Categorie: Maatschappij

Het bestaan verslaan

.
Mensen die me kennen, zullen me omschrijven als een persoon die de lusten van het bestaan puurt uit de meest uiteenlopende facetten ervan. Ik heb, echt waar, zelden een slecht humeur, voel me nagenoeg nooit bedrukt of teneergeslagen, stap vrijwel altijd met het juiste been uit bed en koester van ’s morgens tot ’s avonds de goede luim.
Het leven is wat mij betreft als een neus: je moet eruit halen wat erin zit.

Ik maak u geen blaasjes wijs als ik u vertel dat ik binnen de eerste minuut na het wakker worden al loop te zingen. Katrien is op dat vlak diametraal; zij brengt het eerste uur van de morgen zombiegewijs door en raakt geïrriteerd door mijn zonnige hum, waardoor ze na het ontwaken mijn pad zo weinig mogelijk kruist. Mijn aria’s stuiten bij het krieken van de dag zodoende op dovemansoren, doch hierdoor laat ik me niet van de wijs brengen; ik pak de dichtstbijzijnde van onze drie katten op en dans ermee in mijn armen door de keuken wijl ik ‘Mad about you’ neurie.

Edoch, het kan verkeren, zei Bredero ooit.
En alzo geschiedde ook.
De laatste weken heeft er zich gaandeweg, bijna sluipenderwijs, een latente berusting over mijn bestaan gedrapeerd. Mogelijks merkte u dat al aan de stilte op deze stek.

Als ik wakker word, wil ik blijven liggen. Er schiet me geen enkele blijgeestige deun meer te binnen. Mijn lippen voelen droog aan, mijn keel schor. Al fluitend het ochtendgloren begroeten is er niet meer bij.
Ik doe de dingen die ik doe nog steeds als voorheen, maar mijn handelingen en mijn hersenen zijn twee aparte entiteiten geworden. Ooit werden ze gelieerd middels een niet te stuiten joie de vivre.
Ik stap in mijn bestelwagen met een zucht, begroet mijn klanten beleefd doch zonder geestdrift en rijd ’s avonds huiswaarts met slechts één wens: me neervlijen op de bank, de ogen sluiten en de wereld uitwissen.

Om kort te gaan: ik steven af op een depressie.
Moi, de zotheid zelve.
Ik kan het nauwelijks bevatten en toch is het zo.
Ondertussen kan ik er zelfs al de vinger op leggen. Mijn job zit er voor niks tussen. Integendeel; het is mijn baan die me nog enigszins op de been houdt.

Het is dat welbepaalde virus, beste lezer. Dat ellendige virus dat ons al sinds maart onafgebroken koeioneert.
Het is eveneens de lockdown, de tweede reeds. Verdrukken dat ik mijn geliefden mis, lukt niet langer. Het duurt me ook allemaal te lang. Als ik geen welomschreven eind in zicht krijg, steigeren mijn harses. Dat besef ik nu. Ik heb het al tijden terzijde geschoven.
Maar bovenal is er de angst. De angst om geïnfecteerd te raken en te belanden op de afdeling intensieve zorgen. Want dan mag ik het wel vergeten. Zulks heeft mijn behandelende arts me onomwonden in het gezicht geslingerd.
Ik sta op de wachtlijst voor een voor mij levensbelangrijke operatie. Die is thans, omwille van de overbezetting van covidpatiënten, naar een latere, nog te bepalen datum verschoven. Om welke ingreep het gaat, laat ik in het midden. Ze is niet de essentie van dit schrijven. Maar zolang ze niet wordt uitgevoerd, behoor ik tot “de risicogroep”. En zulks drukt me op het feit waarom ik heden niet meer de mens ben die ik kortelings nog was.

Ik draag een mondmasker waar nodig, was mijn handen tot bloedens toe en blijf zoveel als ook maar mogelijk in mijn kot.
Edoch, ik slaap niet meer de slaap der zorgelozen, ik functioneer op automatische piloot en het vreugdevuur mijner bestaan pruttelt slechts in plaats van op te flakkeren.

U kunt er niks aan doen, ik al evenmin. Het leven beukt even als een ram op me in. Ook dat gaat voorbij. Hoop ik.
Is er trouwens nog hoop?
Ja hoor.
Want hoop is het beste antidepressivum.

Toeme toch.

Zo kan het ook

Zij die al wat langer mijn blog volgen, zullen zich mogelijks dit schrijfsel nog herinneren. Ik trek daarin verbolgen van leer tegen de sloop van geschiedkundig waardevolle en niet zelden dorpszichtbepalende gebouwen die, vaak ondanks massaal protest, plaats moeten ruimen voor steriele nieuwbouw.
Hoogheidswaanzin, scanderen de lokale inwoners.
Kostenbesparend, luidt veelal de bestuurlijke redenering achter zulk een beslissing. En dat terwijl in het verleden al meermaals ten gronde is bewezen dat de restauratie annex integratie van een oud pand in een nieuwbouw perfect realiseerbaar is zonder – of zonder onoverkomelijke – meerkosten.

