Categorie: Cursief

Natte Gitte

Even tien jaar terug in de tijd gaan: mag dat?
Uiteraard mag dat.

“Stond je hier al lang?”
Ze gooide haar natte linnen tas op de achterbank.
“Een half uur. Misschien iets langer.”
“Ik dacht dat meisjes sneller werden opgepikt.”
“Niet als ze doorweekt zijn.”
Ze droeg een gebleekte jeans en een kabeltrui. Beiden slobberden om haar frêle lijf.
“Had je geen jas om aan te doen?”
“Nee.”
“Zal ik de verwarming wat hoger zetten?”
“Graag. Dank je.”
“Naar waar moet je?”
“Naar waar moet jij?”
“Ik? Eh, naar huis. Ichtegem.
“Prima. Zet me daar dan maar af.”
“Heb je geen eindbestemming?”
“Niet echt, nee.”
Ze bleef voor zich uit kijken terwijl ze sprak.
“Dus jij zwerft maar wat?”
“Ik zwerf, ja.”
“Wil ik je ergens naartoe brengen? Geen probleem hoor. Ik word niet meteen thuis verwacht, dus het kan.”
Ze zweeg. Ineens diepte ze een pakje Marlboro vanonder haar trui op.
“Mag ik hier roken?”
“Nee.”
“Ow. Oké.”
“Zet je raam op een kier en gooi je as op straat.”
Nu keek ze me voor het eerst aan. Een vage glimlach speelde om haar lippen.
“Hé, bedankt.”
Ze stak de sigaret tussen haar lippen en knipte haar aansteker aan.
“Is dat trouwens een cd-speler?” Ze wees naar de muziekunit in de middenconsole.
“Nee, een broodroostertje.” Ik grinnikte.
“Mag ik een schijfje opzetten?”
“Tuurlijk.”
Ze draaide zich om en griste haar tas van op de achterbank. Na wat rommelen haalde ze een vochtig uitziend doosje boven.
“Nat. Enfin, het cd’tje gelukkig niet.”
“Wat ga je opleggen?”
Triggerfinger. Keigoed. Ken je die?”
Ze schoof het schijfje in de speler. Dra weerklonk een gitaarriff.
“Da’s ‘On My Knees’. Machtig nummer.” Ze neuriede zacht mee.
“Dit nummer ken ik niet, nee.”
“Daar ben je te oud voor.”
Ik verslikte me. Ze giechelde.
“Zo’n ouwe zak ben ik nou ook weer niet. Schat eens?”
Ze vorste me enkele seconden.
“Kweenie. Zeven-, achtenveertig?”
“Laat maar.” Ik zuchtte.
“Nee?”
“Veertig.”
“Sorry. Maar toch: te oud voor Triggerfinger.”
“Hoe oud ben jij? En hoe heet je trouwens?”
“Eenentwintig. Gitte. Jij?”
“Menck.”
“Gekke naam.”
“Dank je.”
Ze lachte thans luidop.

Twintig minuten later hield ik halt voor mijn woning. Gitte had in die tijd vier sigaretten gerookt en zowat heel de geschiedenis van Triggerfinger uit de doeken gedaan.
“We zijn er.”
“Bon.” Ze nam haar linnen tas van de achterbank en plaatste die op de zetel tussen haar benen.
“Waar moet jij nu eigenlijk naartoe?”
“Mag ik een boterham van je?”
“Heb je zo’n honger?”
Ze knikte. “Ik heb al sinds gisteren niks meer gegeten, eigenlijk.”
“Maar enfin, kom dan maar vlug mee.”
“Zal je vrouw of vriendin dat niet erg vinden?”
“Ze is nog aan het werk.”
Toen we binnen waren, gooide ze haar tas tegen de paraplubak in de hall.
“Ik maak je een paar boterhammen klaar. Als je je ondertussen wat wilt opfrissen, daar is de badkamer.”
“Doe ik. Dank je. Jonge kaas is prima.” Ze wees naar de broodzak.
Ik glimlachte toen ik de koelkast opentrok.

“Gitte, je boterhammen zijn klaar. Wil je koffie?”
“Ik kom”, riep ze vanuit de badkamer.
Ik nam twee mokken uit de kast en liep vervolgens de living in om de verwarming wat hoger te draaien. Dat kind zou het beslist koud hebben in haar natte kloffie.
“Menck, ik…”
Ik draaide me om toen ik haar stem ineens vlak achter me hoorde. Wat ik toen zag, benam me een moment de adem. Gitte stond poedelnaakt voor me.
“Wat… Wat krijgen we…? Wat ben jij van plan, als ik vragen mag?” In mijn stem lag zowel opperste verbazing als minachting.
“Ik… ik zal rechtuit zijn: ik heb geld nodig. Je mag me… Ik bedoel, eh, ik ben volledig van jou. Vijftig euro is genoeg.”
Ze zette zich neer op de armleuning van de divan. Ik staarde haar slechts aan, secondenlang, een moment van volle overdondering.
“Ik wil het écht.” Ze keek me smekend aan.
Toen ik niet meteen reageerde, bedekte ze haar schaamstreek met beide handen. Ik stapte ineens op haar af, klemde mijn hand om haar bovenarm en trok haar recht.
“Je krijgt exact twee minuten om je aan te kleden en mijn huis te verlaten.”
“Maar… maar ik dacht dat je…”
“Nú, Gitte!”
Toen ze terug in de keuken was, hoorde ik haar in snikken uitbarsten. Met enkele grote stappen had ik haar bijgebeend.
“Zet er maar wat haast achter, wil je?”
Huilend droop ze af richting badkamer. Ik besloot om haar op te wachten in de hall. Op het moment dat ik haar tas van de vloer plukte, hoorde ik hoe de sleutel in de voordeur werd omgedraaid. Twee tellen later stapte mijn madam binnen. Met open mond keek ik haar aan.
“Ook een goeienavond. Je kijkt alsof je een spook hebt gezien, zeg. Er was geen werk meer. Ik ben twee uur vroeger gestopt.”
Op dat moment klonk luid gesnik vanuit de badkamer. “Menck? Please. Vijfentwintig euro en je mag alles met me doen. Alles!”

De linnen tas viel pardoes uit mijn handen en quasi ogenblikkelijk benamen zwarte dansende vlekken voor mijn ogen me een wijl al het zicht.

Kopje thee?

