Categorie: Column

Het vuur van de herfst

Op het moment dat het meisje een handvol polychrome herfstblaadjes hemelwaarts stuurde, lachte ze uitbundig. Meteen bukte ze zich om het tafereeltje te kunnen herhalen. En nog eens te herhalen. Toen riep haar mama dat het genoeg was geweest en dat oma wachtte met de koffie.
“Ik lust geen koffie”, protesteerde de uk – ik schatte haar vier of vijf – wijl ze door de knieën ging om een nieuwe schep bont geschakeerde blaadjes te vergaren.
“Oma heeft ook lekkere koekjes”, trachtte de moeder haar dochter te verleiden.
“Ik lust geen koekjes,” kraaide de kleuter opstandig. Ze gooide haar verzamelde bladerbuit boven haar hoofd en sloot de ogen toen de blaadjes op haar kruin en schouders neerdwarrelden.
“Nú, Lore.” Mama’s geduld was duidelijk op. Ze keerde op haar stappen terug en trok haar inmiddels alweer gehurkte dochter aan haar mouw recht. Het kind stampvoette en zette haar meest overtuigende pruillip op. Zulks sorteerde een averechts effect, want moeder gaf haar ongehoorzame gebroed een klinkende oorveeg. Ik verwachte thans luidkeels gehuil, maar dat bleef wonderwel uit. In de plaats daarvan trakteerde de kleine haar moeder op een stevige trap tegen het rechterscheenbeen. Mam hinkelde verbouwereerd een halve meter achteruit, herpakte zich en doneerde haar eigen vlees en bloed een welgemikte vuistslag op de neus. Daar had Lore niet van terug; ze barstte in onbedaarlijk snikken uit.
“Waar is je zakdoek? In je jaszak? Je bloedneus zal zo meteen nog je daim jasje besmeuren en dat wil ik niet. Kom op, Lore, geef me vlug je zakdoek.”
“Ik snik heb snik hem snik niet snik bij.”
“Wát? Je hebt hem niet bij? Vanmorgen heb ik je toch uitdrukkelijk gevraagd om een zakdoek mee te nemen, weet je nog? En waarom deed je dat dan niet?”
“Ik ben het vergeten.” De tranen liepen nu in dikke meanderende stroompjes over haar wangen.
In een pedagogische reflex offreerde de moeder haar koter nóg een klets. Die was beduidend harder dan de vorige, want het kind wankelde een tel. Gek genoeg hield het huilen abrupt op.
Moederlief bukte zich, plukte een groot rood amberboomblad uit de berm en hield het haar dochter voor. “Veeg hier maar je neus mee af. En o wee als er ook maar één druppel bloed op je jasje belandt.”
Lore gehoorzaamde gedwee. Of murw, dat kan ook.

Ik had het lieflijke straattafereeltje gadegeslagen vanuit de tuin waar ik aan het werk was, leunend op de handgreep van mijn grasmaaier. Doch thans wendde ik mijn hoofd af; de duisternis zou alras vallen en ik had nog een partijtje gazon te kortwieken. Met een gezwinde ruk trok ik de benzinemaaier in gang. Ik zag nog net hoe moeder en dochter, opgeschrikt door het plotse lawaai waardoor ze ineens mijn aanwezigheid constateerden, snel hun weg vervolgden.

Om u maar te laten weten dat ook ik mateloos van de versicolore herfst heb geproefd deze week. Bij momenten was ik zelfs, net als Lore, tot tranen toe geroerd om zoveel moois. Want wat een heerlijk seizoen is dit toch.

> Check it vooral out, folks! <

Camera Mystica | deel 4 (slot)

[ Deel 1: KLIK  |  Deel 2: KLIK  |  Deel 3: KLIK ]

“Tim! Verdomme, klootzak, laat me hieruit!” Ze bewoog de klink een paar keer op en neer. “Tim!”
Vervolgens liet ze zich op haar bed neervallen, plantte haar gezicht diep in het kussen en barstte in een hevig gesnik uit.