In de kleine gemeente waar madam Menck en ik resideren, ontstond een paar jaar geleden nogal wat ophef omwille van de mogelijke sloop van een historische dokterswoning. Immers, de dokter had een ruime poos voordien het loodje gelegd en diens charmante pand stond sindsdien leeg.
“Te verkommeren”, luide het officieel.
“Allesbehalve”, weerlegde de steeds groter wordende schare voorstanders-van-behoud deze voorbarige conclusie.


[ Foto’s: Google Streetview ]

Dat de dokterswoning en diens uitgestrekte tuin zouden moeten wijken voor een hypermodern rust- en verzorgingstehuis, was al lang geen geheim meer. Het gemeentebestuur smeerde in het lang en het breed uit welk een prestigieus project het voor ogen had. De oubollige ambtswoning kon niet anders dan worden geëlimineerd, hoe romantisch en historisch ze ook mocht wezen.

Het protest hiertegen groeide echter dag na dag. “Wij willen een integratie van het oude pand!”
En ziedaar, beste lezer, het welhaast ondenkbare geschiedde, want de democratie werd in onze goegemeente zowaar op zijn schoonst gedefinieerd: er volgde een heuse volksstemming.
U mag drie keer raden welk kamp in dezen aan het langste eind trok. Onderstaande beelden spreken dan ook voor zich.


[ VoorFoto: Google Streetview ]


[ Na ]


[ VoorFoto: Google Streetview ]


[ Na ]

De binnentuin, inclusief ondergrondse parking:


[ Foto’s: Menck ]

Op de kindjes

Die avond bevond ik me in een bar aan de toog. Op zich niet zo’n ophefmakend feit, temeer daar dit me wel vaker overkomt, bijvoorbeeld als ik me dorstig voel.
Zelden gebeurt het echter dat Koen, een behoorlijk teruggetrokken kennis van me, zich daar ook laat toe overhalen. Die mens wordt het liefst zo weinig mogelijk gestoord in zijn relatieve kluizenaarsbestaan. Hij is een verlegen doch bijwijlen hoogst vermakelijke compagnon. Dat is: als hij dronken is, om maar eens iets te noemen. Dan slaat hij aan het filosoferen van heb ik je daar. Dergelijke momenten vind ik bijzonder amusant. Vandaar dat ik hem, onder lichte dwang, wist mee te tronen naar de veeleer dunbevolkte gelegenheid waar we ons bevonden.

