Categorie: Nostalgia

Makrons

In de seventies kochten mijn ouders traditiegetrouw makrons voor me op de jaarlijkse dorpskermis. Deze uit Frankrijk overgewaaide ronde koekjes van bloem en suiker werden toentertijd gepresenteerd op een stuk eetpapier, ook wel ouwel genoemd. Op zo’n eetpapier kleefden, althans voor zover ik mij herinner, wel honderd makronnetjes. Ik was er helemaal weg van.

Sindsdien heb ik geen makrons meer gegeten. Meer nog: ik was hun bestaan zo goed als vergeten.
Tot ik vandaag deze – wegens de wind helaas niet al te scherpe – foto nam in de tuin:

Zou dat nog te verkrijgen zijn, zo’n groot eetpapier vol makrons? Want man, wat heb ik daar nou ineens zin in, zeg!

Wist-je-datje:
Makron werd in het Frans macaron genoemd. Die benaming werd eerst in het Nederlands aangepast tot makaron, met als meervoud makarons (vgl. Frans macarons) en als verkleinvorm makaronnetje.

Vervolgens werd het woord verder aangepast tot makron, met als meervoud het nog steeds op het Frans gebaseerde makrons, maar daarnaast ook een vernederlandst makronnen en een verkleinvorm makronnetje.

[ Foto: Menck | Twaait ]

Thuis heb ik nog een ansichtkaart

En ineens kom ik tot het besef dat het ouderlijk dorp, waar ik al vijfentwintig jaar weg ben, geen ziel meer heeft. De in een bonte mix tegen elkaar aanleunende huizen van weleer worden in sneltempo vervangen door homogene nieuwbouwappartementen met balkonnetjes van twee vierkante meter. Het zijn kille blokken, opgetrokken uit nieuwerwetse steensoorten, staal en snelbeton. De voormalige tuintjes zijn thans geplaveid met asfalt en bezaaid met grauwe garageboxen. Als bange haasjes staan nog een stuk of wat originele huizen overeind waarin oudjes resideren die halsstarrig weigeren om hun heem te cederen aan begerige vastgoedfirma’s.

Jeugdsentiment maakt zich van me meester. Tot eind jaren tachtig van de vorige eeuw was ik hier nog intens gelukkig. Er waren tientallen clubs en buurthuizen, jongerencafés en bruine kroegen en zelfs twee heuse fuifzalen. Het dorp lééfde en de inwoners klitten aan elkaar. Wie er arriveerde, wist meteen: veni vidi velcro.
Anno 2016 tel ik nog amper twee would-be chique bistro’s en een staminee-met-voetpadterras op de gelijkvloerse verdieping van een modernistische residentie met een vergezochte complexe bouwstijl. De speeltuin uit mijn kinderjaren, sinds mensenheugenis gesitueerd achter het oude rijksschooltje, moest onlangs wijken voor een parking voor tweehonderd wagens. Het schoolgebouwtje doet nog slechts dienst als jaarlijkse uitvalsbasis voor de plaatselijke jeugdbeweging. Naar aanleiding van de dorpskermis turnen ze het dan gedurende drie dagen om tot een pop-up bar. De sloop is, zo weet ik nu al, nakend.

In de dorpskern hangt een walm van uitlaatgassen. Ook hier heeft de heilige koe het straatbeeld genadeloos geruïneerd. Er wordt getoeterd en gefoeterd, er vormt zich een kleine file als een bestuurder met angst in de ogen zijn blikken doos tussen een lange rij opeengepakte voertuigen tracht te parkeren en dan moeten er ook nog eens twee harmonicabussen laveren tussen deze chaos. De ooit zo onbevlekte ziel van dit eens zo lieflijke boerengat is nog slechts aanwezig in die weemoedige kop van me.

Om mijn trip down memory lane af te ronden, besluit ik wat foto’s te nemen van het charmante oud-gemeentehuis. Ook dat staat, als ware het mijn eerste huwelijk dat zich aldaar voltrok, al een tijd leeg te wachten op herbestemming. Althans, die tijding vernam ik enkele maanden geleden nog via de Streekkrant.
Bezijden dit geabandonneerde pand uit de fifties werd een poos geleden, in een bestuurlijke vlaag van hoogmoedswaan, een gloednieuwe en geheel contemporaine mastodont neergepoot tot meerdere eer en glorie van de burgervader en zijn slippendragers. Een snel evoluerende gemeente waardig, heet zoiets.
Ik heb brute pech als ik ter plaatse arriveer: zowat tachtig procent van het gewezen gemeentehuis is al opgeslokt door kranen en bulldozers. Adieu herbestemming. Slechts een deel van de voorgevel en de trappenhal met glas-in-loodramen staat nog overeind. Een misselijkmakende aanblik. Wég sierlijke marmeren draaitrap waarlangs de statige raadszaal kon worden betreden. Eind jaren vijftig werd hij, nog geheel handmatig, vervaardigd en geplaatst door de nu vijfennegentig jaar oude Edward Deschacht.

