Categorie: Qué?

Gezocht: red-actie

Noem mij gerust een muggenzifter dan wel een taalnazi, maar als ik almaar vaker flagrante dt-fouten zie opduiken in artikels van de VRT-redactie, vraag ik me toch af wat heden de vereisten zijn om aldaar aan de slag te kunnen. Ik bevroed dat een diploma lager middelbaar onderwijs ‘met noties van het Nederlands’ volstaat.
Ook De Standaard, tot voor kort zowat mijn journalistieke bijbel, bezondigt zich steeds vaker aan spel- en/of taalfouten. Ongetwijfeld doet zulks geen afbreuk aan de inhoud van een artikel, de authenticiteit krijgt desalniettemin een deuk.
Ik kan me niet langer van de indruk ontdoen dat de kennis van het Nederlands er steeds meer bij inschiet. De oude garde, op school nog gedrild in taal, maakt hoe langer hoe meer plaats voor jong journalistiek geweld dat niet langer zweert bij ultieme schrijfvaardigheid doch veeleer bij puur perskrediet.
Wat mij betreft een betreurenswaardige evolutie. Alles waar verloedering ook maar enigszins op van toepassing is, ga ik met veel graagte uit de weg.

 

[ Wellicht is bovenstaand artikel op deredactie.be reeds gecorrigeerd als u dit logje leest, doch mogelijks ook niet. ]

Op de kindjes

Die avond bevond ik me in een bar aan de toog. Op zich niet zo’n ophefmakend feit, temeer daar dit me wel vaker overkomt, bijvoorbeeld als ik me dorstig voel.
Zelden gebeurt het echter dat Koen, een behoorlijk teruggetrokken kennis van me, zich daar ook laat toe overhalen. Die mens wordt het liefst zo weinig mogelijk gestoord in zijn relatieve kluizenaarsbestaan. Hij is een verlegen doch bijwijlen hoogst vermakelijke compagnon. Dat is: als hij dronken is, om maar eens iets te noemen. Dan slaat hij aan het filosoferen van heb ik je daar. Dergelijke momenten vind ik bijzonder amusant. Vandaar dat ik hem, onder lichte dwang, wist mee te tronen naar de veeleer dunbevolkte gelegenheid waar we ons bevonden.