De passen die de man nam, waren energiek en afgemeten, alsof hij ze drillend telde. Zijn lichaamstaal verried een gebundelde en ternauwernood ingehouden spanning. Meermaals weken voetgangers geïntimideerd uit toen ze hem zagen aankomen, bang dat hij ieder moment tegen hen uit zou varen mocht het tot een toevallig aanraken komen.
Hij laveerde gezwind tussen de shoppende meute door, hield er immer stevig de pas in en vloekte zo nu en dan binnensmonds toen hij toch tegen iemand opbotste. Zulks was onvermijdelijk in deze winkelstraat die een traag wiegende mensenzee had opgeslokt. Even stapte hij van het voetpad af om een sukkelachtig voortschrijdende bejaarde te ontwijken. Een auto toeterde luid en vertraagde. De man draaide resoluut zijn hoofd richting chauffeur en hield diens blik een fractie van een seconde gevangen, net lang genoeg om de arme drommel achter het stuur te laten ineenkrimpen onder zijn donkere ogen die gif leken te spuwen.
Onder een straatoude plataan zat een bedelaar op een stapel kranten. Hij stak een grauwe beker voor zich uit. De man hield even de pas in, boog zich voorover en siste de schooier ‘Fuck you!’ toe, waarna hij hem verbouwereerd achterliet.
Toen de man enkele tellen later een smalle zijstraat van de winkelstraat insloeg, was er ineens leegte. Leegte en stilte. Deze straat was, op drie in de verte geparkeerde wagens na, compleet verlaten. Ze strekte zich schier eindeloos voor hem uit. De hoge en scheef tegen elkaar leunende huizen wierpen lange schaduwen op de met mos begroeide kasseien.
Het driftig stappen van de man verwerd na nauwelijks een minuut tot wandeltempo, het wandelen tot slenteren, het geslenter uiteindelijk tot stilstand. Hij keek achterom en merkte dat een goede tweehonderd meter hem scheidde van de winkelende menigte die van hieruit veel weg had van een kleurrijke, wriemelende mierenkolonie. Even voelde hij zich gedesoriënteerd. Daarna ging hij zitten op de trappen van woning nummer 57. Hij sloeg zijn armen om zijn knieën en liet zijn hoofd erop zakken.
“Kan ik je een thee aanbieden?”
Hij schrok op, sprong meteen recht en draaide zich om. Ongemerkt was de deur achter hem opengegaan. Hij keek in het vriendelijke gezicht van een hoogbejaarde dame met grijs, opgestoken haar.
“Ik… ik wilde niet…”
“Stil maar. Ik verwachtte je.” Ze glimlachte.
“U verwachtte mij?” kaatste de man verbaasd de vraag terug. “Ik denk dat u zich vergist. Allicht verwart u…”
“Toch niet. Kom binnen. Ik heb al thee gezet.”
“Maar…”
“Kom maar.” Ze wandelde naar binnen en liet de deur openstaan. De man aarzelde een wijl, keek even om zich heen, maar stapte toch de trappen op. Hij betrad een benepen vierkante hall waar nauwelijks licht in doordrong. Het rook er zurig.
“Ik ben hier.” De stem kwam vanuit de belendende kamer.
“Bent u wel zeker dat…”
“Kom maar verder.” Het dametje zat aan een kleine blankhouten tafel waarop vier theelichtjes brandden. Voor haar stond een grote, wijde schaal met daarin iets wat op gestampte kruiden leek. Meteen wist de man waar de zurige geur vandaan kwam.
“Ga zitten, Menck.” Ze wees naar de stoel tegenover haar.
“U… u kent mij?” stamelde ik.
“Mijn thee vertelt mij alles”, deelde ze me mee terwijl ze met open handpalmen traag en enigszins plechtstatig de kruiden in de schaal beroerde. “Deze keer brengt ze me helaas weinig opbeurende tijdingen.” Ze keek me recht in de ogen.
“Wat bedoelt u?”
“Ik weet het van je longtumoren.” Ze bleef me fixeren.
“Dat… dat kunt u niet weten! Zelfs de dokters hebben daaromtrent nog geen zekerheid! De diagnose is nog lang niet…”
“Toch wel”, onderbrak ze me. Haar stem klonk rustig maar gedecideerd. “Ik weet het al wél.”
Mijn ogen sperden zich wijd open. Ineens begon er klam zweet uit zowat iedere porie van mijn lichaam te gutsen, waarna ik draaierig werd. In mijn keel voelde ik mijn hart als een razende tekeer gaan.
“Dat betekent dat ik…” Ik hapte naar lucht.
“…kanker heb”, maakte ze onbewogen mijn zin af. “Meer nog, Menck: binnen drie maanden is het afgelopen met je. Daar heb je zelf voor gezorgd, en dat wéét je.”
“Néé!” Ik besefte dat ik die ontkenning uitriep met een van pure ontzetting overslaande stem. Daarna begon ik te luidkeels te huilen met lange, gierende uithalen.

Chatblis stoof gillend het bed af toen ik, hees roepend en badend in het zweet, het dekbed in een onstuimige ruk van me afgooide.
Mijn vijfde dag zonder sigaret was net geen zeven uur oud.

Misses Postman

De bel ging.
Zoals dat in een dergelijke situatie gebruikelijk is, stapte ik naar de voordeur en opende deze. Voor mij stond een vrouwspersoon in postbodekleren.
“Dag meneer. Ik ben Els, uw nieuwe facteur.”
Ik monsterde Els een paar tellen. Ze kon hooguit dertig zijn, was rank van lijf en leden en had ook nog eens een bevallig gezicht waarin twee grote pretogen fonkelden.
“Dag Els”, begroette ik haar. “Kopje koffie?” Ik wees naar de belendende keuken.
Weet, beste lezer, dat het in het landelijke gat waar ik resideer een aloude geplogenheid is dat nieuwbakken postbodes, wijkagenten, vuilnisophalers, krantenverdelers en buren zich netjes komen voorstellen. Zulks juich ik vanzelfsprekend toe, zoals alles wat het sociale karakter van dit dorp ten goede komt.
“Graag”, antwoordde ze, waarna ze uitermate fluks mijn woning betrad. Die spoed was overigens begrijpelijk: het kind droop verschrikkelijk na een fietsronde in de gutsende regen.
“Zal ik je kleren even te drogen hangen?” opperde ik goedmoedig. “Op de radiator zijn ze in een wip en een scheet droog.”
“Dat zou ik erg op prijs stellen. Ik ben doorweekt tot op mijn onderbroek.” Na deze onverbloemde kennisgeving begon ze zich te ontdoen van haar sliknatte kledingstukken.
“Ik haal even een handdoek voor je.”
“Dank je wel.”
In de badkamer koos ik voor een grote donkerrode sponsen handdoek getooid met een brede witte streep.
“Ik heb alvast mijn kleren verdeeld over de radiatoren”, riep ze me toe nog voor ik terug de keuken had bereikt.
“Knap setje”, deelde ik Els geheel naar waarheid mee toen ik haar aldaar in lingerie aantrof. Ik offreerde haar de handdoek.
“Ja, hè! ’t Is van Barbara Safari. Heel betaalbaar en toch gracieus.” Ze sloeg de handdoek over haar hoofd en begon haar haren droog te wrijven.
“Suiker?”
“Wat?”
“In je koffie, bedoel ik.”
“Nee, zwart graag. Zwart en heet. Zo heb ik hem het liefst.” Ze knipoogde schalks naar me vanonder haar handdoek.
“Blij dat te horen”, repliceerde ik terwijl ik haar, niet meteen met vaste hand, een kopje inschonk.
“Wil jij mijn rug even droogwrijven?”
“Tuurlijk.” Ik nam de handdoek van haar over.
“Wacht, ik maak het je wat makkelijker.” Ze knoopte de sluiting van haar behaatje los. “Nu kun je ongeremd tekeer gaan”, lachte ze.
Terwijl ik minutieus haar rug droogwreef, nam ze een slok van haar koffie.
“Heerlijk.” Ze legde de klemtoon nadrukkelijk op beide lettergrepen.
“Douwe Egberts”, lichtte ik toe.
“Ik doelde op hoe je mijn rug droogwrijft.”
“Ah.”
“Ben jij een verlegen iemand?”
“Eh, niet bepaald, nee. Waarom vraag je dat?”
“Doe je dan deze kant ook even?” Ze draaide zich om op haar stoel, liet haar beha zakken en onthulde alzo twee wel zeer pronte peertjes. Daarna legde ze haar hoofd in haar nek en sloot de ogen.
“An offer I can’t refuse”, gaf ik haar ten antwoord. Ze glimlachte.
Plots weerklonk er zoemtoon.
“Is dat je gsm, Els?”
“…”
“Els?
“…”
“Els? Els? E-èls?”