“Ik maakte de trap helemaal alleen”, mijmert mijn gewezen dorpsgenoot. “Als ik bezig was, mocht niemand dat zien. Een trap tot stand brengen, was een echte specialiteit. Kennis delen was geenszins de mode in die jaren. De trap in het gemeentehuis was toentertijd een uitzonderlijke constructie.”
Of hij iets begrijpt van de beslissing om het uitgerangeerde gemeentehuis te slopen in de plaats van het een herbestemming te geven?
“Ze konden toch op zijn minst het portaal laten staan?” vraagt hij zich af. “Maar anderzijds is het natuurlijk geen museum; waarom zoúden ze?”


[ Foto: Menck | Twaait ]


[ Foto: Menck | Twaait ]

Aangezien ik geen foto’s bezit van de ongehavende buiten- noch binnenkant van het vroegere gemeentehuis, contacteerde ik fotograaf Kurt Gielen van het fantastische Lost & Abandoned Places. Of hij me een paar beelden van zijn hand wilde bezorgen? En zo geschiedde:




U merkt het, beste lezer: ik uit hierbij mijn absolute voorliefde voor het renoveren en herbestemmen van oude gebouwen. Deels uit nostalgie, deels omwille van de cultuurhistorische relevantie. Het is zo bijzonder om door die oude panden te flaneren. Je proeft het verleden en voelt de ziel van het bouwwerk. Bij herbestemming is het wat mij betreft de kunst, de uitdaging, om die oude ziel te bewaren en tegelijkertijd een eigentijdse uitstraling aan een gebouw te geven. Het mooiste vind ik de combinatie; dat het oude en het moderne samensmelten tot een magnifiek nieuw geheel.
De zorg voor het lokaal erfgoed is bovendien niet alleen een opdracht van grote steden met een roemrijk verleden. Ook eerder landelijke gemeenten met een bescheidener historisch patrimonium, zoals mijn ouderlijk dorp, hebben de plicht om de erfenis van het verleden te bewaren, te koesteren, te waarderen en door te geven aan de komende generaties.

Dat gebeurt vandaag helaas almaar minder. Ten faveure van de vooruitgang, luidt het dan.
Als u me nu wilt excuseren: ik ga eventjes kotsen.

Le futur passé

Mijn nichtje – welhaast veertien lentes – heeft onlangs mijn blog ontdekt. Dat mag. Ik kreeg alleen geen stellige zekerheid over wie haar de link had toegespeeld, doch er steeg gegniffel op tussen haar en mijn madam toen ik die vraag stelde.
Wat ze ervan vond, vroeg ik langs mijn neus weg.
Dat ik een grappige alias heb, was haar eerste bemerking. Waarop ik haar verduidelijkte dat ik al sinds mijn lagereschooltijd zo wordt genoemd. Dat wist ze niet.
“Je schrijft wel ouderwets, nonkel Menck. Zo stijf. Niemand van mijn leeftijd zou je blog willen lezen. Behalve ik.”
Dat laatste was overduidelijk een excuus, want ze giechelde iets te nadrukkelijk.
“Zo schrijven oude zakken nu eenmaal”, verduidelijkte ik haar. Ze knikte meteen instemmend, hetgeen me er niet bepaald gelukkiger op maakte.
“Vind je mijn papa en mama dan ook ouwe zakken? Ze zijn tenslotte maar een jaar jonger dan jij.”
“Absoluut, schat.” Uit de belendende keuken steeg luidkeels protest op. En dat ik vooral voor mezelf moest spreken.
“Ze zitten wel op Facebook, hè!” verdedigde ze prompt haar ouwelui.
“Dat moeten zij weten. Ik zit liever op een stoel.” Even was er stilte en verraadde haar blik onbegrip, daarna lachte ze luidkeels.
“Ik zal eens, speciaal voor jou, een blogpostje in elkaar boksen om te tonen hoe verschrikkelijk belegen wij al zijn.” Ik schonk haar een samenzweerderig knipoogje.
“Hoe ga je dat doen?”
“Door bijvoorbeeld zoveel mogelijk foto’s te posten van dingen die in mijn jonge en heel erg jonge jaren behoorlijk hip waren. Ik durf te wedden dat je er hooguit een paar zult van kennen.”
“En ze waren hip toen jij jong was?”
“Of bijzonder populair.”
“Oké. Maar wel doen, hè! Ik ben benieuwd.”