Nadat Koen zijn vijfde Bacardi-cola had laten aanrukken – en daarvan ogenblikkelijk een derde in zijn keelgat liet verdwijnen – draaide hij zich, met beide handen de toogrand omklemmend, in mijn richting. Met een al enigszins bloeddoorlopen linkeroog keek hij me aan en verkondigde toen, geheel naast het gespreksonderwerp dat we zonet hadden aangesneden: “Collectieve zelfmoord is dé oplossing voor de milieuproblemen.”
Na deze plotse ontboezeming bracht hij de kruk waarop hij zat vervaarlijk aan het wiebelen toen hij zijn beschonken zichzelve weer toogwaarts dirigeerde. Hij nam opnieuw een stevige teug en liet vervolgens zijn glas te hard neerkomen. Even verviel hij in een stilzwijgen waarna hij, middels een snelle zijwaartse blik, naar mijn reactie op zijn openbaring peilde.
Rond mijn lippen had zich een monkellachje voltrokken. Dat zinde hem duidelijk niet.
“Wat?”
Ik zei niks, maar mijn glimlach verbreedde zich. In mijn binnenzak zocht ik naar kauwgum.
“Wat?” vroeg hij ten tweede male en met iets meer nadruk.
“Ik denk na over wat je zonet zei. En ook over waaróm je het zei.”
“Vind je het stom wat ik zeg?”
“Dat beweer ik niet. Het hangt ervan af wat je er precies mee bedoelt.”
“Nou, gewoon, zoals ik het zei. Het milieu neem ik nauw ter harte, moet je weten.”
“Weet ik.”
“Jullie hebben geen kinderen, hè?” Zijn vraag kwam opnieuw als een donderslag bij heldere hemel.
“Euh, nee. Maar wat heeft dat ermee te maken, Koen?” Fronsend monsterde ik hem.
“Wat dat ermee te maken heeft?” kaatste hij mijn vraag net iets te luid terug. Hij was onderhand aardig dronken aan het worden.
“Ja, dat was mijn vraag.” Ik grijnsde onverholen.
“Wie kinderen heeft… Sorry, ik begin opnieuw.” Hij nam nog een slok van zijn Bacardi-cola. “Wie veel kinderen heeft, maakt zich schuldig aan een milieumisdrijf dat vergelijkbaar is met het rijden in een terreinwagen. Voilà. Sta je van te kijken, hè?”
“Zeg dat wel. Wat bedoel je trouwens met veel?”
“Nou gewoon, dat we minder kinderen moeten maken. Dat staat in een rapport van een Britse, eh, dinges, onderzoeksgroep. Zoek het maar eens op op het internet. Het hebben van een groot gezin wordt gezien als een van de belangrijkste redenen van de opwarming van de aarde.” Hij bracht een luide boer ten gehore. Iemand achterin de bar maakte daarover een opmerking. Daarna steeg er luid gelach op. Koen hoorde het niet.
“Je wil zeggen dat de wereld overbevolkt is. Toch? Daar kan ik inkomen.”
“Nee gedomme, dat wil ik niet zeggen.” Hij hief zijn glas hoog naar de uitbaatster. “Jij ook nog een drankje?” richtte hij zich tot mij.
“Een tomatensap on the rocks.”
“En een tomatensap met ijs!” De vrouw glimlachte en knikte.
“Bon. Waar waren we?” Ik duwde mijn kauwgum in een vergeten asbak waarop in groene kapitalen ‘TABASCO’ stond gedrukt.
“Wie al twee kinderen heeft, moet er geen drie willen. Dat is misdadig. Enfin, dat is niet verantwoord. Bereken daarvan maar eens de impact op het milieu. We moeten dringend maar eens minder neuken met de bedoeling nageslacht te verwekken.” Het vodje rond zijn tong werd almaar dikker.
“Wist je dat een alleenstaande…” Ik keek hem thans indringend aan. “… een veel grotere ecologische voetafdruk heeft dan een gezin met, pakweg, drie kinderen?” (*)
“Een grotere wát?”
“Ecologische voetafdruk. De mate van milieuvervuiling per persoon.”
“Een gezin met drie…?”
“…kinderen.” vulde ik hem aan.
“Heb jij kinderen?” Zijn blik priemde zich in de mijne.
“Nee, Koen. Nee, ik heb geen kinderen.” Ik zuchtte en keek op mijn uurwerk.
“Drinken we er nog eentje?”
“Je hebt nét een glas besteld.” Ik wees naar het drankje dat vlak voor hem op de toog stond.
“Ah! Schol, Menck. Op het milieu.”
Ik nam mijn tomatensapje en tikte dat even tegen zijn glas. “Op de kindjes, Koen.”
“Jàààh, op de kindjes. Hoe is het ermee, trouwens?”

 


(*) De studies/bronnen dienaangaande lopen danig uiteen en spreken elkaar niet zelden tegen.

Ho, ho, huh?

Thans weet ik het wel zeker, beste lezer: wat over de Kerstman wordt verteld, is zo onwaar als de pest. Want hey, ik mocht hem gisteren live ontmoeten in Torhout. En wat ik daar zag, heeft me diep teleurgesteld.

Neem nou Rudolph, dat immer veel te gezwinde rendier waardoor de Kerstman gedurig ‘Ho Ho Ho!’ dient te roepen. Welaan dan, Rudolph is één vette leugen. Of beter: Rudolph is een roestige bestelwagen. No kidding. Want gisteren kwam Kerstmans met veel luister en vertoon uit een witte Mercedes Vito gekropen in plaats van uit een arrenslee. Hij riep ook slechts één keertje ‘Ho!’. Dat was toen de linkervoet van zijn chauffeur – ja, hij heeft een chauffeur, stel het u voor! – per ongeluk van de koppeling gleed en zijn vehikel daardoor met een venijnige ruk voorwaarts schoot en prompt stilviel. Hierbij kwam Kerstmans welhaast op zijn bebaarde smikkel terecht. Als ik me niet vergis, hoorde ik hem binnensmonds godverdommen, doch daar durf ik niet echt een eed op te doen.