De klokradio liet een vuurrode 08:00 zien. Ik vloekte binnensmonds toen ik uit bed stapte. Daarna slofte ik compleet uit mijn hum naar het toilet.
“Draag jij nu een pistool bij je of ben je gewoon blij me te zien?” vroeg mijn madam die in de keukendeuropening verscheen. Ze wees grijnslachend naar mijn onderbroek.

Bitterzoete afdronk

Hij nam het glas en hield het even omhoog. Een wijl staarde hij ernaar, geboeid de kleur inspecterend en uitdrukkelijk naar vlekken speurend. Daarna hield hij het glas lichtjes schuin, bracht het vervolgens naar zijn neus en snoof, lang en diep en opzichtig. Even werd de wijn gewalst. Daarop volgde weer een geurtest. Toen proefde hij. Dat ging met een licht slurpend geluid gepaard. Hij liet de wijn heen en weer klotsen in zijn mond en slikte hem tenslotte traag door. Het obligate aftasten van het gehemelte met de tong was de laatste stap.

Aan de tafel keken tien mensen naar hem. Geboeid, zo leek het wel. Niemand zei iets noch verzuchtte. Mijn fascinatie voor dit ritueel was evenwel geveinsd wegens onbestaande.
“Nee.” Hij schudde zijn hoofd. Vervolgens tuurde hij even naar de kelner en schoof toen ostentatief het glas met een wijnbodem erin voor zich uit.
De kelner was ontdaan. Alleen ík zag het, omdat de man vlak naast me stond. Zijn mond vertrok lichtjes en zijn ogen gingen iets wijder openstaan. ’s Mans etiquette was verder voorbeeldig. Hij zweeg en wachtte af, schijnbaar onaangedaan.
“Wat nou, nee?” Ik keek naar Johan.
“Deze wijn is ondermaats”, verdedigde Johan zich.
“O, echt?” Ik griste het glas van tafel, kapte de inhoud in mijn mond en slikte die uitdrukkelijk hoorbaar door.
“Niks mis mee”, richtte ik me tot de ober. “Fijn wijntje, zelfs. Dit heerschap hier…” Ik wees naar Johan. “…heeft ongetwijfeld een verkoudheid. Krijg je een bijzonder slechte smaak van.”
De ober knikte beleefd. “Mag ik de glazen inschenken, meneer?”
“N…”
“Jazeker”, was ik Johan voor. Ik wierp hem mijn giftigste blik toe.
De kelner bediende eenieder en stapte vervolgens naar de keuken.

“Hier sè, meneer kent iets van wijn.” Johan draaide zijn stoel in mijn richting en kruiste zijn armen.
“Johan…” begon zijn vrouw.
“Zwijg, Evelien. Dit is tussen Menck en mij.”
“De sfeer hoort hier anders wel feestelijk te zijn”, verdedigde zijn vrouw zich.
“Dat zou ze zeker geweest zijn met een kwaliteitswijn, maar niet met deze… deze boecht.” Hij spuwde het laatste woord uit als was het een halfvergane slak die ineens op zijn tong lag.
“Ben jij van nature zo’n omhooggevallen pik of heb je daarvoor gestudeerd?” Ik keek Johan recht in de ogen, nam mijn glas en nipte traag van de wijn. Die was dus echt niet slecht, zoveel was zeker.
“Toevallig, meneer Menck, heel toevallig ben ik al menig jaartje met wijn bezig. Dat zou jij moeten weten sinds ik je laatst meetroonde naar mijn kelder.”
“Je bedoelt die grauwe nis met die bestofte flessen waar geen mens mag aankomen? Leuk proeven, zo.”
“De helft van je wijn is zuur, Johan”, viel Evelien in. “Dat weet je best. Het is jou enkel om het etiket te doen.”
“Ja, Evelien, steek nog maar ’s een dolk in mijn rug. Daar ben je de laatste tijd goed in.” Zijn ogen spuwden vuur in haar richting.
“Insinueer je iets, misschien?” Ze schoof haar stoel een eindje van tafel. De rest van de gasten volgde de discussie met stijgend ongeloof. Niemand waagde het om iets te zeggen.
“Je weet bést wat ik bedoel, mademoiselle. Of om het anders te zeggen: het spul dat jij regelmatig achter mijn rug om proeft, is absoluut géén wijn. Daar ben ik zeker van.”
Eveliens gezicht nam de kleur van haar glasinhoud aan.
“W… Wàt?”
“Komaan, vrouwmens, dacht je nu echt dat ik het niet wist van Pierre en jij? En nee, je hoeft niet zo verontwaardigd te kijken. Iedereen aan deze tafel mag het horen.” Hij tekende een wijde cirkel in de lucht met zijn armen.
“Ga je nou heel dit etentje verkloten, Johan? We hoeven echt geen kennismaking met jullie vuile was”, mengde Yvonne, zijn zus, zich ineens in de woordenwisseling. “Als je ’t toch al zo lang wist van Pierre, waarom begin je er dan hier voor het eerst over? Vind je dat stoer of zo?”
“Yvonne, jij moet…”
“Zwijg! Ik ben nog niet klaar. Waarom denk je dat Evelien naar Pierre gaat? Of Pierre naar haar, dat doet er niet toe. Waaróm?”
Johan zweeg, geheel overdonderd door Yvonne’s woordenstroom. Het mens zei anders haast nooit iets.
“Omdat jij haar verdomme niet goed genoeg meer vindt. Je behandelt haar net als dit wijntje, Johan: als een stuk afgedankte vuillis. Er is totaal niks mis mee, maar meneer streeft altijd maar naar meer en beter. ’t Is nooit goed genoeg voor jou, Johan. Erger: het zal nooit meer goed genoeg zijn voor jou. Zo iemand noemen wij een bespottelijke en over het paard getilde lul, broer.”
Ze nam een slok na haar vurig betoog. Ik had zin om te applaudisseren.
Johan keek naar zijn vrouw en vervolgens naar Yvonne. Hij stond op, nam zijn gsm van de tafel en wandelde, zonder nog een woord te zeggen, het restaurant uit.

Het huilen stond Evelien nader dan het lachen. Ze boog het hoofd.
Yvonne stond op, stapte op haar toe en sloeg een arm om haar schouder.
“Iedereen hier weet het al lang van jou en Pierre.”
Evelien keek naar Yvonne. “Echt?”
“Maar ja, kind. Bovendien staat eenieder als één man achter je. Johan is een klier. ’t Is mijn broer en ik kan het verdomme weten.” Ze glimlachte.
Ik nam mijn glas en hield het omhoog.
“Met deze uitermate fijne wijn wil ik graag een toost uitbrengen. Op Evelien en Pierre.”
“Op Evelien en Pierre!” klonk het in koor.
De glazen werden geheven. Evelien wiste een traan weg, nam toen haar glas en hield het ook omhoog. Er speelde een glimlach om haar lippen.