Bij deze, dus.
Ik vraag me trouwens af hoeveel lezers onder de vijfentwintig kunnen benoemen wat hieronder wordt afgebeeld. En waarvoor die dingen – ondanks mijn, ahum, pompwaterklare beschrijvingen – wérkelijk dienden of hoe ze in de praktijk werden gebruikt.
Als u ze echter wél allemaal weet te duiden – en er ook, zoals ik, daadwerkelijk mee in aanraking dan wel vertrouwd bent geweest – dan bent u vanzelfsprekend eveneens een ouwe zak (m/v).
In de ogen van een veertienjarige, dat spreekt.

1. Het Chinees telraam

Populair toestel om lagereschoolkinderen saaie wiskunde op een speelsere manier bij te brengen.

2. Bloembollenplanter uit de seventies

De punt werd in de aarde gedrukt. De markeringen in het houden handvat gaven de verschillende plantdieptes aan. Het touw diende ter uitlijning van de bollenrijtjes.


3. Viewmaster

Het woord geeft het al ten dele aan: dit toestel werd door oogartsen en opticiens gebruikt om kleurenblindheid op te sporen. Ook werd er – vandaar de 3D-vermelding – iemands dieptezicht mee gecontroleerd op abnormaliteiten.

4. Hoeststillende pillen

Deze uitsluitend in de apotheek verkrijgbare hoeststiller, populair in de zeventiger en tachtiger jaren, werd omwille van zijn uitermate verslavende snoepjessmaak uit de handel genomen.
Menig mens sprak de naam verkeerdelijk uit als Treets wijl het daarentegen correct was te gewagen van Trie-iets.

5. Ceremonieel openingsbeeld

Dit openingsbeeld werd, begeleid door de bekende Eurovisie tune, op het televisiescherm vertoond bij aanvang van internationale gebeurtenissen zoals bijvoorbeeld het Eurovisiesongfestival. Het ontwerp is van de hand van de bekende Spaanse kunstenaar Antoni Gaudi.

6. Ontsmettingscabines

Ten tijde van onder andere de gekkekoeienziekte, de vogelgriep en de varkenspest waren deze mobiele hokjes in Vlaanderen een vertrouwd straatbeeld. Alvorens een geïnfecteerde zone binnen te stappen, diende hierin het schoeisel verplicht te worden gedesinfecteerd.

7. Belgische frank

Onderstaand bankbiljet was een populair betaalmiddel vóór de eeuwwisseling. Diens waarde, zijnde twintig frank (voor de Nederlanders: ongeveer 1 gulden), stond in de jaren ’80 gelijk aan de prijs van onder meer een paar lederen schoenen of twee all-in tickets voor Rock Werchter.
Enfin, toch in mijn hoofd.

8. Onafscheidelijk duo

Als u al weet wat het bovenste voorwerp is, o gij hippe tiener en begintwintiger, dan weet u beslist niet wat het potlood ermee te maken had.

9. Start To Walk

Het onderstaande apparaat was de drager van de instructiecassette ‘Start To Walk’, de voorloper van het huidige ‘Start To Run’ van Evy Gruyaert. Het ding, logischerwijze Walkman genoemd, hielp revaliderende patiënten terug te stappen na ernstige beenkwetsuren dan wel -fracturen.
Begeleidende marsliederen ondersteunden de door wijlen La Esterella – indertijd recordhoudster op de vierhonderd meter poolstokspringen – ingesproken instructies.

10. Miniprinter

Deze personal miniprinter, door Kodak op de markt gebracht begin de jaren tachtig van de vorige eeuw, bracht zijn printvellen in beweging middels zijwaartse geleidingsstroken die over tandwieltjes werden gestuurd. Om de onuitwisbaarheid van de print te garanderen, bestond de beelddrager uit een waterbestendige kunststof.
De printer was het gevolg van de gestaag groeiende vraag naar compactere toestellen. Hij werd vooral gebruikt om analoge foto’s te vereeuwigen. Maar ook bijvoorbeeld kleine boodschappenlijstjes uitprinten behoorde tot de mogelijkheden.

11. Brailletelefoon

Ontworpen met het oog op blinden die niet goed konden zien. In plaats van de in de jaren zeventig algemeen gangbare druktoetsen werd een schijf met gaten voorzien. Hierdoor konden blinden, mits een weinig telwerk, het juiste cijfer voelen.
Bemerk de hoorn met een draaiwieltje: die was ten behoeve van de slechthorende blinden uitgerust met een ingebouwd hoorapparaat waarvan het volume kon worden afgesteld naar eigen behoefte.

12. Ooievaarspalen

In mijn kinderjaren was seksuele voorlichting nog lang geen gemeengoed. Er werd, onder meer in Zuid-West-Vlaanderen en Limburg, nog veel geloof gehecht aan de ooievaar als babybrenger. Ten diens behoefte werden talloze daken van woningen getooid met ooievaarspalen waarop de fladderaars der blijde boodschap hun nesten konden bouwen.

