Categorie: Klussen

Glijdende uren

In tijden waarin het zweet zich dag na dag als een welhaast klaterende waterval van mijn rug stort om vervolgens op de wijze van een wild kolkende rivier nietsontziend mijn bilnaad te eroderen en zich via mijn vermoeide onderdanen een weg te banen naar mijn zompige schoenen, heb ik niet al te veel goesting om ook nog ’s mijn brein te breken teneinde u een vracht vlotte volzinnen te kunnen voorschotelen.
Zomermodus
heet zoiets, als ik me niet vergis.

Een paar foto’s zullen dientengevolge volstaan. Het zijn dit keer stille getuigen van het feit dat met weinig gerief/kosten toch best wel veel kan worden gerealiseerd indien de nodige creativiteit wordt aangeboord.
Zo had ik vorige week, na de constructie van een houten vlonder, een zestal (stukken van) planken over alsook enkele palen van ongelijke lengte en diameter.
Wat doet een mens met zoiets? Stockeren? Een zoveelste plantenbakje construeren? Het gat in de begroting dichten?
Ik maakte er de bevallige uk van vrienden mee gelukkig. Jawel, dat lieflijke kind dat ik in het verleden ook al eens trakteerde op een eigenhandig geconstrueerde zandbak. Die is ze ondertussen enigszins ontgroeid. Of beu, dat kan ook. Met haar +drie lentes kijkt ze namelijk uit naar spannendere avonturen. Gewaagder. Onstuimiger. Een hoog opstijgende schommel, om maar eens iets te noemen. Of een vervaarlijk ogende glijbaan. Want ja, “ik ben wel geen baby’tje meer, hè!”

Een tweedehandse glijbaan wist ik via een zoekertjessite op de kop te tikken voor zegge en schrijve vijf (!) euro. Voorgeschreven montagehoogte: anderhalve meter.
Wat er vervolgens is voortgekomen uit een kleine vier uurtjes creatief zaag-, schroef- en meetplezier, treft u hieronder. Ik heb alvast de kleuter van vrienden én het kind in mezelf levendig gehouden, zeg maar.

[ Foto’s: Menck ]

Advertenties

Kauw in de schouw

O, wat aandoenlijk toch, zo’n dartel huppelend kauwtje op een met frêle bloemetjes bezaaid gazon. Deze foto tovert ongetwijfeld een zalige zomerdag voor uw geestesoog. Buiten het beeld bevinden er zich allicht enthousiast barbecueënde koppels wiens kinderen kraaiend van plezier water uit een plonsbadje scheppen teneinde elkaar eens goed nat te spatten, pretlichtjes in hun ogen en al.

Oké, ik liet me even gaan.
Maar wie wordt er niet week bij het aanschouwen van zo’n hulpeloos klein kauwtje dat zacht piepend ligt te wachten tot zijn broertjes dan wel zusjes geboren worden?

Week worden?
Ik niet.
Of beter: niet meer.
Want bovenstaand gezinnetje heeft zich namelijk knusjes genesteld op een plaats waar ik het liever niet had zien geschieden:

Yep, dat is óns dak, inderdaad. En onze schoorsteen. En in die schoorsteen woont thans een kauwengezin. Mama, papa en de kindjes.
Alle kleintjes hebben ondertussen de eierschaal afgeworpen en zijn alive and kicking. Voor wie hieraan mocht twijfelen: vanop het terras horen we van ’s morgens tot ’s avonds lieflijk gekweel uit een handvol gesmeerde keeltjes. Papa werkt zich de naad uit het lijf om de immer hongerige maagjes te vullen. Hij vliegt onafgebroken aan met lekkers, duikt gezwind onder de afdekplaat op de schoorsteen en stilt zonder morren de stevige trek van zijn kroost.
Mama kauw is daarentegen een ouderwetse trees. Een moeder bij de haard, zeg maar. Of beter: bij de gasketel waarmee de schouw in verbinding staat. Een schouw die, ik geef het u voor alle zekerheid maar even mee, potdicht zit. Potdicht zoals in onmogelijk om nog de verwarming op te zetten zonder risico op een fikse schouwbrand. Nogal een geluk dat het weer zich van zijn meest zomerse kant laat zien dezer dagen.