De RWS

Opgelet:
Onderstaand treft u een wat langer schrijfsel over mijn (kortelings?) vervlogen verleden.
Het is – uiteraard! – een geheel en al waarheidsgetrouwe weergave van een dag uit het aanvankelijk saaie bestaan van schrijver dezes.
Ondertussen is mijn leven gelukkig ten goede gekeerd en wacht me de ene verrassing na de andere.

Er zat een roodborstje in de tuin vandaag. Het deed zich tegoed aan de sierappels. Ik sloeg het gade doorheen het keukenraam. Zenuwachtig hief het zijn kopje op, blikte vervolgens links en dan weer rechts en plantte opnieuw driftig zijn frêle bekje in een sierappeltje.
Behoedzaam schoof ik het gordijn helemaal opzij, opende vervolgens traagjes het raam en richtte mijn Canon op het nietsvermoedende diertje. Ik zoomde in, stelde bij en drukte af. Op het schermpje verscheen een perfecte en haarscherpe close-up van een smikkelend roodborstje.
Het was 24 december, 14.31 uur.

Negen minuten later bevond ik me in de badkamer. Ik nam mijn tandenborstel, knipte de tube Signal open en drukte een blauw-wit-roodwormpje uit op de harde haren. Twee minuten daarna inspecteerde ik mijn gebit in de spiegel. Onregelmatig, maar voor een roker nog erg gaaf. Ik was tevreden.

In de slaapkamer raapte ik mijn op bed geworpen pyjama bijeen en hing die netjes aan het haakje achter de deur. Eén van de poezen was in slaap gevallen op mijn hoofdkussen. Ik nam haar op, suste haar wat en deponeerde ze op de vloer in de hall. “Ga maar even plassen, jij.”
Ze rekte zich traag en behaaglijk uit, keek me vervolgens vragend aan en zette het tenslotte op een lopen richting kattenluik.
Soms denk ik dat ze me echt begrijpen.

De bel ging. Ik verwachtte niemand. Ze ging een tweede keer. Wat later hoorde ik de mysterieuze beller straatwaarts stappen. Dolomiet als paadje naar de voordeur is echt wel handig omdat het zo lekker knarst.

Ik begaf me te anderen male naar de badkamer, schoof het driedelige glazen doucheraam dat op de badrand gemonteerd staat opzij, drukte de stop in de afvoer en draaide de warmwaterkraan vol open. De pul badschuim – Melkmeisje, goedkoop spul dat vreselijk lekker ruikt – liet zich moeizaam openen.
Na twee stevige knepen begon het water meteen te schuimen. Ik gooide er tevens drie badparels in. Pure noodzaak, want Melkmeisje droogt de huid verschrikkelijk uit. Die olieachtige parels vormen een ideaal tegengewicht voor zoveel onheil.
Ik keek op mijn horloge; het was drie minuten voor drie. Kwart over drie zou het bad vol zijn, rekende ik uit.

Er stonden vier e-mails in mijn inbox geparkeerd. Drie ervan waren commerciële onzin en werden prompt naar de prullenbak verwezen. De vierde mail was van Michaël, een tuinvriend. Hij stuurde me een powerpointvoorstelling. Ook die verdween ongeopend in de prullenbak.
Ik nam de Canon, plugde hem in de computer en downloadde vervolgens de foto van het roodborstje naar de map ‘Tuinfoto’s’. Hij bleek loepzuiver, prima belicht en het gevleugelde hoofdobject vormde een perfecte symbiose met de roodgroene achtergrond.

Terug in de badkamer draaide ik de warmwaterkraan dicht. Er had zich ondertussen een dikke schuimlaag gevormd die zacht ruisend op het hete water dobberde. Ik liet koud water lopen wijl ik me geheel uitkleedde.
In de spiegel monsterde ik mezelf. Dit lichaam kon onderhand best wat zon gebruiken. Wat fitness ook. Of wat vetarmere voeding. Ik wendde mijn hoofd af, krabde in mijn schaamhaar en gooide mijn ondergoed in de rieten wasmand. Het badwater was nog steeds te warm.
Wachtend rolde ik me een kankerstok en stak hem op. Een zweem van rijke, aromatische tabak vulde de ruimte. Ik legde de sigaret op de rand van de wastafel, boog me naar de spiegel en inspecteerde een zorgwekkend rode puist op mijn onderkaak. Toen ik met beide wijsvingers wat kracht stak, spoot een straaltje gelig pus op de spiegel. Verlost!

Uit de frigo in de garage diepte ik een fles ondergewaardeerde Cassillero del Diablo op en plukte vervolgens een wijnglas uit de barkast in de woonkamer. Het was aardig frisjes in mijn nakie.
In de badkamer draaide ik de koudwaterkraan dicht, nam een trek van mijn saffie en polste middels mijn wijsvinger de badwatertemperatuur. Perfect.