13. Eerste Bancontact

De eerste bankkaart – we schrijven 1978 – was, zoals onderstaand te bemerken, een pak groter dan het huidige pinpasje. Men kon er maximaal twintig Belgische frank mee uit de muur halen. Al bij al toch goed voor een paar lederen schoenen of twee all-in tickets voor Rock Werchter.

14. Lijnbus der minderbedeelden

Tot diep in de jaren tachtig waren deze oranje bussen van vervoersmaatschappij De Lijn een vertrouwd beeld in de Vlaamse straten. Naast de wit-met-gele lijnbussen, die we heden nog treffen, werden tevens oranje voertuigen ingelegd voor de financieel achtergestelden. Werklozen, mensen in schuldbemiddeling, Poolse vrachtwagenchauffeurs, Syrische vluchtelingen en hoveniers werden er, tegen verwaarloosbare tarieven, mee naar school, werk, OCMW of tentenkampen gebracht.
Het gelijkekansenbeleid luidde het einde in van deze stigmatiserende tak van De Lijn. Enkel in Wallonië zijn alle lijnbussen nog oranje.

15. Handtas waarmee gebeld kon worden

hippe handtas voor elke moderne vrouw uit de eighties. Merk: Delvaux. Kostprijs naar huidige maatstaven: 10.000 euro. Zendbereik: 1000 meter. Dientengevolge vooral populair in kleine, kapitaalkrachtige staten zoals Monaco en Vaticaanstad.

16. Verstandig roken

Wat nu niet meer kan, kon in de jaren zeventig wél nog: verstandig roken. Voorbehouden aan onder andere sportlui, dokters en gezondheidsgoeroes.
Kanker werd pas vele jaren later uitgevonden.

17. 56K-modem

Voorloper van de huidige digicorder. Via de telefoonlijn kon men middels dit apparaat eind de jaren ’70 het tv-toestel reeds in HD afstemmen op Brussel-Vlaams, Brussel-Frans, Rijsel en Nederland 1 en 2.
Met dit toestelletje konden, helaas enkel analoog en in het zwart/wit, ook de toenmalige kleinere spelers al worden bekeken: VIER en VTM.
Het modem was in staat om maximaal twee programma’s op te nemen en uitgesteld te bekijken, een ongekende luxe in die dagen. Reclame doorspoelen kon evenwel niet.

18. De eerste GPS

Ook in mijn kinderjaren werden we al geïnstrueerd door een vrouwenstem in de wagen. Zo feilloos als de huidige GPS werkte deze methode toen helaas nog niet. Links werd veelal met rechts verwisseld et vice versa, de wagen werd te vaak omgeleid naar parkings met openbare toiletten en niet zelden corrigeerde de vrouwenstem de chauffeur, stemverheffing incluis.

19. Eerste Sms’jes

Op dit apparaatje verscheen, begeleid door een luide bieptoon, een telefoonnummer. De bezitter diende zich vervolgens te reppen naar het dichtstbijzijnde telefoontoestel om daarmee het op het schermpje afleesbare nummer terug te bellen. Enige omslachtigheid was het ding dus niet vreemd.
Het toestel werd vooral gebruikt in zakenmiddens, door bazige echtgenotes, door televerkopers en door Aziatische sekslijnen.

20. Computer zonder muis

Ver voordat de muis zou worden losgekoppeld van computers – cfr. laptops en tablets – werkte ik in de jaren tachtig van de vorige eeuw al met een muisloze pc. Zei daar iemand hip?
De focus lag uitsluitend op de pijltjes- en F-toetsen, het lettertype en de beeldschermkleuren waren universeel en niet manipuleerbaar en Google werd geraadpleegd middels de 26-delige Larousse dan wel de gele gids.

Mijn eerste blog, opgesteld in MS-DOS, heette in 1989 nog simpelweg ‘Menck’ en werd gevolgd door vier lezers, zijnde mijn collega’s van den buro. Reacties werden uitsluitend mondeling gegeven, waardoor een prompte tegenreactie mijnentwege mogelijk was.
Mijn god, wat was het leven toen nog kinderlijk eenvoudig. WordPerfect, welhaast.

En u?