Grote zucht, dus.
Want wat moet ik nou?
De kleintjes laten zitten en wachten tot ze uitvliegen? Weet dan dat daar schier meteen een tweede legsel op volgt. Bovendien hebben madam Menck noch ik de tijd om ganser dagen trouw schoorsteenwaarts te staan turen tot we merken dat de kauwenkroost zijn vleugels wil uitslaan.

Ondertussen heb ik al eens gepolst bij een schoorsteenveger met de melding dat de gang van Zwarte Piet danig verstopt zit. Hij was meteen bereid om de klus te klaren.
“Ik zuig alles eruit van binnenuit, meneer. Fluitje van een cent. Geen al te proper werkje, maar het lukt me gegarandeerd.”
Dat was tot hij hoorde dat we kachel noch open haard hebben en de schouw dus niet vanuit de woonkamer bereikbaar is. Dichtgemetst en netjes gestuct. Oké, ze is mogelijks bereikbaar vanop zolder, maar dat wordt stevig kappen geblazen wegens het ontbreken van een toegangsluik of iets dergelijks. En nee, ik ben écht niet van plan om de gasketel maar eventjes gauw uit de schouw te sleuren, dank je wel.

“Het zal vanop het dak moeten gebeuren, veegmans”, gaf ik hem te kennen.
“Niet te doen”, weerlegde hij mijn voorstel. “Zo’n kraaiennest is niet zelden een meterhoge stapel van takken, bladeren, plastic, textiel, piepschuim en papier. Dat alles hebben die beesten tot één gigaprop geboetseerd. Bovendien is het zo dat naarmate de jongen groeien, en dus zwaarder worden, die prop steeds dieper in de schouw wegzakt.”

Grote zucht 2.

Terwijl ik dit schrijfsel typ, overstemt het enthousiaste gekwinkeleer van het jongbroed het geluid van de tv. Het lijkt wel alsof we te midden van de kauwen leven.
Degenen die zulks een machtig schoon terug-naar-de-natuur-gevoel vinden, wil ik met veel genoegdoening eens een volle kruiwagen nestmaterie doneren, stront incluis.

Om maar te zeggen dat ik mijn brein breek over een oplossing die zowel het jongbroed als ons interieur spaart. Eén schoorsteenveger vond ik ondertussen al wél bereid om vanop het dak te opereren. Neem dat opereren daarbij maar letterlijk, want zijn prijs is chirurgisch hoog.

Ik hou u van het verdere verloop zeker op de, eh, hoogte, beste lezer. En waag het intussen vooral niet om me middels het reactieluik van deze stek te treiteren met het alom gekende ‘In mei leggen alle vogels een ei’.
Dank u.

Brengen mij tot zingen: de kleine dingen

Het leven is een grote bundel van kleine dingen. Die universele vaststelling indachtig serveer ik u hierbij, zonder al te veel tekst doch voornamelijk middels voor zichzelf sprekende foto’s, een beknopte anthologie van mijn afgelopen dagen.
Weinig ophefmakends allemaal, doch wederom heel erg genoten, moi.

[ Het is een keer iets anders ]

Als hovenier is het fijn om zo nu en dan een opdrachtje voorgeschoteld te krijgen dat enigszins afwijkt van het gebruikelijke takenpakket. Compostbakken in elkaar zetten, om maar eens iets te noemen. En ze vervolgens voorzien van zelf uitgedokterde deksels. Want compostbakken zonder deksels zijn een klein beetje als maagzuur zonder Rennies: de vertering laat te wensen over.