Op het moment dat ik in bad wilde stappen, ging de bel opnieuw. Iemand had me blijkbaar dringend nodig.
Ik schoof het gordijntje opzij (de badkamer bevindt zich aan de straatkant), drukte mijn hoofd schrijlings tegen het koude raam en kon zodoende net een glimp opvangen van een bos lang zwart haar.
Inderhaast viste ik mijn badjas van zijn haakje en trok hem gauwgauw aan terwijl ik naar de voordeur slofte.
“Mijnheer Menck?”
“Eh… ja?” Voor mij stond een ranke jongedame van, zo bevroedde ik, achter in de twintig. In haar ene hand hield ze een rode plastic tas terwijl ze met haar andere hand haastig een weerbarstige haarpluk bezijden haar hoofd dirigeerde.
“Goeiemiddag. Ik ben van BodySurprise, afdeling RWS. Ik ben gestuurd door vrienden van u, een zekere…” – ze diepte een papiertje op – “… Tom en Marijke.”
“RWS?”
“Ja. Kent u onze afdeling niet?”
“Ik vrees van niet, nee.”
“De Rug Was Service.” Ze keek me glimlachend aan.
“Pardon?” Een onbestemd gevoel bekroop me. “Is dit een grap of zo?” Instinctief duwde ik de deur wat meer dicht.
“Nee, meneer, integendeel: dit is een verrassing. Voor uw verjaardag.” De jongedame sprak thans sneller. Ze voelde dat ik haar weg wilde. Weer wreef ze werktuiglijk een haarlok uit haar ogen.
“Maar ik verjaar helemaal niet vandaag.” Ik begon mijn stem te verheffen.
“Dat weet ik. Maar onze firma is vanaf morgen gesloten tot en met zeven januari aanstaande. Wegens de eindejaarsperiode.” En opnieuw glimlachte ze, iets zwakker deze keer.
Ik schudde ongewild mijn hoofd en keek haar thans volslagen verbaasd – verdwaasd – aan. Dat moet goed merkbaar zijn geweest want haar glimlach verbreedde zich, alsof ze ieder moment in lachen zou kunnen uitbarsten en me zou toeroepen dat iemand me goed liggen heeft.
“U verjaart op acht januari, niet?”
“Eh, ja. Hoe weet u dat?”
“Van uw vrienden. Ik ben uw verjaardagsgeschenk van hen.”
“Maar ik verjaar pas vólgende maand. U zei het daarnet zelf nog!” Dit werd ergerlijk.
“Ja, oké, maar onze firma is…”
“… Gesloten, ja. Tot zeven januari. Ik verjaar wel de achtste, niet de zevende.”
“Mijnheer Menck, mag ik misschien even binnenkomen om het u uit te leggen? Straks vat u nog kou met enkel uw badjas aan.”
“Sorry, mevrouwtje, maar ik was net van plan om me warmpjes te gaan onderdompelen. Bovendien heb ik geen enkele firma besteld. Wat was de naam ook alweer?”
“BodySurprise. RWS. Rug Was Service.”
“Wat in hemelsnaam is brugwasservice?” Ik slaakte een diep zucht en rolde ostentatief met mijn ogen.
“RUG Was Service, meneer. Ik kom uw rug wassen. U ging net in bad, toch?”
Stilte.
Ik stond haar waarschijnlijk aan te staren alsof ik net de paus had zien voorbijglijden op een skateboard, want ineens barstte ze in lachen uit.
“U kent onze zaak duidelijk niet, dat blijkt nu wel.” Ze proestte nog wat na. “Laat het me u dan tenminste toch even uitleggen.”
Ik zuchtte en gooide de voordeur open. Ze stapte resoluut naar binnen. Daarna draaide ik me behoedzaam om en keek haar vragend aan.
“RWS is een onderdeel van de groep BodySurprise. Bij onze firma kunt u terecht om iemand te verrassen met een van onze vele diensten. Uw vrienden bestelden de RWS voor u. De Rug Was Service, dus.”
“En dat betekent…?” Ik kruiste mijn armen.
“Dat betekent dat ik uw rug kom wassen. Als verjaardagscadeau. Ik kon ook op uw verjaardag zelf zijn gekomen, maar dan bent u uit eten met uw broer en zus. En de dagen daarna bent u niet thuis. Klopt?”
Ik stond als aan de grond genageld.
“Vandaar dat ik voor vandáág ben besteld”, ging ze onverstoorbaar verder. “Uw vrienden vertelden me nog dat het dan meteen ook een mooi eindejaarscadeau zou zijn.”
“Dus, eh, u wast ruggen? Ga toch heen zeg!” Ik schudde vol ongeloof het hoofd.
“En toch is dat zo, meneer. Maar BodySurprise doet meer dan dat. Eigenlijk maken wij onze naam helemaal waar: wij leveren een bodyservice op bestelling. Eender dewelke. Voor u werd dus de RWS geselecteerd.” Ze blikt me zelfvoldaan in de ogen.
“Door Marijke en Tom? Voor mijn verjaardag?”
“Jazeker.”
Ik hield het niet meer en barstte in een onbedaarlijke lach uit.
“U vindt dit blijkbaar grappig, meneer Menck?” Ze vroeg het écht geïnteresseerd en werd geenszins kwaad.
“Grappig, zegt u? Gráppig? Dit kan toch niet! Komaan hè, iemands rug komen wassen als cadeautje. En betalen ze u daar nog voor ook?” Weer barstte ik in lachen uit. Gierend nu.
“Eh, jawel. Ik werk intussen bijna drie jaar voor BodyService. Een heel degelijke firma, hoor. Kijk…” Ze trok een bestelbon uit haar tas en liet me die zien. “Ziet u? Dit is drie dagen geleden voor akkoord ondertekend door uw vrienden.”
Ik bekeek het documentje met stijgend ongeloof. Het stond er wel degelijk.
“Dus… als ik het goed begrijp komt u eventjes mijn rug wassen? Als verjaardagsgeschenk. Ik zie niet in wat daar nu zo… zo… geschenkachtig aan is. Ik kan best wel zelf mijn rug wassen, voor het geval u dat niet moest weten.”
Er verscheen een monkellachje op haar gezicht.
“O, maar dan slaat u de bal heus wel mis, hoor. Zoals ik straks uw rug zal wassen, zal u het nog niet eerder hebben beleefd.” Ze keek me gedecideerd in de ogen.
“Wat bedoelt u?”
“Wat ik bedoel is dat deze wasbeurt zowel een relaxerend als een erotiserend effect zal teweegbrengen.”
“Het gaat wel over mijn rug, hè.”
“Dat weet ik. Maakt u zich maar geen zorgen.”
“Zozo. En?”
“En wát, meneer?”
“Wat moet ik nu doen?” Ik stak mijn handen in de lucht als gaf ik me over.
“Kunt u mij de badkamer aanduiden? U was toch klaar om in bad te gaan?” Ze knikte me vriendelijk en bemoedigend toe.
“Was u misschien ook dáárvan op de hoogte?”
“Wees gerust, meneer Menck, dat is puur toeval.”
“Dus ik stap in bad en u, eh, wast mijn rug?”
“Ja. En ik geef u een all-in, zoals wij het noemen. Het enige wat u hoeft te doen, is u ontspannen en genieten.”
Ze bukte zich om Chatblis, die nieuwsgierig kwam gluren naar deze vreemde bezoekster, te aaien.
“Mooi poesje.”
“Dank u. Dit is Chatblis, de bevalligste van mijn kattentrio.”
Ik liep haar voor naar de badkamer. Dit was zodanig onwerkelijk dat ik besloot om niet langer na te denken en me compleet over te geven aan deze jongedame.
“Hoe heet u trouwens?”
“Anouk.”
Toen ik naast het bad stond, aarzelde ik.
“Dus ik…”
“Ja, u stapt gewoon in bad. Stoort u zich vooral niet aan mij.”
Had die even makkelijk praten. Me niet storen aan en wildvreemde vrouw die toekeek hoe ik een badje nam?
Ik knoopte mijn badjas los, hing die op het haakje en stapte, met mijn rug naar haar gedraaid, in de badkuip waarin ik prompt neerzeeg.
“Zo”, sprak ze zijdezacht wijl ze haar lange jas losknoopte en hem van haar schouders liet glijden. “Welkom bij BodyService.”

Ze glimlachte mysterieus toen ze dichterbij schreed. Op haar hoge laarzen na was ze spiernaakt.

En dan nu ernstig

De kaasboor had duidelijk last van een ijzertekort daar alleen het houten handvat resteerde. Erg moeilijk werken met zo’n ding, dacht Tom. En dus ging hij het stuk kaas maar met zijn blote handen te lijf.
Een klant had de kaas achtergelaten in de videotheek waar hij werkte. Nu ja, werken is een groot woord. De zaak stond op de rand van het faillissement. Het gros van de tijd was er niet eens een klant te bespeuren. Dan rommelde Tom maar wat aan met Madelief, de uitbaatster, met wie hij al jaren een louter seksuele relatie onderhield. Vaak doken ze beiden de kelder in alwaar ze vervolgens op elkaar kropen. Het was dan ook niet voor niets een kruipkelder.
Toms hart vulde zich met vurige lusten telkens hij aan Madelief dacht. Vandaag tekende ze helaas niet present en dus besteedde hij al zijn aandacht maar aan de achtergelaten kaas. Het was op de koop toe een heuse Coeur d’Ardenne, zijn lievelingskaas. Onder de harde korst ging een smeuïge lekkernij schuil die qua smaak wel wat weg had van Camembert.
Met een trefzekere beweging boorde Tom zijn rechterwijsvinger door de harde korst tot diep in de kern van deze heerlijkheid. De overrijpe kaas brak met een korte plop open als ware hij een barstende steenpuist. Tom trok zijn vinger terug, bracht hem naar zijn mond en was een wijl in opperste verrukking door wat hij proefde.
Er gaat toch niets boven wat brood bij zo’n delicatesse, schoot het Tom plots te binnen. En dus diepte hij een snede witbrood op uit zijn helblauwe Tüpperwareboterhammendoos en posteerde ze naast de kaas. Tüpperwareboterhammendoos! Wat een gedrocht van een woord toch maar weer, mompelde Tom voor zich uit. Welk een zwakzinnig mens zou dit ooit in een tekst durven aan te wenden?

