om 22:00, laat de poll niets aan duidelijkheid te wensen over: 62,5 % van de stemmers wil de huidige koers die ik met dit blog vaar behouden zien en slechts 37,5 % wil terug naar de oude richting. Ook in de commentaren sluit u zich daar grotendeels bij aan.
Waarom zou ik me daar eigenlijk iets van aantrekken, vroegen prompt enkele reageerders. Omdat bloggen een tweerichtingsspel is: ik schrijf graag én ik streef ernaar dat wat ik schrijf ook graag gelezen wordt. De reacties die daaruit volgen, vormen samen met het schrijven de interactie die van het bloggen net die boeiende bezigheid maakt.
Het aantal mensen dat van mijn vorige blogs meer pap lustte, is echter geenszins te verwaarlozen. Dientengevolge zal ik geregeld eens het druk bewandelde pad van fauna en flora verlaten en een weg inslaan die me gans andere richtingen opstuurt. Zo wordt de mix voor u en voor mij een stuk fascinerender.
Dat ik vroeger veel méér schreef, weet ik. Helaas ontbreekt me daartoe thans de tijd.
Mensen die opperen dat ik niet te veel aandacht moet wijden aan tuingezever (sic) en groen simpelweg ordinair (eveneens sic) vinden, hebben duidelijk niet de minste voeling met de mens achter dit blog. Doch elk zijn mening, zoveel is zeker.

Rest er mij nog u enorm te bedanken voor de stevige respons op dit stuk. Uw reacties hebben tal van vraagtekens uiteen doen spatten. Al zal ik wel eeuwig een twijfelaar blijven. Denk ik.

Aan de tand gevoeld

Ze stak twee dikke wattenproppen onder mijn bovenlip. Ik trachtte me voor te stellen hoe ik er ten gevolge van deze simpele ingreep uitzag. Mijn verbeeldingsvermogen reikte niet verder dan Bugs Bunny.
Mijn linkerkaak werd vervolgens opzij geduwd en verankerd door een hightech uitziend instrumentje dat wat weg had van een miniatuurautokrik. Daarmee werd tevens mijn mond wijd opengespalkt. Tenslotte pleurde ze zonder enige voorafgaande waarschuwing een luid slurpende speekselzuiger onder mijn tong.
Mocht iemand in die omstandigheden een foto van me hebben genomen, ik had hem prompt een muilpeer verkocht en zijn camera tot schroot herleid.
“Ik ga nu eerst een foto nemen,” hoorde ik haar achter mijn rug verklaren. Reflexmatig klemden mijn handen zich om de armleuning van de gekantelde stoel. “Een obligate röntgenopname,” vervolgde ze. Mijn greep verslapte instant.
Nadat ze de foto had genomen en me daarna quasi pijnloos twee verdovende injecties had toegediend, volgde de gruwel: mevrouw knoopte een gesprek met me aan in afwachting van de volledige gevoelloosheid mijner gebit.
“Mooi weertje, hè?”
Op deze dooddoener van jewelste was een antwoord geven met een ongewild opengesperde mond vol watten en ijzerwerk nog vrij makkelijk: “Ja.” Ter staving: plug in elke uithoek van uw mond een wijsvinger, trek uw lippen zo ver mogelijk vaneen en zegt u dan eens “Ja”. U ziet: zulks verloopt vlekkeloos. Zelfs een ontkenning is nog mogelijk.
Hachelijker werd het toen ze me vroeg of ik in de buurt woonde. “In de Zandstraat”, antwoordde ik. Dat klonk ongeveer als “In we Wanstraat”.
“Ah, de Zandstraat. Die ken ik. Ik ga er wel eens wandelen.”
Mijn vermoeden dat tandartsen beschikken over een feilloos klankontrafeltalent werd eens te meer bevestigd.
“Woon je er al lang?”
“Al weewien jaaw.”
Anyway, tien vragen en evenzoveel moeizame antwoorden later was mijn mond murw geworden van de anesthesie en kon ze aan de slag. Er moest een wijsheidstand getrokken worden alsook een hoektand ontzenuwd. Ze besloot om die laatste eerst aan te pakken. Dat gebeurde middels een boortje dat buiten mijn mond licht zoemde doch eenmaal binnensmonds mijn hersenpan vulde met het geluid van een drilboor die gewapend beton kapotschoot.
“Wi-brrr-moe-brrr-aal-brrr-iepen?” Fuck. Had ze me zopas een vraag gesteld tijdens het boren? Ik vermoedde van wel. De boor kwam even tot rust. Strategisch antwoordde ik “U-huh”. Waarna ze met verdubbelde hevigheid haar machinerie begon te hanteren. Jezus, zou ze me verzocht hebben om meteen ook maar even mijn smoel te mogen verbouwen of zo? In gedachten zag ik de boorstaaf al door mijn bovenlip naar buiten floepen.
“Zo. Gepiept.” klonk het tien minuten later. “En dan nu de wijsheidstand. ’t Is een kanjer, zag ik op de foto. Hij heeft zowaar een dubbele wortel. Dat wordt even wringen.”
Op zo’n moment verlangt elke zinnige mens naar een portie afleiding. In mijn hoofd begon ik uit arren moede de Story te lezen. ‘Nou moe, Laura Lynn is zowaar zwanger!’ Zelfs haar foto doemde voor mijn geestesoog op. Ze lachte haar perfect witte tanden bloot.

Honderd drieëndertig euro later stapte ik buiten met een gebit dat aanvoelde als, eh, niks meer, eigenlijk. Middels mijn tong wist ik de prop bloedstelpende watten in het gat van wijlen de kies te lokaliseren. In de auto monsterde ik mijn aangezicht in de achteruitkijkspiegel. Mijn bek hing scheef op links. Ik lachte naar mijn spiegelbeeld als een boer met kiespijn.