Deze composietcompostbakken, waarvan alle onderdelen zijn samengesteld uit gerecycleerde kunststoffen, werden aangeschaft als een bouwpakket bij de lokale groendienst. Handleiding incluis, dat spreekt voor zich. Ecologisch, uitermate duurzaam en zeer betaalbaar: my kind of thing, kortom.

De deksels vervaardigde ik uit tweedehandse bangkiria (ofte bankirai) terrasplanken. Kostprijs: nul euro. (Oké, oké, een doosje schroeven, twee metalen handvatjes en vier roestvrije scharnieren niet meegerekend.)

Dat ik tijdens de werkzaamheden een wel erg geïnteresseerde toeschouwer naast me had, die zich bovendien uitgebreid liet fotograferen, vond ik extra vermakelijk.

Mocht er iemand in (de buurt van) Steenbrugge een tam dwergkonijn zijn kwijtgeraakt: mail me! Het is een schat van een beest, weet ik ondertussen.

[ De herfst is gearriveerd ]

Hoewel het gisteren niet meteen merkbaar was – lekker zonnetje en een fijne tweeëntwintig graden Celsius – heeft de herfst wel degelijk zijn intrede gedaan. Geheel onopgemerkt is diens komst toch niet gebleven:


[ Herfsttijloos | Colchicum autumnale ]


[ Liriope muscari ]

Na de afgelopen anderhalve maand te werden geteisterd door een niet aflatende droogte en een bijwijlen verzengende hitte die mijn lijf liet verworden tot een affreuze poel van zweet, muggenbeten en verbranding, stel ik de komst van het mooiste seizoen dan ook danig op prijs. Al mijn zintuigen genieten weer volop, want de herfst is synoniem aan bedwelmende geuren, feeërieke kleuren en een actief tuingebeuren. Eén langgerekt gevoel van extatisch proeven met ogen, oren, mond, handen en neus, kortom.

[ Buitenleven ]

Het kon – en kan nog steeds – perfect: buiten vertoeven. Het gestaag variërende uitspansel is tot nader order veruit het meest vertrouwde plafond van mijn habitat. Enfin, toch overdag.
En zulks is niet zelden je reinste geneugte.

Eveneens op het programma: kokerellen in open lucht nu dat nog tot de mogelijkheden behoort. Wat dacht u van een mosselfestijn in de kolengestookte wadjan, om maar eens iets te noemen.
Want voor mosselen mag u me op gelijk welk tijdstip wakker maken. En dat weten ze verdomd goed, die op culinair vertier beluste aangetrouwde familieleden van me.


[ Wadjan overvloedig insmeren met kokosolie ]


[ Groenten en kruiden toevoegen ]

[ De ingrediënten een wijl husselen ]


[ De vuurkracht wat intensifiëren middels stevig blazen op de kolen ]


[ Checken op gaarheid ]


[ En opdienen maar! ]

En u?

[ Foto’s: Menck W. ]

Pasen op tafel

Madam Menck gaat regelmatig eens checken wat er in mijn aanhangwagen ligt. Wat voor mij allemaal groenafval is, is voor haar vaak bruikbaar decoratiemateriaal.
Vorige week viste ze een stuk of wat sierlijke takken van een krulhazelaar op. Eerder had ze al een rist berkenstammetjes uit de laadruimte van mijn bestelwagen geplukt. Een klant had me een lot gedoneerd (lees: hij wilde er vanaf) met de woorden “Prima haardhout, hoor.” Dat valt overigens te betwijfelen; berkenhout is erg zacht. En een haard heb ik niet, doch zulks is een detail, vaneigens.
Berkenstammetjes en krulhazelaartakken: in mijn hoofd is dat een onmogelijke combinatie, maar de helft van mijn bed dacht daar enigszins anders over.
Terecht, zo bleek alras.
Volgt u even mee?