Alles onder controle

Met mijmeren bereik je uiteindelijk niets. Dat credo heb ik me in de loop van vierentwintig maand eigen gemaakt.
Mijn moeder was vorige vrijdag twee jaar dood. Om exact vijf uur ’s avonds – ik was een raamkozijn aan het schilderen – dacht ik aan hoe we rond haar sterfbed stonden wijl ze weggleed.
Het raakte me een pak minder dan vorig jaar, ook toen ik ineens glashelder de tranen van mijn vader, broer en zus voor mijn geestesoog zag stromen. Zelf hield ik het die bewuste dag droog, maar inwendig huilde ik toen hard en ongecontroleerd.
In de bijna handdroge verf zag ik plots een traan en ik vloekte. Die moet straks absoluut worden weggeschuurd, fluisterde ik tegen mezelf; tranen die een blijvende indruk achterlaten, verfoei ik hartgrondig.
Vijf minuten later was ik alweer volop aan het meefluiten, -neuriën en -zingen met het transistorradiootje dat ik op de met plastic afgedekte vloer had geposteerd. De lange antenne van het oude kleinood hing op halfzeven, maar de ontvangst was opperbest. ‘Hello from the other side’, begon Adele te blèren. Ik legde prompt mijn verfkwast op de rand van de pot, draaide me om en zocht een andere zender op. Nog maar eens dat overschatte wijf op de radio; om van te janken. Maar inwendig lachte ik hard en ongecontroleerd.

[ Foto’s: Menck | Twaait ]

De memorie als muze (1) | 1987

Ik had net mijn derde streekbier op toen ze naast me kwam zitten. Ze leunde met beide ellebogen op de bar en keek me aan.
“Kan ik je iets te drinken aanbieden?” Haar adem rook naar goedkope cognac.
“Graag.” Ik knikte even ter begroeting. “Doe mij maar een gin-tonic.”
Ze bestelde. Zelf nam ze een cognac.
“Vanwaar die eer?” informeerde ik oprecht nieuwsgierig.
“Zomaar. Ik vond je er maar eenzaam bijzitten.” Ze zocht in haar kleine bruinleren tas naar geld. Toen onze drankjes arriveerden, betaalde ze met pasmunt.
“Hoe heet je?” vroeg ik haar terwijl ik mijn glas ophield. Ze tikte er haar bel cognac tegenaan.
“Lucía.”
“Zo. En echt?”
“Lucía.” Ze nipte voorzichtig van haar glas, alsof de inhoud zonet nog aan de kook was gebracht. “En jij?”
“Pierre”, loog ik eveneens.
“Nou, schol dan, Pierre. Heb je vuur?”
Ik diepte een aansteker uit mijn jaszak op en hield haar die voor. Ze stak een lange Marlboro tussen haar lippen, zoog er vervolgens de brand in en inhaleerde stevig. Daarna blies ze de rook omhoog.
“Rook jij niet?” Ze trok een groenglazen asbak dichterbij. Er stond ‘Schweppes’ op.
“Soms,” gaf ik haar naar waarheid mee. “Nu even niet. Straks misschien weer wel.”
“Jij bent grappig.” Ze kirde kortstondig ter instemming.
“En jij hebt…” Ik vorste aandachtig haar kijkers. “…heel mooie groene ogen.”
“Dank je. Heb ik van mijn moeder.”
“Zo.” Ik nam een slok van mijn gin en proefde vooral tonic. Afpersers.
“Ben je alleen?” Ze zette haar glas neer en tikte haar as af. Daarna keek ze me indringend aan.
“Yep. Althans, nu weer wel.”
“Hoezo?”
“Mijn lief heeft me…” Ik keek op mijn horloge. “…zesenvijftig minuten geleden gedumpt.”
“Klote.” Ze schudde zuchtend haar hoofd.
“Tja. Maar kom, er zijn ergere dingen denkbaar. Kanker krijgen, om maar eens iets te noemen.”
“Da’s waar. Hoe heet ze?”
“Qué?”
“Je lief. Ex-lief, bedoel ik.”
“Petra”, antwoordde ik thans geheel ongelogen.
“Kijk ‘s aan. Zo heet mijn zus ook. Maar die is lesbisch.” Ze knipoogde schalks en gaf me een speelse por.
Ik lachte summier, enigszins verward.
“Dat zei mijn lief daarnet ook.”
“Wat zei ze?”
“Dat ze eigenlijk toch écht wel meer voor vrouwen voelt. Daarom dumpte ze me uiteindelijk. Ze overviel me er danig mee, moet ik zeggen.”
“Wat is haar familienaam?” Ze keek me ineens erg geïnteresseerd aan.
“Euh, Debruyne. Waarom?”
“Shit.” Ze wendde haar hoofd af en nam een stevige slok van haar cognac.
“Wat, shit? Ken je haar dan?”
Stilte.
“Ow nee, hè. Is zij…?” Ik draaide een kwartslag op mijn kruk en legde mijn hand op haar arm. “Ben jij Sandra?”
“Uhuh.” Ze werd ineens vuurrood. Zenuwachtig walste ze het laatste restantje cognac in haar glas rond.
“Dan weet je dat ik…”
“… Menck bent. Ja.”
“Dat klinkt behoorlijk anders dan Lucía en Pierre, niet?” Ik grinnikte schamper.
“Sorry. Ik kende je echt niet. Van uiterlijk, bedoel ik. Mijn zus laat niet veel los over haar, eh, geliefden.”
“Mooie zus heb jij.” Ik trachtte het verwijt in mijn stem te temperen, wat me maar ten dele lukte.
“Ze is heel erg onzeker momenteel.” Het kwam er enigszins gelaten uit. “Maar hey,…” Ze zocht mijn ogen met de hare. “…ik wist écht niet wie je was. Dat zweer ik.”
“’t Doet er ook niet toe. Anyway, hier zit ik dan. Eenzaam te wezen. En nu weet je meteen ook waarom.”
“Zeg dat wel. Wil je nog iets drinken? Je staat droog.” Ze wees naar mijn glas.
“Yep. Maar op mijn kosten dit keer.”
“Niks van. Ik betaal. Zie het maar als een, eh, troostdronk. En als toost op onze kennismaking. Right?”
“Jij bent veel te goed, dat besef je toch?” Ik knipoogde schalks. Ze glimlachte.
“En jij bent veel te eenzaam.” Ze stak haar hand omhoog naar de barman.

