Categorie: Leesvoer

Door het bos de bomen niet meer zien

.
“Wat zou je doen moest je de grote jackpot van EuroMillions winnen?”

Er was ooit een tijd dat vrienden en familie nog bijeen mochten komen en dat die vraag, doorgaans na de nodige hoeveelheden geestrijk vocht, plots op tafel werd gegooid. Meestal ontwaarde je dan prompt fonkelende ogen, hoorde je verbaasde uitroepen à la “Goh, ikke?” en kraakte menige hersenpan onder zoveel inderhaast opborrelende fantasie.
Vrijwel altijd zette de een of andere zatte nonkel in met “Ik zou me eens goed uitleven in de hoerenbuurt!” waarna zijn echtgenote een bleekgroen glimlachje om haar lippen forceerde en wat rozig aanliep terwijl ze haar eega ondertussen zo stiekem mogelijk een elleboogstoot uitdeelde. De tafelgenoten lachten de lach der beleefdheid annex medeleven, waarop Nonkel Zwans ostentatief een gulle teug van zijn zoveelste trappist nam en de minderjarigen vriendelijk doch dringend werden geordonneerd om in de veranda te gaan spelen.
“Ik zou al het prijzengeld verdelen onder de armen”, opperde daarop een bijdehante neef die ternauwernood de pampers was ontgroeid. Waarop verbaasde blikken van het gezelschap volgden. Neef begon vroegtijdig te proesten, sprak vervolgens luidkeels “De ene helft onder de rechterarm en de andere helft onder de linkse!” en barstte tenslotte in een gehuichelde bulderlach uit, de rest van de tafel meesleurend in zoveel onstuimig enthousiasme.
De toon was gezet.
Tante Marie wilde een Porsche, haar man Edelbert een Ferrari. “En de rest van de pot is voor de benzine, de taksen en de carwash!” Wederom vulde de woonkamer zich met exorbitante lachklanken.
Chloé, de aangetrouwde Griekse vlam van tante Kristien en van oorsprong een bedeesde freule, verhief tot ieders verwondering haar stem onder invloed van drie rum-cola’s en twee gin-tonics en richtte zich zelfs rechtstaand tot de kring. “Ik zou voor Kristien en ik een eilandje kopen in de Stille Zuidzee en aldaar met haar excessief genieten van al het moois dat dit paradijselijk leven te bieden heeft.” Na haar korte doch vurige pleidooi ontsnapte haar een boer voor dewelke ze zich allerminst excuseerde.
“Power to the lesbo’s!”, bralde de zatte nonkel, waarna hij weer, dit keer geheel onverholen, een elleboogstoot in ontvangst mocht nemen van zijn ondertussen rood aangelopen wederhelft.

Weet u wat ík zou doen moest ik ineens multimiljonair worden?
Ik zou me zes à zeven hectare grond kopen, er vervolgens twintigduizend bomen op planten en me dan de meest comfortabele hangmat ooit aanschaffen. De ene dag zou ik ze tussen een rode beuk en een winterlinde hangen, de dag daarop tussen een bloeiende catalpa en een hemelhoge populier. Dag in dag uit vogelgezang boven mijn hoofd alsook wild buitelende eekhoorns die een kolonie bonte spechten uiteendrijft, hiermee een parlement bosuilen uit hun slaap houdend.
Uiteraard zou Katrien me, bij voorkeur ten zeerste seduisant en gewillig, tal van drankjes, tapas en de meest exquise sushi serveren in de beslotenheid van ons privéwoud. Geen inkijk, geen doorkomen aan, dat spreekt voor zich. Mochten mijn bomen kunnen spreken, ze zouden u vertellen over de schare aan ondeugendheden waaraan we ons zouden overgeven. En vanuit mijn exclusieve jungle zou ik bloggen en vloggen over onze uitspattingen waardoor mijn lezersaantal pijlsnel ongekende hoogtes zou scoren en ik menig volger stikjaloers zou achterlaten.
Later zou ik, dwars doorheen mijn bos, een straat laten plaveien, waardoor ik ineens twee bossen zou hebben. Op die manier zou ik druppelsgewijs gasten toelaten die zouden kunnen kiezen tussen Bos 1 of Bos 2, respectievelijk het excessieve dan wel het feeërieke foreest. In het laatste zou de onderschatte Brugse dichteres Delphine Lecompte haar buitenissige poëzie debiteren wijl Katrien en ik in Bos 1 genot zouden offreren met een grote G.