De winkelbel weerklonk schril. Snel liet Tom het brood en de kaas voor wat ze waren en glipte achter zijn toonbank.
Tussen de rekken slofte een man met een overmaats scheepsanker om zijn nek. Tom verbaasde zich allang niet meer over zulke verschijningen. De laatste tijd kreeg hij de raarste klanten eerst over de vloer.
“Kan ik u helpen, meneer?” interpelleerde Tom vriendelijk.
“Ja, graag!” antwoordde de kerel zichtbaar opgelucht. “Ik ben namelijk van plan om zelfmoord te plegen. Vandaar ook dat anker van honderdtwintig kilo dat ik middels mijn nek meetors. Ik lijd ondraaglijk en uitzichtloos, ziet u. En dus heb ik mezelf maar om levensbeëindiging verzocht. Mijn keuze is gevallen op verdrinking door middel van een anker van honderdtwintig kilo om mijn hals.”
“Een soortement van geheel persoonlijke euthanasie, kortom”, vulde Tom de man aan. Op diens gezicht voltrok zich prompt een brede glimlach omwille van zoveel begrip.
“Ja. Ja, dat is het inderdaad!” Hij schudde Tom thans uitgelaten de hand. “En dus dacht ik: laat ik maar eens een Dvd’tje huren waarin de techniek der verdrinking haarfijn wordt uitgelegd. Kwestie van me enigszins voorbereid naar het hiernamaals te begeven.” De man knipoogde guitig in Toms richting na deze bewoordingen.
“Dan heb ik een geknipte keuze voor u, meneer!” sprak Tom enthousiast wijl hij een Dvd uit de rekken trok. “Kijk eens aan: ‘Zelfmoorddaad in de Tolpoortstraat’.” Hij hield de man het schijfje voor.
“Hm. In die straat is toch in de verste verte geen water te bespeuren?” De man keek Tom thans onzeker aan.
“Maar enfin,” kreet Tom verbolgen, “weet u dan niet dat een mens al kan verdrinken in slechts vijf centimeter water? In deze docu wordt u dat haarfijn uitgelegd, met beelden van een ruim vijf centimeter diepe plas in de Tolpoortstraat ter hoogte van kilometerpaal tweeënzeventig.”
“Allemaal goed en wel, maar wat moet ik dan met mijn anker aanvangen?” panikeerde de man.
“Ik stel voor dat u dat inruilt tegen deze Dvd aangezien u na uw daad niet langer in staat zult zijn om de film terug te brengen. Uw anker kan ik op mijn beurt dan weer gebruiken als kaasboor.” Tom wees het stuk Coeur d’Ardenne aan.
“Een puik idee!” De man sloeg Tom enthousiast op de schouder. “Hierover ben ik erg opgetogen, dat begrijpt u wel.” Hij ontdeed zich prompt van zijn anker en stapte met de Dvd onder zijn arm als een tevreden mens de winkel buiten. Het leven lachte hem, althans voor eventjes nog, weer toe.

Tom sleepte het anker tot bij zijn Coeur d’Ardenne. Uit zijn broekzak diepte hij zeven graantjes op. Hij had te allen tijde granen bij zich om die over zijn witbrood te verdelen teneinde het alzo om te turnen tot een heus zevengranenbrood. Vervolgens werkte hij met vaardige hand én met behulp van het anker een heerlijk partje kaas los uit het grote stuk. Dat plooide hij tussen zijn zevengranenboterham waarna hij zich installeerde voor het scherm van zijn draagbaar televisietje.
“Zo’n maal vraagt om een humoristische film!” En met die woorden schoof hij de klassieker ‘Een brontosaurus op kroegentocht – het leven van minister Daerden’ in de speler, beroerde kort de play-toets en leunde ontspannen achterover in zijn luie stoel.
Amper zeven minuten later verkeerde Tom reeds in dromenland alwaar Madelief zwoel dansend bier aan het tappen was uit haar kale preut. Hierdoor hoorde hij niet dat de winkelbel te anderen male schril weerklonk en er een man de zaak binnenstapte met drie opeengestapelde Michelinbanden op zijn hoofd.

* * *

Heeft u na het lezen van dit schrijfsel dringend nood aan een gesprek?
De Zelfmoordlijn is dag en nacht (anoniem) te bereiken op het gratis nummer 1813 of via chat.
Of bent u toch eerder geïnteresseerd in de aankoop van een scheepsanker? Dat kan dan weer hier.


Vuurlijn

Mijn gsm rinkelde. Het was onmenselijk laat.
“Ja?”
“Maatje?”
“Wie is daar?”
“Tom. Je weet waarom, makker. Tonight’s the night.”
“…”
“Ben je er nog?”
“Ja. Ja. Ik weet wat me te doen staat. Bye.”
“See ya.”
Geagiteerd drukte ik af. Hitsig – het spul werkte ook nu vrijwel onmiddellijk – banjerde ik door de gang naar de slaapkamer. Ik plukte mijn bruinleren jak uit de kast, vond een nog door mijn moeder gebreide sjaal en zocht naar mijn Nikes; ik trof ze uiteindelijk onder het bed. Met een doffe plof liet ik me op mijn buik neervallen op de doorgelegen matras en grabbelde naar de oude sportschoenen. Terwijl ik de veters knoopte, focuste mijn brein zich op de Calico 9 mm in de garage. Dit semiautomatische wapen werd me twee jaar geleden aangeboden door Tom alias Dj Tommy. Schitterend ding. Feilloos. En wat belangrijker is: het heeft een ongebruikelijk grote magazijncapaciteit.

Luister, Menck. Dit pistool verkrijgt z’n grote magazijninhoud door een spiraalvormig doosmagazijn dat uit vele rijen bestaat en dat bovenop het wapen wordt vastgezet. De rijen patronen worden door de roterende beweging van de magazijnas door een veer naar voren gedrukt. De patronen worden aan de onderkant uit het magazijn naar de loopkamer gedirigeerd. Tijdens het schieten worden de ronddraaiende rijen met patronen op die manier pijlsnel voorwaarts gestuwd omdat daar ruimte vrijkomt. Dit bijzondere concept is nog niet eerder op deze schaal in vuurwapens toegepast.

Het was zeventien minuten voor drie toen ik die nacht mijn “taxi” belde. Zevenentwintig minuten later werd er grootlicht opgegooid in de straat. Ik stopte de Calico onder mijn trui tussen mijn broeksriem en begaf me naar het wachtende voertuig.
De chauffeur was een jonge Noord-Afrikaan. Of zoiets.
“Ken je de weg, knul?”
“Jawel, sir.”
Dertien minuten later stapte ik uit.