Nadat Koen zijn vijfde Bacardi-cola had laten aanrukken – en daarvan ogenblikkelijk een derde in zijn keelgat liet verdwijnen – draaide hij zich, met beide handen de toogrand omklemmend, in mijn richting. Met een al enigszins bloeddoorlopen linkeroog keek hij me aan en verkondigde toen, geheel naast het gespreksonderwerp dat we zonet hadden aangesneden: “Collectieve zelfmoord is dé oplossing voor de milieuproblemen.”
Na deze plotse ontboezeming bracht hij de kruk waarop hij zat vervaarlijk aan het wiebelen toen hij zijn beschonken zichzelve weer toogwaarts dirigeerde. Hij nam opnieuw een stevige teug en liet vervolgens zijn glas te hard neerkomen. Even verviel hij in een stilzwijgen waarna hij, middels een snelle zijwaartse blik, naar mijn reactie op zijn openbaring peilde.
Rond mijn lippen had zich een monkellachje voltrokken. Dat zinde hem duidelijk niet.
“Wat?”
Ik zei niks, maar mijn glimlach verbreedde zich. In mijn binnenzak zocht ik naar kauwgum.
“Wat?” vroeg hij ten tweede male en met iets meer nadruk.
“Ik denk na over wat je zonet zei. En ook over waaróm je het zei.”
“Vind je het stom wat ik zeg?”
“Dat beweer ik niet. Het hangt ervan af wat je er precies mee bedoelt.”
“Nou, gewoon, zoals ik het zei. Het milieu neem ik nauw ter harte, moet je weten.”
“Weet ik.”
“Jullie hebben geen kinderen, hè?” Zijn vraag kwam opnieuw als een donderslag bij heldere hemel.
“Euh, nee. Maar wat heeft dat ermee te maken, Koen?” Fronsend monsterde ik hem.
“Wat dat ermee te maken heeft?” kaatste hij mijn vraag net iets te luid terug. Hij was onderhand aardig dronken aan het worden.
“Ja, dat was mijn vraag.” Ik grijnsde onverholen.
“Wie kinderen heeft… Sorry, ik begin opnieuw.” Hij nam nog een slok van zijn Bacardi-cola. “Wie veel kinderen heeft, maakt zich schuldig aan een milieumisdrijf dat vergelijkbaar is met het rijden in een terreinwagen. Voilà. Sta je van te kijken, hè?”
“Zeg dat wel. Wat bedoel je trouwens met veel?”
“Nou gewoon, dat we minder kinderen moeten maken. Dat staat in een rapport van een Britse, eh, dinges, onderzoeksgroep. Zoek het maar eens op op het internet. Het hebben van een groot gezin wordt gezien als een van de belangrijkste redenen van de opwarming van de aarde.” Hij bracht een luide boer ten gehore. Iemand achterin de bar maakte daarover een opmerking. Daarna steeg er luid gelach op. Koen hoorde het niet.
“Je wil zeggen dat de wereld overbevolkt is. Toch? Daar kan ik inkomen.”
“Nee gedomme, dat wil ik niet zeggen.” Hij hief zijn glas hoog naar de uitbaatster. “Jij ook nog een drankje?” richtte hij zich tot mij.
“Een tomatensap on the rocks.”
“En een tomatensap met ijs!” De vrouw glimlachte en knikte.
“Bon. Waar waren we?” Ik duwde mijn kauwgum in een vergeten asbak waarop in groene kapitalen ‘TABASCO’ stond gedrukt.
“Wie al twee kinderen heeft, moet er geen drie willen. Dat is misdadig. Enfin, dat is niet verantwoord. Bereken daarvan maar eens de impact op het milieu. We moeten dringend maar eens minder neuken met de bedoeling nageslacht te verwekken.” Het vodje rond zijn tong werd almaar dikker.
“Wist je dat een alleenstaande…” Ik keek hem thans indringend aan. “… een veel grotere ecologische voetafdruk heeft dan een gezin met, pakweg, drie kinderen?” (*)
“Een grotere wát?”
“Ecologische voetafdruk. De mate van milieuvervuiling per persoon.”
“Een gezin met drie…?”
“…kinderen.” vulde ik hem aan.
“Heb jij kinderen?” Zijn blik priemde zich in de mijne.
“Nee, Koen. Nee, ik heb geen kinderen.” Ik zuchtte en keek op mijn uurwerk.
“Drinken we er nog eentje?”
“Je hebt nét een glas besteld.” Ik wees naar het drankje dat vlak voor hem op de toog stond.
“Ah! Schol, Menck. Op het milieu.”
Ik nam mijn tomatensapje en tikte dat even tegen zijn glas. “Op de kindjes, Koen.”
“Jàààh, op de kindjes. Hoe is het ermee, trouwens?”

 


(*) De studies/bronnen dienaangaande lopen danig uiteen en spreken elkaar niet zelden tegen.

Sleeper In Metropolis

As a sleeper in metropolis
You are insignificance
Dreams become entangled in the system

Environment moves over the sleeper
Conditioned air
Conditions sedated breathing
The sensation of viscose sheets on naked flesh
Soft and warm
But lonesome in the blackened ocean of night

Confined in the helpless safety of desires and dreams
We fight our insignificance
The harder we fight
The higher the wall

Outside, the cancerous city spreads
Like an illness
Its symptoms
In cars that cruise to inevitable destinations
Tailed by the silent spotlights
Of society-created paranoia

No alternative could grow
Where love cannot take root
No shadows will replace
The warmth of your contact

Love is dead in metropolis
All contact through glove or partition
What a waste
The city
A wasting disease

[ Foto’s: Menck ]

Thuis heb ik nog een ansichtkaart

En ineens kom ik tot het besef dat het ouderlijk dorp, waar ik al vijfentwintig jaar weg ben, geen ziel meer heeft. De in een bonte mix tegen elkaar aanleunende huizen van weleer worden in sneltempo vervangen door homogene nieuwbouwappartementen met balkonnetjes van twee vierkante meter. Het zijn kille blokken, opgetrokken uit nieuwerwetse steensoorten, staal en snelbeton. De voormalige tuintjes zijn thans geplaveid met asfalt en bezaaid met grauwe garageboxen. Als bange haasjes staan nog een stuk of wat originele huizen overeind waarin oudjes resideren die halsstarrig weigeren om hun heem te cederen aan begerige vastgoedfirma’s.