Lijkt u dat wel wat?
Droom dan vooral verder.
Onze boomrijke habitat zou een overmatig grote horde wilde everzwijnen lokken, alsook wolven en mogelijks zelfs de Europese lynx. En wat met die schattige grootogige reeën die aangereden zouden worden op de druk gefrequenteerde straat te midden van onze beide bossen?
Er zouden jagers op ons natuurgebied afkomen, evenals stropers en gewiekste vogelvangers.
De bezoekers zouden massa’s afval achterlaten: blikjes, peuken, papier, volle pampers en overmatig gebezigde mondmaskers.
Avontuurlijke 4×4-adepten zouden gewetenloos de afgebakende weg verlaten en zich dwars doorheen de dichte bosschage talloze crosswegen banen met hun dieseluitbrakende terreinwagens. Ze zouden kampvuren organiseren tijdens gortdroge zomerdagen, daarmede brand veroorzaken en zich vervolgens als dieven in de nacht uit de voeten maken.
Katrien en ik zouden uiteindelijk machteloos moeten toezien hoe ons gestaag opgebouwde paradijs der woudreuzen met zijn rijke fauna in nietsontziende vlammen opgaat, gewis beseffende dat we ons niet eens hebben verzekerd voor dit omvangrijke eigendom.

Moest ik de grote jackpot van EuroMillions winnen?
Dan zou ik zonder de minste twijfel vooral in onbedaarlijk lachen uitbarsten.
Want ik speel geeneens mee.

En u?

Altijd Ergens

Dat ik geregeld eens een camera hanteer, maakt van mij nog geen fotograaf. De Van Dale online denkt daar nochtans anders over; een fotograaf wordt er omschreven als ‘iemand die foto’s maakt’.
Een beetje kort door de bocht. Fotografen schrijven met licht in plaats van simpelweg iets vast te leggen. Een goede foto is je reinste verwennerij voor het oog. Je mag er niet naar kijken, je moet er van opkijken. Een goede foto is een beeld waar je je langer dan vijf seconden op focust. Omdat het emoties losweekt. Omdat het dynamisch en expressief is en er uitspringt. En dus niet zozeer omdat het beeld perfect scherp is of foutloos belicht. Al is dat altijd mooi meegenomen, natuurlijk.

Michiel Hendryckx is, zonder de minste twijfel, een fotograaf. Dat bewijst zijn nieuwste boek, ‘Altijd Ergens’, eens te meer. Het bewijst tevens dat hij ook een begenadigd schrijver is. In zijn begeleidende teksten geeft de auteur niet alleen een schat aan informatie mee, maar durft hij ook als geen ander jaloersmakend romantisch te zijn.
Vorige week heb ik me het lijvige werk aangeschaft. Wie geregeld de weekendbijlage van De Standaard ter hand nam, wist dat het er zat aan te komen. Door tal van voorpublicaties werd mijn interesse danig gewekt. Voor het DS Weekblad reisde Hendryckx namelijk gedurende twee jaar wekelijks naar een andere plek voor een beeld en een verhaal – de wereld rond van Wakayama over Gent en Dover naar Seattle en terug.

Is het, kortom, een goed boek?
Het is een fantastisch boek!
Wie sterke foto’s wel naar waarde weet te schatten, zal het werk zonder enige twijfel in de armen sluiten. Dat geldt overigens evenzeer voor wie graag leest; Hendrickx’ teksten zijn uiterst genietbaar.