  1. Zoek of zaag een dunne plank – triplex, om maar iets te noemen – met als afmetingen 75 bij 20 centimeter. De afmetingen mogen uiteraard afwijken, zolang de plank maar een slanke rechthoek is;
    .
  2. Voorzie onderaan de plank wat meubelbeschermende zelfklevende viltstickers;
    .
  3. Diep uit uw hobbykamer een lijmpistool of een tube houtlijm op. Als u niet beschikt over een dergelijke kamer is de plaatselijke doe-het-zelfzaak ook prima;

  1. Tik een partij dikke berkentakken (of heel dunne berkenstammetjes, dat kan ook) op de kop. Andere takken of stammetjes voldoen natuurlijk eveneens, zolang ze maar slank en recht zijn. Berkentakken zijn echter erg decoratief, vandaar;

  1. Zaag de takken/stammetjes middels een decoupeerzaag dan wel een handzaagje op lengtes variërend tussen de zeven en vijftien centimeter. Of doe zoals mijn madam: laat ze zagen. *ahum*
    Opteer niet enkel voor verschillende lengtes maar ook voor diverse diameters.
    Lijm deze alzo bekomen houtjes verticaal op de plank zonder tussenruimte te laten. Bewaar hierbij wél drie op gelijke afstand van elkaar liggende centrale uitsparingen waar later vaasjes in komen te staan.
    Mind you: er gaan best veel van dergelijke houtstompjes in zo’n tafelstuk. In ons geval zelfs een honderdvijftigtal;

  1. Vul de vaasjes met bloeiers van het seizoen. Madam Menck koos – Pasen is in aantocht, jawel – voor (dwerg)narcissen. Hyacinten, blauwe druifjes en zelfs snijtulpjes zijn geschikte alternatieven;

  1. Drapeer de takken van de krulhazelaar (krulwilg kan ook) zwierig over het stuk en pimp het geheel naar eigen goeddunken. Mijn madam opteerde daartoe, de tijd van het jaar indachtig, voor eierschalen, doch later op het jaar kunt u bijvoorbeeld mos, gedroogde bloemen, herfstbladeren, noten of kleine dennenappels aanwenden;

  1. Verlustig u in een tafelstuk waarvan u, mits regelmatige vervanging van de plantjes, vele jaren genot zult hebben. Bovendien kan een dergelijke creatie zowel binnen- als buitenshuis worden aangewend.

[ Foto’s: Menck | Twaait ]

La faute couture

“En? Wat had ze aan?” vroeg madam Menck me op haar vertrouwde curieuzeneuzemosterdpottoontje.
“Kleren”, antwoordde ik.
“Kom nou, je weet best wat ik bedoel.”
“En jij weet al even goed dat ik daar nooit ofte nimmer op let. Enfin, ’t was iets blauws, denk ik. Of nee, groen. Maar heel zeker ben ik daar niet van. Hm, dan was het misschien tóch iets blauws. Ach, soit, who cares?”
“Tss, appelblauwzeegroen zeker. Laat maar, schat.”

Herkent u bovenstaand gesprek? Of beter: herkennen de mannelijke lezers het?
Vestimentaire interesses zijn me zo goed als vreemd. Zelf voel ik me met een fijn passende jeans en een comfy T-shirt of truitje algauw a sharp dressed man.
Textuur, merken, prijzen en dies meer: interesseert me geen hol. Trouwens: ik draag, als het even kan, immer zwart, zelfs om te slapen. En mocht u me willen belonen met een bankje van honderd euro als ik u, zonder spieken, het merk van mijn jeans verkondig, dan nóg zou ik u het antwoord schuldig moeten blijven. Zulks boeit me gewoonweg niet.

Slechts af en toe kan ik de vraag “En? Wat had ze aan?” wél beantwoorden. En dan nog maar ten dele.
“Iets met een diepe décolleté. Amainognie.” Of ook: “Haar rokje was zó kort dat ik slechts de kleur van haar onderbroek heb onthouden.”