Laat ik meteen maar een tweede stelling ontkrachten die ons al decennialang wordt ingelepeld: Kerstmans is géén gezellige dikkerd. Bijlange niet. Kerstmans is lang, mager en bovendien behoorlijk slungelachtig. Hij mag dan wel een diepe en quasi onverstaanbare stem hebben, de klanken die hij uitstootte vond ik toch verdacht West-Vlaams klinken. En dat voor de commerciële afgezant van een Amerikaanse frisdrankengigant! U begrijpt dat ik hierdoor een wijl van mijn warme chocomelk was.

Maar wat u ongetwijfeld totaal niet bevroedde, is dat Kerstmans een lief heeft. Echtig en techtig waar. Bovendien is die lelieblanke deerne ook nog ’s goed voorzien van poten en oren en al.
Dat Kerstmans als witharige valt op blondines begrijp ik nog enigszins, maar dat de aloude rakker er een vriendinnetje op nahoudt dat ik hooguit twintig schat, gaat mijn pet ver te boven. Net zoals hij haar, voor de ogen van vele tientallen onschuldige bengeltjes, pardoes een tong draaide. Ongezien, zoiets!

U zult begrijpen dat Kerstmans wat mij betreft serieus van zijn voetstuk is gevallen. Meer nog: ik durf bij deze stellig te beweren dat mijn geloof in deze ooit zo mythische creatuur een irreparabele deuk heeft gekregen. Dat heb ik hem overigens, van man tot kerstman, eens stevig ingepeperd. Waarna hij in luid lachen uitbarstte. Een lach waarin ik een overduidelijke ‘Ho ho ho!’ hoorde.

Zou hij dan misschien toch…?


De twee flauwe fakers flankeerden fluks mijn madam voor de foto.

[ Foto: Menck ]

Wreed accident

Of ook: hoe een foto kan worden afgestemd op de inhoud van een artikel.

                                                              * * *

 

@ deredactie.be: een vacature voor een corrector dringt zich hoe langer hoe meer op.

De nieuwe lichting

Het hele aanbod van de VRT wordt gekenmerkt door een hoge kwaliteit, zowel naar inhoud, naar vorm als naar taalgebruik.

[ Fragment uit het maatschappelijk doel van de VRT volgens het mediadecreet. ]

Yeah, right.

[ Schermafdruk Sporza via deredactie.be ]

* * *

UPDATE 15/03/2016:
De VRT heeft intussen de fout rechtgezet:

De uitmelktand – UPDATE

U had, naar aanleiding van het logje ‘De uitmelktand’, nog een update tegoed.
Dit is wat de vriendin des huizes me meegaf:

Ik heb een ontvangstbewijs gekregen van de tandarts maar geen terugtrekkingscertificaat voor het verwijderen van de wortel (hetgeen bij mij gebeurde). In de plaats daarvan kreeg ik een certificaat voor het trekken van een tand terwijl er toen helemaal geen tand meer aanwezig was.
Louche zaak.

Ik nam per e-mail contact op met het RIZIV (het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering). Dat liet me weten dat de arts – gedeeltelijk geconventioneerd – niet verplicht is om zijn consultatie-uren te etaleren in zijn wachtkamer. Daarop stuurde ik een link met de letterlijke wetmatigheden van het ziekenfonds naar het RIZIV dat me kort daarop terugmailde met de melding dat gedeeltelijk geconventioneerde artsen wel degelijk hun spreekuren moeten uithangen. (Alleen buiten die spreekuren kunnen zij een hoger honorarium aanrekenen, vandaar.)
Overwinning, yes!

Ik heb er mijn tandarts, tijdens mijn laatste bezoek, attent op gemaakt dat het prestatiebewijs voor terugtrekking het werkelijk betaalde bedrag dient te vermelden. De tandarts beweerde niet op de hoogte te zijn van deze recente wet. Na aandringen mijnentwege heeft ze, onder de ‘ja’, dan toch de wettelijke som ingevuld.
Tweede overwinning!