‘Altijd Ergens’ is vóór alles een statement in nederigheid. Als we iets gemeen hebben, dan is het dat we allemaal wel altijd ergens zijn. In huis, op het werk, in een wachtkamer of een gevangenis. Of gewoon op reis. Reizen is op zich niets bijzonders. Het is hoogstens een iets nieuwsgieriger manier van ergens thuis zijn.
Dit boek draagt de stille wens in zich de lezer uit te dagen om me achterna te reizen, al dan niet letterlijk. Daar is niks oneervols aan. Altijd is wel iemand ons voor geweest, nergens nog komen we voor het eerst. Alle reizigers zijn volgers.

Michiel Hendryckx, ‘Altijd ergens’, drukkerij Die Keure, uitgeverij Hannibal – ISBN 978 94 9208 1032 | 236 pagina’s | € 35

[ Foto’s 1,3,4,5: Menck | Twaait – Foto 2: Michiel Hendryckx, uit ‘Altijd Ergens’ ]

Vers van de pers: Het Zilte Westen

Kijk eens aan: ik doneer u middels deze blogpost zomaar een bijzonder fijne boekentip, bestemd voor provinciegenoten én voor iedereen die de West-Vlamingen, hun orenschijnlijk buitenaardse taaltje en de innige binding met hun roots beter wil leren kennen. Want vorige maand stelden de Provincie West-Vlaanderen en de uitgeverij Hannibal het boek ‘Het Zilte Westen – op zoek naar het DNA van West-Vlaanderen’ voor.

‘Het Zilte Westen’ vormt de ultieme ode aan de West-Vlaamse identiteit voor alle (uitgeweken) West-Vlamingen met tekeningen, cartoons, gedichten en talrijke liedjes die de ziel van West-Vlaanderen bezingen. De met dialect doorspekte en fraai vormgegeven publicatie omvat onder meer een historische schets, tekstbijdragen over het dialect (D), no-nonsense (N) en arbeid (A) in West-Vlaanderen, een culinaire rondreis, portretten van bekende en minder bekende gouwgenoten, de mooiste provincieplekjes en al dan niet literaire bijdragen en columns van tal van schrijvers die minstens één ‘gen’ gemeenschappelijk hebben: West-Vlaamse roots.

[ Met tal van bijdrages van (uitgeweken) West-Vlamingen ]

Getuigen met verve over hun afkomst:
Guinevere Claes, Jan Bucquoy, Elsje Helewaut, Anne Provoost, Marijke Pinoy, Karl Vannieuwkerke, Luc Devoldere, Johny Vansevenant, Kobe Desramaults, Etienne Vermeersch, David Van Reybrouck, Wim Delvoye, Wannes Cappelle, Sam Louwyck, Ann De Craemer, Jan Puype, Bert Bultinck, Annelien Coorevits, Hugo Camps, Dominique Persoone, Kurt Van Eeghem, Wim Chielens, Carl Devos en vele anderen.

Wim Opbrouck leverde een originele pop-uptekening die in de cover verwerkt werd en onder meer Jelle Vermeersch, Nyk Dekeyser, Thomas Sweertvaegher, Harry Gruyaert, Carl Dekeyzer, Herman Selleslags, Marc Lagrange, Michiel Hendryckx, Danny Willems en Stephan Vanfleteren maakten foto’s voor de publicatie.
Ook van de overleden Magnum-fotografen Henri-Cartier Bresson, David Seymour en Bruno Barbey werden beelden opgenomen, evenals uit archieven uit binnen- en buitenland.