Sylvie richtte zich op toen ze Tim door de hal hoorde rennen. De voordeur werd ruw dichtgetrokken.
Ze bleef bewegingsloos en met ingehouden adem luisteren. Een fractie later hoorde ze hem zijn wagen starten en met loeiende motor optrekken.
Ze stond op en ging voor de computer zitten. Weer voelde ze tranen opwellen. Tim leek wel zichzelf niet meer. Zo had ze hem nooit eerder meegemaakt. Wat ze gevoeld had, wat ze gezien had, was pure en onversneden haat. Jegens haar? Omwille van die klotefoto’s? Dat hij daardoor schier buiten zijn zinnen was geraakt van woede, beangstigde haar meer dan wat ook.
Tim had de DVD niet meegenomen, zag ze nu. Ze duwde de lader dicht. Chubby zoemde even en gaf dra het fotomenu weer. Door een waas van tranen zocht ze de foto die ze als laatste had geopend. Het gezicht van Carolien verscheen schermvullend.
“Misschien kloppen die Exif-gegevens niet”, bedacht ze hardop hoewel het haar onwaarschijnlijk leek. Tim zou nooit zo zijn uitgevallen tegen haar mocht ze hem daar niet opmerkzaam op hebben gemaakt.
Ze klikte de volgende thumbnail aan. Op deze foto herkende ze meteen het atelier van Geoffreys funerarium. De belichting was niet bijster geslaagd. Op een lage aluminium werktafel ontwaarde ze een open kist. Sylvie zoomde wat in.
“O shit!” prevelde ze plots met een van angst overslaande stem. Ze herkende direct de kist waarin Carolien was begraven. Ze rolde ongewild de bureaustoel wat van het scherm weg en sloeg in een reflex haar handen voor haar mond. De kist was leeg. Was dit een reportage over het kisten van Carolien? Was Carolien al dood op de vorige foto?
Een intense rilling beroerde haar rug. Ze wist dat ze verplicht was om de rest van de foto’s te bekijken, hoe zwaar haar dit ook viel. Traag rolde ze de stoel terug richting pc. Met een nerveuze muisklik opende ze de volgende foto.
Weer de kist. Maar nu…
“Wat is… wat is dit?” stiet ze vol ongeloof uit. Sylvie staarde naar Caroliens kist waarin een hoogbejaarde en haar compleet onbekende man lag opgeborgen.
Op de volgende foto zag ze hoe Geoffrey het deksel al half op de kist had geschoven. Hij keek daarbij breed grijnslachend in de lens. Ze sloot deze foto en klikte meteen de ernaast staande thumbnail aan. Op dat moment verstijfde Sylvie.
“O nee! O! Nee!” Ze voelde warme tranen over haar wangen stromen. Vol ontzetting staarde ze naar het scherm. De kist was gesloten. Op het deksel lag de bloemenkrans met het paarse zijden lint waarop Caroliens naam stond. De foto liet een stuk van het belendende deel van Geoffreys atelier zien. Sylvie zag nog net de matte aluminium tafel waarop Geoff de overledenen aankleedde en maquilleerde alvorens ze werden opgebaard. Op die tafel lag het lijk van Carolien.
Sylvie ketste een kreet van afschuw tegen haar scherm. Ze duwde zich af aan haar computertafel en rolde een meter achteruit.
Dan begon het haar te dagen.
“O God, nee…” Ze sprong op en begon hyperventilerend door de kamer te ijsberen. De tranen stroomden nu rijkelijk over haar wangen.
“O shit, o shit, o shit! Dit is niet waar. Het màg niet, het kan niet…”
Sylvie stapte naar de deur en begon als een razende aan de klink te rammelen. Daarna stampte ze hard tegen het eikenhout. Ze voelde een gil opwellen. Ze moest hier weg. Nu. Pas toen zag ze Tims gsm liggen op haar tafel. Meteen herinnerde ze zich dat hij hem daar in al zijn blinde woede had neergegooid.
“Hij is zijn gsm vergeten”, stamelde ze, ieder woord kauwend als om te proeven of het wel echt was wat ze zag. Met een snelle uithaal griste ze de telefoon van haar bureau en toetste zenuwachtig 101.
In een waterval van woorden, tranen en snikkende uithalen deed ze in één ruk haar verhaal. De dienstdoende agent onderbrak haar slechts tweemaal om haar iets te laten verduidelijken. “Komt u alstublieft zo snel mogelijk hierheen!” beëindigde ze haar woordenstroom.
“Blijf waar u bent, mevrouw”, raadde de diender haar vervolgens geheel onnodig aan. “We komen onmiddellijk naar u toe.”