Mijn relatie met Sandra heeft, op twee dagen na, acht maanden geduurd en sprong af op zeventien oktober negentienhonderd zevenentachtig nadat ze me betrapte met een langbenige scharrel uit Zeebrugge waarmee ik het welgeteld zestien uur volhield.

De periode van het jaar?

De laatste jaren betrap ik er mezelf steeds vaker op dat ik mijmer over wat voorbij is. Op zulke momenten duik ik in mijn verleden en licht er de meest uiteenlopende facetten uit om ze te beschouwen en te herkauwen.
Vreemd.
Want voor ik veertig werd, had ik dat nooit. Integendeel; dan keek ik echt uit naar wat de toekomst me zou brengen. Met wijd open armen en boordevol plannen stortte ik me in het leven dat voor me lag. Of clichématiger: de toekomst lachte me toe.
Stilstaan is achteruitgaan, wordt wel ‘s gezegd. Of dat ook geldt voor stilstaan bij iets, weet ik niet. Maar soms, heel soms, beangstigt het me. Want wat heb je aan gedane zaken?
Nu is het niet zo dat ik geen vooruitzichten meer zou hebben. Of dat ik die zou verdringen. Ik vraag me enkel maar af waarom ik thans zo vaak weemoedig peins over wat wás. Mensen met wie ik het erover had, opperden tal van mogelijke redenen.
“Het besef dat je oud wordt”, stelde mijn (negen jaar jongere) zus. “Je bent over de helft van je leven, en je weet dat de ruim veertig jaar toffe momenten die achter je liggen nooit meer terugkomen, tenzij als herinneringen. Die dan ook nog ’s gaan vervagen met de tijd”, lichtte ze verder toe.
Vreselijk opbeurende tijding, sis.
Maar ze kon wel eens gelijk hebben, natuurlijk. Logisch klinkt het in ieder geval wél.
“Volgens mij heb je last van een depressie”, liet een vriend uitschijnen.
Wie? Moi?
Neuh! Enfin, toch niet al te vaak. Al is dat wel ietsje vaker dan vroeger. Maar om nou te stellen dat ik zwartgallige gedachten zou hebben? Dacht het niet.
“Misschien zie je de toekomst gewoon somber in? Doembeelden en zo, je weet wel. Laat je je teveel leiden door de miserie waarmee de media ons om de oren slaan, Menck? Enfin, ik weet het niet, hè. Maar het zou kunnen.” Aldus een andere welmenende medemens.
Alvast geen mens die van plan was om me wat peptalk toe te gooien. Feit is dat ook hij wel eens gelijk kan hebben. Want steeds vaker sluit ik me af voor ellende en onheilsberichten. Ik merk dat ik het journaal meer en meer ga mijden. Dat ik de krant stukken selectiever ga lezen dan vroeger. Dat ik…
Enfin, het kán.

Laat ik er maar eens op googelen, dacht ik vandaag.
Alzo belandde ik bij ‘Psychoanalyse van het vuur’, een werkstuk van een zekere Gaston Bachelard. En wat schrijft die gast? Ik citeer even:

Ondanks de huidige wetenschappelijke ontwikkeling zijn de ontstaansvoorwaarden voor het mijmeren onaangetast gebleven. Zelfs de geleerde grijpt terug naar primitieve waarden wanneer hij zich niet met zijn vak bezig houdt. Het zou dus nutteloos zijn de historische ontwikkeling te beschrijven van een denken dat voortdurend de lessen van de geschiedenis tegenspreekt. Ik zal daarentegen een deel van mijn inspanningen aanwenden om aan te tonen dat de mijmering steeds primitieve thema’s herhaalt en zich voortdurend als een primitieve psyche ontwikkelt.