Jeugdsentiment maakt zich van me meester. Tot eind jaren tachtig van de vorige eeuw was ik hier nog intens gelukkig. Er waren tientallen clubs en buurthuizen, jongerencafés en bruine kroegen en zelfs twee heuse fuifzalen. Het dorp lééfde en de inwoners klitten aan elkaar. Wie er arriveerde, wist meteen: veni vidi velcro.
Anno 2016 tel ik nog amper twee would-be chique bistro’s en een staminee-met-voetpadterras op de gelijkvloerse verdieping van een modernistische residentie met een vergezochte complexe bouwstijl. De speeltuin uit mijn kinderjaren, sinds mensenheugenis gesitueerd achter het oude rijksschooltje, moest onlangs wijken voor een parking voor tweehonderd wagens. Het schoolgebouwtje doet nog slechts dienst als jaarlijkse uitvalsbasis voor de plaatselijke jeugdbeweging. Naar aanleiding van de dorpskermis turnen ze het dan gedurende drie dagen om tot een pop-up bar. De sloop is, zo weet ik nu al, nakend.

In de dorpskern hangt een walm van uitlaatgassen. Ook hier heeft de heilige koe het straatbeeld genadeloos geruïneerd. Er wordt getoeterd en gefoeterd, er vormt zich een kleine file als een bestuurder met angst in de ogen zijn blikken doos tussen een lange rij opeengepakte voertuigen tracht te parkeren en dan moeten er ook nog eens twee harmonicabussen laveren tussen deze chaos. De ooit zo onbevlekte ziel van dit eens zo lieflijke boerengat is nog slechts aanwezig in die weemoedige kop van me.

Om mijn trip down memory lane af te ronden, besluit ik wat foto’s te nemen van het charmante oud-gemeentehuis. Ook dat staat, als ware het mijn eerste huwelijk dat zich aldaar voltrok, al een tijd leeg te wachten op herbestemming. Althans, die tijding vernam ik enkele maanden geleden nog via de Streekkrant.
Bezijden dit geabandonneerde pand uit de fifties werd een poos geleden, in een bestuurlijke vlaag van hoogmoedswaan, een gloednieuwe en geheel contemporaine mastodont neergepoot tot meerdere eer en glorie van de burgervader en zijn slippendragers. Een snel evoluerende gemeente waardig, heet zoiets.
Ik heb brute pech als ik ter plaatse arriveer: zowat tachtig procent van het gewezen gemeentehuis is al opgeslokt door kranen en bulldozers. Adieu herbestemming. Slechts een deel van de voorgevel en de trappenhal met glas-in-loodramen staat nog overeind. Een misselijkmakende aanblik. Wég sierlijke marmeren draaitrap waarlangs de statige raadszaal kon worden betreden. Eind jaren vijftig werd hij, nog geheel handmatig, vervaardigd en geplaatst door de nu vijfennegentig jaar oude Edward Deschacht.

“Ik maakte de trap helemaal alleen”, mijmert mijn gewezen dorpsgenoot. “Als ik bezig was, mocht niemand dat zien. Een trap tot stand brengen, was een echte specialiteit. Kennis delen was geenszins de mode in die jaren. De trap in het gemeentehuis was toentertijd een uitzonderlijke constructie.”
Of hij iets begrijpt van de beslissing om het uitgerangeerde gemeentehuis te slopen in de plaats van het een herbestemming te geven?
“Ze konden toch op zijn minst het portaal laten staan?” vraagt hij zich af. “Maar anderzijds is het natuurlijk geen museum; waarom zoúden ze?”


[ Foto: Menck | Twaait ]


[ Foto: Menck | Twaait ]

Aangezien ik geen foto’s bezit van de ongehavende buiten- noch binnenkant van het vroegere gemeentehuis, contacteerde ik fotograaf Kurt Gielen van het fantastische Lost & Abandoned Places. Of hij me een paar beelden van zijn hand wilde bezorgen? En zo geschiedde:




U merkt het, beste lezer: ik uit hierbij mijn absolute voorliefde voor het renoveren en herbestemmen van oude gebouwen. Deels uit nostalgie, deels omwille van de cultuurhistorische relevantie. Het is zo bijzonder om door die oude panden te flaneren. Je proeft het verleden en voelt de ziel van het bouwwerk. Bij herbestemming is het wat mij betreft de kunst, de uitdaging, om die oude ziel te bewaren en tegelijkertijd een eigentijdse uitstraling aan een gebouw te geven. Het mooiste vind ik de combinatie; dat het oude en het moderne samensmelten tot een magnifiek nieuw geheel.
De zorg voor het lokaal erfgoed is bovendien niet alleen een opdracht van grote steden met een roemrijk verleden. Ook eerder landelijke gemeenten met een bescheidener historisch patrimonium, zoals mijn ouderlijk dorp, hebben de plicht om de erfenis van het verleden te bewaren, te koesteren, te waarderen en door te geven aan de komende generaties.

Dat gebeurt vandaag helaas almaar minder. Ten faveure van de vooruitgang, luidt het dan.
Als u me nu wilt excuseren: ik ga eventjes kotsen.