Sylvie drukte de gsm af, legde hem terug op haar bureau en liet zich op haar bed zakken. Ze keek op haar horloge. Daarna greep ze naar haar Marlboro’s. Met bevende handen stak ze een sigaret op. Ze trok eraan alsof het haar allerlaatste saf was. Toen de paffer half opgerookt was, duwde ze hem uit in de glazen reclameasbak. Weer keek ze op haar horloge. Er waren amper twee minuten verstreken.
En dan hoorde ze hoe er een sleutel in de voordeur werd gestoken. Ze herkende Tims stem, onmiddellijk gevolgd door die van Geoffrey.
‘O shit’, schoot het door haar hoofd. ‘Niet nu al.’
“Sylvie?” Tim riep luid vanuit de hal.
“Tim! Laat me hier uit!”
“Blijf jij nog maar even waar je bent!” De deur naar de woonkamer werd dichtgetrokken.
Tim en Geoffrey waren nog niet zo lang binnen toen de bel ging. De woonkamerdeur ging terug open. Tims kenmerkende geslof weerklonk in de hal.
“Meneer Dewaele?” Een diepe mannenstem bereikte gedempt Sylvie’s oren. Ze posteerde zich meteen met haar hoofd tegen de kamerdeur om de conversatie beter te kunnen volgen.
“Eh, ja.”
“Mogen wij even binnenkomen?”

* * *

“Nog wat koffie, Sylv?” Helena hield de porseleinen pot voor haar gezicht.
“Eh, ja, graag. Doe maar.”
Ze waren net terug van de begrafenis. De dienst had in besloten kring plaatsgevonden. Een hele harde noot om kraken was het geweest. De politie had omstanders uit de buurt gehouden.
“Carolien heeft eindelijk rust gevonden.” Sylvie staarde wezenloos in haar koffiekop.
“Ja schat, dat heeft ze.” Helena kwam naast haar zitten en sloeg een arm om haar schouders. Sylvie barstte in een onbeheerst snikken uit.
“Al die jaren… Al die jaren was Tim verliefd op haar. Ik zal hier nooit overheen raken. Nooit, dat weet ik gewoon. De klootzak, verdomme!”
“Dat zal zijn tijd nodig hebben, Sylv,” suste Helena haar terwijl ze haar tegen zich aantrok.
“Kun je je voorstellen dat hij haar voor altijd bij zich wilde houden, Helena? Al-tijd! Kun je je dat in ’s hemelsnaam voorstellen?” Een nieuwe, intensere huilbui bood zich aan.
“En Geoff is volledig medeplichtig”, ging Sylvie verder. “Alleen hij kon Carolien bewaren. Hij wist hier al die tijd van, Helena. Al die tijd smeedden die twee verdomme een afgrijselijk complot!”
Sylvie huilde met lange uithalen. Helena stond op. “Wil je, eh, iets sterkers om te drinken, Sylvie? Het zal je wat kalmeren.”
Even hield het snikken op.
“Ja”, zei ze plots gedecideerd. “Ja, geef mij maar iets heel sterks, Helena.”

Helena reikte Sylvie stilzwijgend een grote bel cognac aan. Zelf had ze er zich ook een uitgeschonken. Ze stak haar glas uit naar Sylvie.
Sylvie keek Helena diep in de ogen. Traag bracht ze haar glas tot tegen dat van haar vriendin. Met roodomrande ogen en een van woede en pijn natrillende stem, bracht ze een vastberaden toost uit.
“Op de scheiding, Helena. Op de scheiding.”

Camera Mystica | deel 3

[ Deel 1 vindt u hier, deel 2 dan weer hier. ]

Shit! Tim!’ flitste het door haar hoofd. In paniek reikte Sylvie naar de knop van haar scherm en stootte daarbij de lege theekop naast haar klavier om. Hij rolde van haar tafel en viel met veel kabaal in wild wegspattende scherven uiteen op de vloer.
“Schat?” klonk het vanuit de hal.