Volgt u nog? Zo ja: help me dan even. Want ik word er alvast niet veel wijzer van.
Maar wat verderop vond ik een andere benadering. En daar kan ik me wél in vinden. Bovendien is ze een pak bevattelijker:

Mijmeren is verleden geluk herproeven en enigszins triest beseffen dat je het noodgedwongen – en aldus ongewild – losliet omwille van de geleidelijke maar ongenadig voortschrijdende ontwikkeling waaraan je als mens onderhevig bent.

Kijk, en zo kom ik tot de constatering dat mijn zus, zij het enigszins anders verwoord, het me net zo toespeelde. Mijn kleine zusje, begot. Waar is de – overigens erg zalige – tijd dat ze mij quasi dagelijks bestookte met vragen-om-raad-van-haar-oude-en-wijze-broer?
Gunt u mij nog even déze fijne mijmering?

[ Foto: Menck | Twaait ]

LovePrint

De oeroude en thans leegstaande gebouwen van de drukkerij-uitgeverij waar ik jarenlang mijn broeken heb versleten als corrector – en waar ik madam Menck leerde kennen! – worden een dezer dagen met de grond gelijkgemaakt. Voortaan huist het bedrijf in een eigentijds industrieel pand buiten de Brugse stadskern.
Doch alvorens er straks tot afbraak zal worden overgegaan, kreeg de voormalige hoofdwerkplaats voor één dag nog eens zijn eerdere – anno 1930 tot omstreeks 1942 – bestemming aangemeten: die van onvervalste Roller Disco Hall.
Aan deze plek kleven, althans wat madam Menck en ik betreft, magische herinneringen. Dit videootje heeft ze zonet weer allemaal opgerakeld, buikvlindertjes inclusief.

Trouwens: waar/hoe heeft ú uw partner eigenlijk leren kennen?

[ Muziek: The Peppers, ‘Pepper Box’ | 1973 ]

Het hebbeding

Fight fire with fire schoot het door mijn hoofd toen ik de corrosie zag verdwijnen door er met een dot staalwol over te wrijven. Na een tijdje was de oorspronkelijke glans welhaast helemaal terug.

Ach, heerlijke nostalgie. Op het einde van de sixties werd dit kleinood mijn absolute hebbeding. De oorspronkelijke kleur, pyjamablauw, genoot in die dagen niet bepaald mijn voorkeur wegens exact dezelfde als de deurtjes van de keukenkasten. Dat moest stoerder kunnen en dus vroeg ik mijn vader om het ding grijs te schilderen. Die wens van zijn bijna driejarige zoon werd prompt ingewilligd.
Toen mijn broer twee jaar later meermaals aan mijn mouw trok, “Nu ikke” sissend, wist ik: vanaf heden zou ik mijn bezit moeten delen. Zulks zinde me allerminst zodat er al snel slaande ruzie van kwam. Mijn vader greep uiteindelijk in en besliste dat ik te groot was geworden om hierover zo kleinzerig te doen. “Mij best”, repliceerde ik stoer, maar die avond lag ik lang te huilen in bed.
Na broer kwam zus. En ook zij nam, gedurende enkele jaren, gretig bezit van ons hebbeding. Ik lachte mijn broer uit toen ik hem zag pruilen. “Mietje!” verweet ik hem, nog voor dat woord in zwang raakte. Die nacht huilde hij in bed.

Ons hebbeding bleek onverwoestbaar. Er werd mee gesmeten, gerost, gecrasht en niet zelden lag het dagenlang buiten in de regen. Twintig jaar nadat mijn zus het niet langer opportuun vond om er nog op gezien te worden, doneerde mijn vader het aan de eerste spruit van mijn schoonzus en -broer. Later kwam het in handen van hun tweede dochtertje. Ondertussen werd het bestempeld als vintage en oogstte het tal van bewonderende blikken.
Zes jaar geleden kwam het hebbeding weer bij zijn allereerste eigenaar terecht. Ik stalde het op zolder, want er definitief afscheid van nemen kon ik niet. En wie weet kwam er wel een dag dat ik er nog iemand zou kunnen mee plezieren.
Die dag kwam. Vrienden bevielen van een zoon. En u raadt het al: ook hij matte ons hebbeding jaren aan een stuk joelend af. Waarna het hier terug op zolder belandde.
Vorige week heb ik het kleinood nogmaals opgevist. Een ander bevriend koppel heeft halfweg dit jaar de wereld verrijkt met een dochter. Ik heb haar mijn hebbeding beloofd als ze er rijp voor is. Eén hindernis, echter: het juweel van weleer was na bijna vijfenveertig  jaar zijn schittering volledig kwijtgeraakt. En zodoende werden de handen duchtig uit de mouwen gestoken.
Hoe een en ander in zijn werk ging, ziet u hieronder middels een korte foto-impressie. Pimp my ride, zeg maar.