Onder een straatlantaarn begon ik een sigaret te rollen. De wind nam het vloeitje haast ogenblikkelijk mee. “Fuck!” Ik diepte een nieuw velletje op en herbegon, iets gestresster nu. Mijn zenuwen stonden gespannen.
Op mijn horloge was het even over halfvier. Mijn hand gleed reflexmatig naar de Calico alvorens ik de brand in mijn saffie stak en daarna schichtig de straat overstak. Voor me doemde de haag rond nummer 17 op. Ze was hoog, onverzorgd en quasi ondoordringbaar wegens massa’s doornen. Het donkergroene en deels afbladderende hek, de enige toegangsmogelijkheid, was op slot. Het lukte me vrij goed om er overheen te klauteren, ondanks de stalen punten bovenop het rasterwerk. Ik zette me af en landde zacht op een smal klinkerpad. Een vijftal seconden bleef ik, roerloos gehurkt, luisteren. Niks. Vervolgens trok ik de achtertuin in.

De maan liet een bos heesters in flets licht baden. Ik ontwaarde een grindpad en vermeed het. Onder een grote treurwilg schroefde ik langzaam maar gedecideerd de geluidsdemper op de Calico. Daarna richtte ik met gestrekte arm het wapen even naar de maan en keek langs de stalen loop recht in haar pokdalig gezicht. Prima.
Nadat ik het pistool onder mijn oksel had geklemd, stapte ik tergend traag in de richting van de linker benedenkamer. Daar sliep hij. “Hij is te dik om nog boven te raken”, had Tom me toevertrouwd. “En hij slaapt altijd, eender welk seizoen, met het raam open.”
Tom kreeg gelijk.

Onder het raam stonden vier lege terracottapotten op het betegelde pad dat de woning omsloot. Het leek me beter om ze niet opzij te zetten maar vanaf hier goed op te letten waar ik mijn vijfenveertigers neerplantte.
Rechts van het raam hield ik halt, leunde met mijn rug tegen de gevel en spitste de oren. Er was geen enkel geluid waarneembaar. Hij sliep toch wel al, zeker? Ik hield mijn adem in – vijf, tien seconden. Een zacht, welhaast monotoon gezucht bereikte mijn oren. Hij was er. En hij sliep bovendien als een roosje.
Op het moment dat ik naar de Calico wilde grijpen, voelde ik hem ineens vanonder mijn oksel schuiven. Met een katachtig snelle uithaal kon ik maar nipt verhoeden dat het pistool op het tuinpad kletterde. Het zweet brak me terstond langs alle kanten uit. Ik onderdrukte een zucht, draaide me om en ging pal voor het open raam staan. Mijn ogen waren ondertussen gewend geraakt aan het duister en de maan was mijn compagnon.
Hij lag op zijn rug, had de dekens opzij gewoeld, en zijn pafferige gezicht werd zwak verlicht door het nachtschijnsel. Het enige wat hij droeg was een lichtkleurige ouderwetse onderbroek. Op het moment dat ik mijn wapen wilde richten, voelde ik een niesbui opkomen. Terstond liet ik de Calico zakken en duwde mijn wijsvinger hard tegen de onderkant van mijn snufferd. De prikkel ebde weg. Ik richtte opnieuw, legde gedecideerd aan en vuurde.
Vier, vijf (zes?) gedempte plopjes ontsnapten aan de Calico. In de beklijvende stilte van de nacht klonken ze me echter in de oren alsof iemand met een pollepel op een blikken ketel sloeg. Ik schrok op uit de extase, keek pijlsnel links en rechts van me en draaide me daarna als een wervelwind om. De zenuwen gierden nu in hoog tempo door mijn bezwete lijf.
Het bleef volkomen stil. Er vlogen geen vogels verschrikt uit de bomen op, er liepen geen katten angstig schreeuwend weg en nergens hoorde ik iemand een rolluik optrekken. In mijn kop was ik alles honderdvoudig aan het uitvergroten.
Ik draaide me weer om naar het slaapkamerraam. Hij lag er nog net zoals daarstraks. Alleen had zowat drie kwart van zijn hoofd zich muurwaarts verplaatst waar het nu in honderden bloederige partikels tegenaan kleefde. Een stroperige stroom donker bloed gutste schoksgewijs uit wat er restte van zijn schedel. De hoofdsteun van zijn bed was twee spijlen kwijtgespeeld door de kogelregen. Op die open plaats hing thans een ondefinieerbaar kluwen druipende slierten; een donkere massa met talloze bleke stukjes in vervat.
Ik moest hier weg.
Nu.

De Noord-Afrikaanse taxi was in velden noch wegen te bespeuren zodat ik aangewezen was op de benenwagen. Ik struikelde vier keer, hoestte ettelijke malen de longen uit mijn lijf en droop onderhand van het zweet. Toen ik uiteindelijk de achterdeur van mijn woning openduwde, waren de veters van mijn Nikes al los. Binnen trok ik de nieuwe sportschoenen uit en gooide ze bovenop een berg papierproppen in de haard. Uit de mand met sprokkelhout griste ik een bussel droge twijgen en posteerde die ijlings onder de Nikes. Bevend tastte ik in mijn binnenzak naar mijn aansteker maar vond hem niet. “Merde! Mèèèrde!” Ik griste een doosje lucifers van het salontafeltje, trok het ruw open en vloekte luidkeels toen de ganse inhoud zich op het tapijt verspreidde. “Licht! Ik heb hier verdomme licht nodig!”
“Ontspan je toch, Menck.”
Prompt verstijfde ik. Meteen trok al het bloed uit mijn gelaat weg. Toen ik me omdraaide, keek ik recht in het met een glimlach getooide gezicht van Tom. Hij had me al die tijd geobserveerd vanop de bank.
“Hoe…?”
“Ssst, Menck. Ontspan je nu toch eens. Hier.” Hij reikte me een rietje aan.
Toen pas ontdekte ik de twee sneeuwwitte lijntjes op de tafel.
“Wat heeft dit te betekenen, Tom? Huh?” Ik bleef hem aangapen.
“Dit, mijn beste Menck, is een toost op het welslagen van je opdracht. En dit…” Hij plofte een minutieus dichtgekleefd bruin pak op het tafeltje. “… is voortaan allemaal van jou. We staan quitte.”
Ik voelde hoe mijn spieren zich ontspanden.
“Neem je het rietje nog aan of moet ik er blijven mee zwaaien?” Tom lachte.
“Lap me dat nooit meer, kerel.” Ik nam het strootje van hem over en ging naast hem zitten op de bank.
“Je bent vrij van schulden, maat. En ik ook. Ik ook. Dankzij jou.” Een schouderklop. “De gek is morsdood. En zijn geld rendeert.”
“Dat kun je wel zeggen, ja.”
Ik wierp een snelle blik op het bruine pakket, knipoogde naar Tom, boog me voorover en liep diep snuivend het ganse lijntje af.