Kortom: wie niet op zijn strepen staat en alles zomaar voor waar aanvaardt, wordt onrecht aangedaan. Ik hoop dat mijn wedervaren wat ogen heeft geopend.

De uitmelktand

Van een goede vriendin des huizes ontving ik gisteren een e-mail met het verzoek de bijgevoegde tekst eens na te lezen alvorens ze hem zou versturen.
Haar schrijven, een aperte inculpatie, las ik met stijgende verbazing en verontwaardiging. Hier hangt zonder de minste twijfel een kwalijk geurtje aan.
Met haar uitdrukkelijke toestemming publiceer ik de aanklacht hieronder met het voorstel er eens úw mening over te spuien. Mocht u zelf al iets gelijkaardigs hebben meegemaakt, dan verneem ik graag uw wedervaren. Want dit is volgens mij ontegenzeglijk een (zoveelste?) flagrant gevalletje patiëntje-uitknijpen.
Toch?

Nochtans:

Sinds 1 oktober 2015 moeten artsen en andere zorgverleners het bedrag dat je als patiënt betaalt, vermelden op:

La faute couture

“En? Wat had ze aan?” vroeg madam Menck me op haar vertrouwde curieuzeneuzemosterdpottoontje.
“Kleren”, antwoordde ik.
“Kom nou, je weet best wat ik bedoel.”
“En jij weet al even goed dat ik daar nooit ofte nimmer op let. Enfin, ’t was iets blauws, denk ik. Of nee, groen. Maar heel zeker ben ik daar niet van. Hm, dan was het misschien tóch iets blauws. Ach, soit, who cares?”
“Tss, appelblauwzeegroen zeker. Laat maar, schat.”

Herkent u bovenstaand gesprek? Of beter: herkennen de mannelijke lezers het?
Vestimentaire interesses zijn me zo goed als vreemd. Zelf voel ik me met een fijn passende jeans en een comfy T-shirt of truitje algauw a sharp dressed man.
Textuur, merken, prijzen en dies meer: interesseert me geen hol. Trouwens: ik draag, als het even kan, immer zwart, zelfs om te slapen. En mocht u me willen belonen met een bankje van honderd euro als ik u, zonder spieken, het merk van mijn jeans verkondig, dan nóg zou ik u het antwoord schuldig moeten blijven. Zulks boeit me gewoonweg niet.

Slechts af en toe kan ik de vraag “En? Wat had ze aan?” wél beantwoorden. En dan nog maar ten dele.
“Iets met een diepe décolleté. Amainognie.” Of ook: “Haar rokje was zó kort dat ik slechts de kleur van haar onderbroek heb onthouden.”

Onlangs raakte ik met madam Mencks nicht aan de praat tijdens een vernissage. Ze was er met haar man.
We keuvelden wat over koetjes en kalfjes en andere boerderijdieren wijl we van de talrijke natjes en droogjes genoten.
“Haar eigen creatie”, vertrouwde haar man me op zeker moment toe.
“Waar? Goh, ik wist niet dat Greet ook schildert”, reageerde ik oprecht verbaasd. Ze schoten beiden in de lach.
“Haar jurk, Menck. Greet is sinds kort compleet in de ban van naald en draad. De jurk die ze nu draagt, is haar allereerste eigen ontwerp.
“Ach, zó. Nou, chapeau meid, je hebt duidelijk talent”, loog ik staalhard met een gezicht dat bewondering veinsde. Ze bloosde zowaar.

“En? Wat had Greet aan?” vroeg madam Menck me ’s avonds op haar vertrouwde curieuzeneuzemosterdpottoontje.
“Iets belachelijks”, antwoordde ik.
Pas ’s anderendaags, toen de eerste sfeerfoto’s van de vernissage mijn mailbox binnenrolden, kon ik eindelijk ook eens mijn bewering staven.

Zeg nou zelf, beste lezer: heb ik gelijk of heb ik gelijk?
De held die stiekem deze foto nam, vond alvast van wel.