Voor restauratie:

Kermit kwam erbij in de tijd dat mijn zus aan het driewielen sloeg. Die amfibie was toen hooglijk populair:

Het restaureren neemt een aanvang:

Blinken! Op het zadel bemerkt u, na enig vlakschuurwerk, ook het originele blauw:

Bloedrode hoogglanslak, saliegroene metaalverf en primer:

Na de primerlaag:

De uiteindelijke kleurencombinatie:

De toekomstige eigenares – die met de pamper! – kijkt begerig naar haar Harley Trapson in spe:

Trappertjes en naafuiteinden van dezelfde rode kleur voorzien en meteen ook maar een toeter gemonteerd.
To come: kleurige linten aan de handvatjes en een heuse gepersonaliseerde (mini)nummerplaat!

[ Foto’s: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

As Tears Go By

Op zekere morgen sta je voor de spiegel en bespringt je het besef: ‘Ik ben oud en lelijk geworden.’ Voor wie dat moment nog niet mocht meemaken: het kómt, geloof me.
Wat volgt, is gelatenheid. Toch in mijn geval. Want wat verdwenen is, komt nooit meer terug. En face it: het zal er niet fraaier op worden de komende jaren, dus wees je maar beter tevreden met het heden. Tranen pleng ik er zodoende niet om. Ik kijk hooguit wat minder in de spiegel. Of toch wat minder gefocust.
Zij die me dagelijks ervaren, merken dat allemaal niet. Daar ga ik althans van uit. Maar zij die me na een afwezigheid van, pakweg, tien jaar terugzien, zie ik deerlijk de wenkbrauwen fronsen. En je hóórt ze welhaast denken: ‘Was hij vroeger niet slank?’ ‘Hij had toch inktzwart haar?’ ‘Heeft hij nu een halve kilo hazelnoten in zijn mond of zijn dat echt beginnende hamsterwangetjes?’ In de plaats daarvan zeggen ze, een vette knipoog meesturend: “Het leven heeft je goed gedaan, Menck.” De nadruk op ‘goed’.
Yeah, right.
Als ze vervolgens madam Menck ontwaren, klinkt het ineens: “Maar wat zie jij er fantastisch uit!”
Yeah, right bis. Alsof de jaren op mijn madam geen vat hebben, zeker. Gek toch dat de complimenten jegens een man een pak zeldzamer zijn dan die naar een vrouw toe. Het zal tot de etiquette behoren, vermoed ik.
Met degene die ‘Het leven begint bij veertig’ op de mensheid heeft losgelaten, zou ik toch graag eens een hartig woordje wisselen. Dat zulks alleszins niet het uiterlijk betreft, bijvoorbeeld. Of althans toch niet al te lang. Want ik ben ondertussen al zeven jaar veertig, en merk dat de houdbaarheidsdatum van die fameuze stelling nu toch enigszins overschreden is. En o ja: dat geldt evenzeer voor de lichamelijke gesteldheid. Op veertig limbodanste ik nog met twee vingers in de neus onder een vijftig centimeter hoog geplaatste lat, daarbij uitzinnig bewonderend gefluit en minutenlang applaus in ontvangst nemend. Heden kan ik er, als het even meezit, nog net overspringen zonder mijn knie te verrekken.

Toeme toch, waar is dat alles zo ineens gebleven, zeg?

[ Foto’s: Menck/Twaait | gescande analoge opnames ]

Toen de rook om mijn hoofd was verdwenen

Het was in velerlei opzichten een bijzonder jaar. Mijn eerste tuinopdrachten liepen binnen, ik zette de eerste schuchtere stappen in de wereld van de digitale fotografie middels een naar huidige maatstaven waardeloze tweepixelcamera, de zomer was uitzonderlijk lang en broeiend heet en tuinieren was wat mij betreft een pak minder gezond dan heden het geval is. Dat laatste was overigens uitsluitend te wijten aan de afgeleefde Massey Ferguson die me vergezelde op mijn hakselrondes; hij rookte beduidend meer dan zijn baas. Thans is hij al een poos wijlen. De tractor, bedoel ik.
Drie jaar later zou ik het bloggen ontdekken. En de wereld meedelen dat een korte broek dragen tijdens werkzaamheden in mijn geval voortaan uitgesloten was wegens een allergie voor tal van insectenbeten. In dat opzicht is de onderstaande prent best wel een unicum, ook al omdat ik toen nog behoorlijk zwart (en kort) haar had.
De foto ontdekte ik vandaag op een verloren gewaande USB-stick. Hij werd genomen in de nazomer van 2003. De ruisonderdrukking moest duidelijk nog worden geämendeerd.