Dresscode: adamskostuum

Als de temperatuur ook maar een klein beetje naar zomerse waarden neigt, gaan mijn achterburen uit de kleren. Al meer dan twintig jaar zijn ze namelijk overtuigde naturisten.
Ze frequenteren geregeld hun ruime caravan die ze indertijd neerpootten op een nudistencamping net over de Belgisch-Nederlandse grens. Maar ook hun omsloten tuin toveren ze in een handomdraai om tot een exotisch naaktstrand als ze een blootloopgoesting voelen opborrelen. Slechts de wuivende palmen ontbreken.
Mijn buren plegen zich fervente zonneaanbidders te noemen. Dat kan ook niet anders, want wie lijf en leden bedekt houdt, loopt voor aap als naturist.
’s Zomers gebeurt het zelfs dat ze meermaals door la douce France cruisen, uitsluitend om nieuwe naturistencampings te gaan keuren. Volgens mijn buurvrouw zijn dergelijke campings “hygiënischer en beter uitgerust dan de traditionele”. En ze gaat er prat op dat naturisten zich stukken socialer gedragen en minder luidruchtig zijn bovendien.

Wat me opvalt, is dat naaktrecreanten maar wát graag benadrukken dat ze absoluut géén exhibitionisten dan wel perverselingen zijn. “Nee, Menck, wij zijn slechts gewone stervelingen, doch we genieten intens van het vrije gevoel van zon en wind op onze blote kont”, aldus buurvrouw. Zij voert trouwens immer het hoge woord. Buurman is beduidend korter van stof, om maar eens in het jargon te blijven. Hij zit op zo’n camping waarschijnlijk maar wat naakt te wezen en routinematig instemmend te knikken telkens zijn eega haar mond roert. Want hoewel beiden vaak niks aanhebben, draagt zij toch altijd en overal de broek.

Geregeld belt buurvrouw naar ons. Al te vaak is het om gewoon wat te kletsen of te roddelen, vooral over haar wederhelft. Als ik dan opneem en ze me vervolgens toevertrouwt dat ze vanop de camping belt, kan ik niet snel genoeg de telefoon aan mijn madam geven. Praten met iemand die poedelnaakt aan de andere kant van de lijn staat, zit of ligt: ik voel me daar hoegenaamd niet gemakkelijk bij. En voor u mocht gaan twijfelen: nee, we hebben geen beeldtelefoon noch skypen we met elkaar.
Op de eerste echt zonnige dag van onze midzomervakantie, een zaterdag, kregen we eens te meer een telefoontje van buurvrouw. Ze belde vanop de camping, of wat had u gedacht? Gelukkig nam madam Menck op; ik was in de tuin bezig. Tien minuten later stond ze onthutst naast me.
“We zijn uitgenodigd. Morgenmiddag. En ik… ik heb me laten overhalen.”
Ik verzeker het u: op dat moment leek het alsof de zon met een klap uit de lucht viel.

Die bewuste zondagmorgen was er toch één iets waar ik me geen zorgen over hoefde te maken: wat moet ik aantrekken?
Mijn madam vond die opmerking lullig. “Je weet toch dat je op een nudistencamping wél gekleed mag rondlopen als je dat aangenamer vindt.”
“Hoe comfy voel je je nog als enige geklede campinggast?” repliceerde ik daarop. “Stel dat de vaste gasten beginnen te denken dat je een voyeur bent. En dat zúllen ze ook denken, gelóóf me.”
Ik besloot om ginds toch maar beter voor mijn adamskostuum te kiezen. Als je haar maar goed zit, nietwaar?
“Zeg, schat, wanneer trek je daar dan eigenlijk je kleren uit? Vlak voor de ingang? Of als je tent al opstaat?” Want onze tent wilde ik koste wat het kost meezeulen, hoe ruim bemeten de caravan onzer achterburen ook moge zijn. Ik zag me nog niet licht ontwaken op een half metertje van mijn spiernaakte buurman die, nog halvelings maffend, aan zijn zak ligt te krabben wijl buurvrouw monter en bloot het belendende keukentje komt uitgestapt om me ginnegappend te begroeten met “Goeiemorgen! Ook al aangekleed?”
“Of moet ik in mijn nakie de tent opzetten? Wel een raar gezicht als je met je bleke reet hemelwaarts gericht de piketten aan het inslaan bent, niet?”
“Dramatiseer alles toch niet zo, Menck. Wie weet is er wel een soort receptie met kleedkamertjes. Je schrijft je in en je kleedt je uit. Zoiets.”
Normaal zou ik bij een dergelijke uitspraak hardop beginnen te schaterlachen, doch thans plooiden mijn mondhoeken zich nog pertinenter neerwaarts.
“Zou de receptioniste gekleed zijn?” ging ik verder. “En zal ze ons dan grijnzend staan aanstaren achter haar desk, gehesen in een of ander stijfdeftig uniformpje? Stel je voor zeg! En ik mag het niet dromen dat ik naakt om boodschappen gestuurd word naar de shop op die camping. ‘Doet u mij maar twee eieren, een bakje pruimen en een Zwanworstje.’ Waar laat je overigens je portemonnee op zo’n moment?”
Mijn madam zuchtte luid en lang. “Je dramt door, schat. Het zal allemaal wel meevallen.”

En jawel, het viel effectief mee.
Want even voor de middag kleurde het uitspansel gitzwart en liet het een schier onafgebroken reeks fikse hoosbuien op ons los. Drie kwartier later belde buurvrouw om te melden dat de camping blank stond en er geen doorkomen aan was.
“Wat verrekte jammer nou,” gaf ik haar mee, de telefoon tussen kin en schouder gekneld houdend wijl ik met beide armen wild gesticulerend een victoriegebaar maakte. Madam Menck liep daarop snel de keuken in alwaar ze haar onderdrukte proesten clara voce de vrijheid gaf.

Koffie Verkeerd

Langzaam worden haar handen warmer. Ze houdt ze als een nestje rond het porselein gevouwen.
My man…,” fluistert ze, “… it’s my man. He’s no hero out of books, but I love him.”
Vervolgens neuriet ze zacht. En glimlacht bij de herinnering.
Billie Holiday.
De LP was de bezegeling van hun liefde geweest.
Er valt een traan op haar schoot. Ineens.
Een wijl staart ze wezenloos naar het vlekje verdriet op haar jeans.
“Hondenleven.”
Vier lettergrepen.
“Hon-den-le-ven.” Elke syllabe kort, bits en afgemeten.
Ze schrikt van de hardheid in haar stem, proeft nogmaals traag het woord, smaakt opnieuw de bitterheid en rilt.
Ze giet de rest van haar (vijfde? zesde?) French coffee in de gootsteen en plaatst de kop omgekeerd op het aanrecht. Daarna schuift ze hem traag tot tegen de vaalgroene faiences terwijl ze de deplorabele eenzaamheid van de keuken in ogenschouw neemt. Buiten is het licht flets en binnen worden de schaduwen langer. De zomer is welhaast onmerkbaar overgegaan in de herfst.
Achttien jaar, verdomme. De woorden blijven onuitgesproken.
“Achttien jaar is té lang”, grinnikt ze.
Mijmeren, huilen, boos worden en dan grinniken; het overkomt haar steeds vaker de laatste tijd.
Ze trekt resoluut het vleesmes uit de houder, wikkelt het in de plooien van haar wijde fleece en stapt gedecideerd de trap op.
“Schat?”
Maagzuur.
Ze moest maar eens voortmaken.