The children they are a-changin’

Ik leerde veters knopen. Ik kon links en rechts aanwijzen. Ik begon fantasie aan te wenden in een verhaaltje. Ik was bij machte om op één been te staan. Ik kon een bal vangen. Ik had het touwtjespringen onder de knie. Ik kon alle kleuren opnoemen. Ik kon een vormpje maken in de zandbak. Ik kon een vierkant uit een stukje papier knippen. Ik kon knopen open- en dichtdoen. Ik kon fietsen – met steunwieltjes. Ik kon correcte zinnetjes opzeggen die allemaal met ‘ik’ begonnen.

Ik was vijf en al een hele pief.

Gelukkig bestond YouTube toen nog niet, want mijn trots zou prompt in elkaar zijn gezakt als een plumpudding.

Vijf jaar.
No kidding.
Aanstormend talent, iemand?

Herfstbarbier

Fernand, een krasse beginzeventiger en sinds vorig jaar een klant van me, stond op een ladder tegen een boom toen ik zijn tuin betrad.
‘Zijn tuin’ leest u het best als: ‘zijn maniakaal gestofzuigde tuin’. Zo een tuin waar geen enkel grassprietje langer is dan het andere, waar de paden en het terras dagelijks geveegd dan wel gehogedrukreinigd worden en waar er schier onafgebroken wordt geharkt tussen tal van iele groenblijvende heestertjes die, met een tussenafstand van vijf meter, een lange border vullen.
Elke keer als ik zijn tuin betreed, ruik ik burgerlijkheid in plaats van natuur, zie ik bleekwater in plaats van mos, proef ik enggeestigheid bij ieder woord dat hij uitspreekt. Fernand is, om het boud te stellen, een regelrechte slaaf van zijn tuin, een freak. Hij is benepen, bekrompen, kneuterig en kleinzielig. Bovendien draagt hij ’s zomers – o gruwel! – witte marcellekes en in het najaar een gevoerd vuilroze hemd. Beide kledingstukken combineert hij steevast met een marineblauwe jeans waar vooraan een plooi in gestreken is. Enfin, u kent dat type misschien wel, maar hopelijk niet.

“Wat ben je aan het doen, Fernand?” vroeg ik oprecht benieuwd. Want de boom waar hij tegenaan stond is niet vruchtdragend en diende evenmin te worden gesnoeid.
“Ik pluk de resterende herfstbladeren van de takken”, gaf hij me met een uitgestreken gezicht mee. “Ik kan toch niet elke twee uur de bladblazer hanteren? Want dat is zowat hetgeen ik de afgelopen week deed. Maar nu ben ik het kotsbeu.”
Aan de boom hing misschien nog een honderdtal blaadjes. Ze waren vuurrood en zetten de herfst nog een minieme stonde in lichterlaaie. Ik kon mijn ogen en oren niet geloven.
“De andere bomen heb ik al geplukt. Kijk maar eens hoe zalig kaal ze zijn. Je kunt je niet voorstellen hoeveel werk en stress dit mij bespaart. Ik werd zenuwachtig door ernaar te kijken.” De overige bomen, drie stuks, stonden er effectief winters kaal bij.
‘Maar enfin, Fernand, gij benauwende jeanet, hoe absurd ben jij in godsnaam bezig?’ Die woorden bleven onuitgesproken maar vulden mijn hoofd tot barstens toe. ‘Zo’n mensen bestaan dus écht,’ dacht ik verder, ‘en ik word er dan ook nog ’s mee geconfronteerd.’

“Je bent nog een tijdje zoet, Fernand. Werk ze!” gooide ik hem hoofdschuddend toe.
Hij reageerde niet, had me waarschijnlijk niet eens gehoord, en zette zijn zelfopgelegde taak in opperste concentratie verder: blaadje na blaadje van de takken trekken en in de emmer gooien die aan een laddersport hing. Er parelde een druppel zweet op zijn linkerslaap. Zijn vuilroze hemd stond drie knoopjes open. Tussen zijn grijze borsthaar ontwaarde ik een gouden kettinkje.