Onlangs raakte ik met madam Mencks nicht aan de praat tijdens een vernissage. Ze was er met haar man.
We keuvelden wat over koetjes en kalfjes en andere boerderijdieren wijl we van de talrijke natjes en droogjes genoten.
“Haar eigen creatie”, vertrouwde haar man me op zeker moment toe.
“Waar? Goh, ik wist niet dat Greet ook schildert”, reageerde ik oprecht verbaasd. Ze schoten beiden in de lach.
“Haar jurk, Menck. Greet is sinds kort compleet in de ban van naald en draad. De jurk die ze nu draagt, is haar allereerste eigen ontwerp.
“Ach, zó. Nou, chapeau meid, je hebt duidelijk talent”, loog ik staalhard met een gezicht dat bewondering veinsde. Ze bloosde zowaar.

“En? Wat had Greet aan?” vroeg madam Menck me ’s avonds op haar vertrouwde curieuzeneuzemosterdpottoontje.
“Iets belachelijks”, antwoordde ik.
Pas ’s anderendaags, toen de eerste sfeerfoto’s van de vernissage mijn mailbox binnenrolden, kon ik eindelijk ook eens mijn bewering staven.

Zeg nou zelf, beste lezer: heb ik gelijk of heb ik gelijk?
De held die stiekem deze foto nam, vond alvast van wel.

Over kleuren, knutselen en kolder in de kop

Wie deze blog al wat langer volgt, weet het wel: de afgelopen maanden heb ik meermaals de doe-het-zelfkolder in de kop gehad. Het resultaat daarvan waren vooral specifieke projecten van iets grotere omvang, al dan niet op bestelling.
In dit logje offreer ik u echter enkele kleine, nuttige en vooral goedkope creaties die een hoog recyclagegehalte in zich dragen. Onder het motto ‘een kind kan de was doen’ begin ik met een voederhuisje. Want yep, het eerste vogelrestaurant in onze tuin is sedert deze week een feit, vooralsnog met wisselend succes wat de gevleugelde klandizie betreft. Er is wat gewenning nodig, vermoed ik, alsook wat lagere temperaturen.

VOEDERHUISJE

Wat ik gebruikte:

  • Een houten balkje van zes bij zes centimeter met een lengte van een meter;
  • Een restant van een geverniste kleerkastdeur;
  • Schroeven;
  • Spijkers;
  • Nietjes;
  • Een schroefhaak;
  • Wat dode – geen rottende! – takjes;
  • Een restje rubberfolie. (Een ander waterdicht materiaal kan uiteraard ook, als het maar niet al te snel verweert.)

Werkgerief:

  • Een schroefmachine (of een schroevendraaier als u ijveriger bent dan ik);
  • Een decoupeerzaag (een gewone handzaag voldoet eveneens);
  • Een hamer;
  • Een nietjesschieter.

En dan is het een kwestie van vooraf een schetsje te maken om uiteindelijk tot onderstaand resultaat te komen. De opstaande randen omheen de voederplank voorkomen dat het vogelzaad al te makkelijk op de grond belandt.

UILENKAST

Van een voederhuisje naar een uilenkast lijkt een enigszins rare sprong. Doch de kast werd vervaardigd voor een goede tuinvriendin die, zonder uitzondering, elke avond en nacht een koppel bosuilen op bezoek krijgt en dat al geruime tijd. Dat die beesten naarstig op zoek zijn naar een geschikte overwinterings- annex voorjaarse broedplaats in haar bomenrijke tuin, zeg ik u.

Er werd gerecycleerd merantihout gebruikt. Dat is stevig maar tevens erg zwaar.
Zulk een lijvige, overmaatse uilenkast op vijf meter hoogte tegen een boom installeren, is een werkje dat je maar beter niet alleen probeert uit te voeren. Door een dik nylontouw over een tak te zwieren, creëerden een hulpvaardige vriend en ik een soortement van katrol. Daarmee werd de uilenkast tot op de gewenste hoogte gehesen door de man op de grond (zijnde ik) en tegen de boom bevestigd door de man op de ladder (zijnde mijn maat). De kast hangt netjes in de aanvliegroute van de uilen. Als die beesten dat oversized geval nu niet opmerken, zijn het échte uilen.