 
Ze hoorde Tim de trap ophollen. De kamerdeur vloog open.
“Wat gebeurt er hier?” Tim voelde scherven onder zijn zolen kraken en zette instinctmatig een stap achteruit.
“Ik… ik liet mijn theekopje vallen.” Sylvie voelde hoe het bloed haar naar de wangen steeg. Ze blikte snel even opzij; het scherm was uit.
“Dat zie ik, ja. Wat was je aan het doen?” Terwijl hij die vraag stelde, hurkte hij neer en begon met zijn handen de scherven bijeen te vegen.
“Ach, laat maar, Tim. Dat doe ik wel. Ik haal even stoffer en blik.” Sylvie manoeuvreerde snel voorbij Tim die thans op zijn knieën in de deuropening zat. Hij keek niet op. Ze haastte zich naar de berging, griste de half onthaarde handborstel en het felblauwe plastic blik van het schap en liep terug naar de hal. Aan de spiegel hield ze even halt. Ze zag er verwilderd uit. Haar hoofd was nog steeds bloedrood.
‘Rustig, Sylvie. Er is niks aan de hand. Je hebt gewoon een kopje gebroken, dat is alles’, suste ze zichzelf, terwijl ze haar weerbarstige haar terug in de plooi trachtte te schudden. Dat lukte slechts ten dele. Ze legde de stoffer en het blik op de grond en bracht haar beide handen naar haar wilde haardos om ze als geïmproviseerde kam te gebruiken. Meteen zag ze er een stuk normaler uit. Ze voelde zich terstond kalmer worden.
Nadat ze haar veegattributen had opgeraapt, stapte ze traag de trap op. Ze was nog niet helemaal boven toen ze merkte dat Tim haar stond op te wachten in de deuropening.
“Klaar om scherven te vegen, schat?” sprak Tim haar rustig toe.
Ze keek hem aan, hief even de stoffer en het blik in zijn richting en wilde hem passeren.
“Wacht eens even, Sylvie.” Hij legde een hand op haar schouder.
“Wat is er?”
“Wat was je aan het doen daarnet? Voor ik binnenkwam, bedoel ik.” Hij vroeg het met een stem die van alle intonatie was gespeend. Dat monotone spreken van hem kende ze; het betekende onheil.
“Ik… ik was op de pc bezig. Ik had net een mail naar Helena gestuurd”, loog ze. Ze hield haar stem zo rustig mogelijk.
“Kom jij hier scherven vegen, Sylvie, of kom je ze lijmen?” beet hij haar plots veel luider toe.
“Ik weet niet wat…”
“O nee? Weet je dat écht niet, schat? Denk eerst eens goed na en kijk vervolgens eens dáár naar.” Tim zette een stap terug zodat Sylvie zicht kreeg op haar pc. Verschrikt zag ze dat haar scherm terug aangezet was. Ze keek recht in het gezicht van Carolien. Van pure ontsteltenis liet ze het kuisgerief uit haar handen vallen.
“Tim, sorry… ik… ik kan alles…”
“Ga zitten. Op het bed.” Zijn woorden klonken kalm, kil en afgemeten.
Ze stapte de kamer binnen en ging meteen neerzitten.
“Hoe, maar in godsnaam hoe! kom! jij! hier! aan!” siste Tim tussen zijn opeengeklemde tanden.
Ingehouden woede, dàt hoorde ze. Hevige ingehouden woede. Hij stond nu vlak voor haar. Zijn ogen boorden zich diep in de hare.
“Van de pc-verkoper”, zuchtte ze gelaten.
“Wat? Maak me verdomme geen blaasjes wijs, Sylv!”
“Maar het is écht zo. Kijk dan zelf; het schijfje steekt nog in de lader.”
Tim boog zich meteen naar de pc en drukte op de ejecttoets. De DVD kwam prompt tevoorschijn geschoven. Meteen verdween Caroliens gezicht van het scherm.
“Heeft die oen van een computerlulletje je dat echt meegegeven?” brieste Tim terwijl hij met het schijfje voor haar neus wapperde.
“Vraag het hem zelf als je me niet gelooft.” Ze merkte dat ze nu zélf haar stem begon te verheffen.
“Je hoeft niet zo te schreeuwen, trut! Dat geeft jou nog niet het recht die schijf dan ook maar te gaan bekijken!”
Trut? Had-ie echt trut tegen haar geroepen? Ze gaapte hem vol ongeloof aan.
“Wat is hier in ’s hemelsnaam gaande, Tim?” Ze voelde zich ineens ijzig kalm worden terwijl ze zijn blik vasthield. “Waarom maakte je al die foto’s van Carolien? En waarom mag ik daar niks van af weten?”
“Dat gaat jou geen ene moer aan, Sylv, geen ene verdomde moer!” Tim schuimbekte thans van woede.
Sylvie verroerde zich niet en bleef hem doodgemoedereerd in de ogen kijken.
“En dan nóg iets, Tim”, repliceerde ze beheerst. “Hoe kan het dat jij Carolien fotografeerde haar dood?”
Tim trok haar bureaustoel achteruit en liet zich erop vallen. Hij wilde haar iets zeggen, maar zijn mond maakte slechts enkele happende bewegingen alsof hij een goudvis was die zonet uit zijn bokaal was gesprongen. Vervolgens trok hij zijn gsm uit zijn broekzak, beroerde snel enkele toetsen en bracht het toestel naar zijn oor. Hij bleef Sylvie aankijken.
“Geoff? Tim hier. Kom je meteen eens naar hier?”
“…”
Nù, Geoffrey. Onmiddellijk!” Hij haakte in en gooide zijn gsm op de computertafel. Met een ruk stond hij op, liep de kamer uit, gooide de deur met een harde klap dicht en draaide de sleutel om.
Sylvie sprong ogenblikkelijk recht, snelde naar de deur en trok eraan. Hij had ze effectief gesloten.
“Tim! Verdomme, klootzak, laat me hieruit!” Ze bewoog de klink een paar keer op en neer. “Tim!”
Vervolgens liet ze zich op haar bed neervallen, plantte haar gezicht diep in het kussen en barstte in een hevig gesnik uit.