Stijn Vanderhaeghe is de auteur van dit recommandabele werk.
Wie (zich) nog een verlaat nieuwjaarscadeau wil dan wel moet aanschaffen, check this out:

  • 30 x 24 cm
  • 304 bladzijden
  • Hardcover met speciale pop-upband
  • Quadrichromie
  • ISBN 978 94 9208 102 5
Prijs: € 39,50

Hastenburaphobia

Bruno, vijfenveertig lentes jong, heeft al tweeëntwintig jaar grasangst. Of hastenburaphobia, zoals zijn fobie in geleerde kringen wordt omschreven.
Als hij er destijds tegen iemand over begon, werd hij zelden ernstig genomen. Alleen zijn vrouw wist wat hij meemaakte bij het zien van een grasberm, een gazon of een voetbalveld: angst, diepgewortelde en gekmakende angst. Ook zij – en zij alleen – kent de ware toedracht: als prille twintiger werd Bruno anaal verkracht door een jonge bronstige stier toen hij te midden van een weide zat te kakken. Sindsdien associeert hij gras met bedreiging. En vindt hij stieren je reinste pain in the ass.
Hun gazon, toch goed voor een stevige lap van om en bij de achthonderd vierkante meter, heeft Bruno zeventien jaar geleden laten asfalteren. Zijn vrouw morde maar liet begaan. Sindsdien rolt ze een stukje kunstgras uit om op te zonnen en tegelijk het tuingevoel te behouden. Haar ambulante privétuintje, noemt ze het wel eens smalend.
Als zelfstandig verzekeringsagent leidt Bruno een tamelijk grasloos bestaan. Doch als een nieuwe klant hem bij het afsluiten van een polis interpelleerde met de vraag of er geen addertjes onder het gras zitten, brak het angstzweet hem in dikke stromen uit en was er leeuwenmoed voor nodig om het gesprek verder te zetten.

De gehanteerde verleden tijd in het bovenstaande betoog is niet geheel onopzettelijk. Want twee jaar geleden is Bruno, op langdurig aandringen van zijn vrouw, in therapie gegaan. De hastenburaphobiaspecialist, de wereldvermaarde Zwitserse doch in België opererende dokter Edward Gracilis, bleek een aimabele man te zijn die Bruno meteen op zijn gemak stelde: “Ik help je resoluut van je fobie af, maar het zal wat tijd vergen.” Bruno voelde op slag een last van zijn schouders vallen.
Heden maakt Bruno forse vorderingen. Bij het aanschouwen van een perk of wei breekt het angstzweet hem niet langer uit; er loopt hooguit een koude rilling over zijn rug. Hij is echter nog steeds niet in staat om op gras te lopen, laat staan het aan te raken. Maar ook daar wordt aan gewerkt. Want Gracilis geeft hem regelmatig opdrachten mee.
Bruno executeert ze met daadwerkelijke toewijding, zoals ik afgelopen zondag nog met eigen ogen mocht aanschouwen in de buurt van het Brugse Bilkske, getuige de foto’s onderaan deze lap tekst. Zijn vrouw keek toe met onverholen trots in de ogen. Ze verklaarde me dat Bruno van heel ver is gekomen en dat ze ongelooflijk fier is op haar man. “Volgende maand gaat hij zelfs in therapie voor zijn taurofobie (*)”, glunderde ze. “En aanstaande dinsdag krijgt hij in het AZ Sint-Jan zowaar een nieuwe sluitspier ingeplant. Er is eindelijk een geschikte donor gevonden.” Ik zag tranen in haar ogen opwellen en las er onbewimpelde gelukzaligheid in. “Als het even meezit, kan ik volgend jaar ein-de-lijk eens met Bruno naar Graspop in Dessel”, deelde ze me afrondend mee. “Zowel hij als ik zijn het jaarlijkse bezoek aan Marktrock onderhand danig beu.”

(*) Angst voor stieren

[ Foto’s: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]

Op slapen na wakker

Dat ze verdomme wéér maar eens last heeft gehad van nachtmerries, zegt ze.
Dat zulks nu al de derde nacht op rij is, klaagt ze.
Dat ze daardoor overdag zo moe is, emmert ze.
Dat het mogelijks door de warmte komt, pruilt ze.

Door de warmte?
Eh, ik denk het niet, schat.

[ Foto: Menck/Twaait | aanklikbaar voor groter ]