Nog even een plannetje erbij voor wie zelf aan de slag wil gaan, alsook enkele beelden van het eindresultaat:


(Plan is aanklikbaar voor groter.)

INSECTENHOTEL

Afgelopen zomer knutselde ik eindelijk ook ’s een insectenhotel in elkaar. Enfin, veeleer een hotelletje.
Piece of cake dacht ik nog voor ik er aan begon. Dat credo gaat dan misschien wel op voor de constructie zelf, maar het vullen van de verschillende compartimenten bleek een ander paar mouwen. Vele tientallen bamboestokjes op maat zagen (knippen met de snoeischaar lukt niet wegens splijten) en terdege uitboren, om maar eens iets te noemen. Om het eufemistisch te stellen: je hebt er een beetje geduld voor nodig. Zulks is bovendien een erg eentonige bezigheid, iets waar ik niet bepaald gelukkig van word.
Edoch de aanhouder wint. Naast droge bamboestokjes wendde ik tevens dennenappels aan (mieren en kevers) alsook houtkrullen (lieveheersbeestjes en vlinders) en boorde ik gaten van diverse diameters in hout en klei (wespen, solitaire bijen en metselbijen).

Het insectenhotel werd vervaardigd uit restanten van geïmpregneerd tuinhout en is voorzien van een foliedakje. Het hangt sinds deze zomer naast het zonneterras in onze tuin, vlak boven een klimroos.
De allereerste “bewoner” was overigens een spin die haar net vlak voor de aanvliegroute van de insecten spon en bij wie moord met voorbedachten rade in de ogen stond te lezen.

HERFSTIMPRESSIES

Tot slot troon ik u mee richting het weekend middels enkele vurige foto’s. Want wat is de herfst toch een polychroom, feeëriek seizoen!
De onderstaande bewoners schoot ik – cameragewijs, that is – in eigen tuin in de vuile pollen van madam Menck. Over ‘All creatures great and small’ gesproken.
De overige opnames zijn sfeerbeelden van plekjes waar ik, al dan niet beroepsmatig, geregeld vertoef.

Enjoy, folks!

* * * * *

Nog immer wakker: salamanders:

Hamamelis (uiterst links) naast Acer palmatum (midden):

De siergrassen staan nu op hun mooist:

Quercus rubra:

Quercus robur bij een twee jaar geleden geplaatste takkenwal:

Was elke straat maar zo magisch:

Rood verkleurende Parthenocissus (wilde wingerd) vervlochten met de nog immer groene Aristolochia (Duitse pijp):

Blad van Parthenocissus:

Herfstverkleuring van Euphorbia cyparissias ‘Clarice Howard’:

[ Foto’s: Menck | Twaait ]

Slabakken in de douche

“Schat, haal je even een krop sla uit de douche?”

Als u heden de wenkbrauwen fronst, kan ik u geen ongelijk geven; dit lijkt een volslagen onzinnige uitspraak. Doch niets is wat het lijkt, beste lezer; voortaan houdt ze namelijk perfect steek bij de tuineigenaars uit het voorgaande logje.
Want, ziet u, bij de sloop van een woning komt er een pak meer vrij dan alleen maar wat houten balken. Een douchecabine, om maar eens iets te noemen. En ook daar ging ik mee aan de slag in plaats van naar het containerpark.
Toegegeven, ik was aanvankelijk niet honderd procent overtuigd van de waterdichtheid van mijn plan. Maar de sla groeide zowaar als kool en de kool heeft geen enkel moment geslabakt. Later gold overigens hetzelfde voor de radijzen en de wortelen.

Mocht u dus ooit eens twintig minuutjes vrije tijd en een dergelijke aftandse cabine op overschot hebben: sla uw slag. Koude douches zijn alleen maar bevorderlijk voor de gezondheid, blijkt ook nu weer.

[ Foto’s: Menck | Twaait ]