[ Het vierde en tevens laatste deel wordt u dit weekend geserveerd. ]

Camera Mystica | deel 2

[ Wie het eerste deel heeft gemist, of het nog eens wil herlezen: u vindt het hier. ]

Toen ze de eerste foto opende, leek het alsof alle lucht door een reuzenvuist uit haar longen werd geperst. Sylvie’s mond viel open.

Op haar scherm verscheen, in een loepzuivere zwart-witweergave, haar beste vriendin Carolien. ‘Facial Shot Front’ stond eronder.
Carolien, met wie ze lief en leed had gedeeld. Carolien die ze meer dan twintig jaar geleden had leren kennen. Carolien die zich, twee weken geleden pas, van het leven heeft beroofd. Een overdosis slaappillen. Voorheen had ze vier pogingen ondernomen.
Het was opvallend dat Sylvie zich elke morgen de dromen over Caroliens begrafenis zo gedetailleerd herinnerde, terwijl ze andere dromen slechts in flarden of helemaal niet voor de geest kon halen. Ze was er kapot van geweest.
“Wanneer heeft Tim Carolien in godsnaam gefotografeerd?” Ze sprak de woorden luidop en afgemeten voor zich uit. Geen enkel moment had Carolien haar over een fotosessie verteld. Dat zou ze zonder meer gedaan hebben; ze hield niks voor Sylvie verborgen. Zij trouwens evenmin voor haar.
Ze klikte de tweede foto open. Weer een zwart-witopname, dit keer van opzij. ‘Facial Shot Left’.
Toen bemerkte Sylvie de kasjmieren sjaal die ze Carolien als verjaardagsgeschenk had gegeven. Ze was er lyrisch over geweest. De dag erop was ze dood. Net veertig geworden, stond er in de rouwadvertentie. Nu droeg ze de sjaal op deze foto’s.
“Maar dat kán gewoonweg niet!” Sylvie vergrootte het beeld wat. Het was wel degelijk de sjaal die ze haar had geschonken.
“Ik moét Tim bellen.” Ze veerde van haar stoel op maar ging meteen weer zitten. Ze bekeek de foto wat aandachtiger en klikte ook de eerste weer open.
“Waar zijn deze foto’s genomen, Chubby? Wannéér zijn ze genomen?” Chubby zoemde slechts monotoon.
Carolien had haar ogen dicht. Op haar lippen speelde vaag een glimlach. En hoewel het geen kleurfoto’s waren, kon Sylvie duidelijk merken dat ze zwaar gemaquilleerd was.
Ze klikte meer foto’s open. Allemaal gezichtsopnames. Allemaal zwart-wit. Allemaal erg gelijklopend, op een andere belichting en invalshoek na. Telkens kwam de sjaal prominent in beeld.
“Maar dit kán toch niet, verdomme!” schreeuwde ze opnieuw naar het scherm terwijl ze haar vuist hard op het tafelblad liet neerkomen. Ze stond op, gooide geagiteerd haar kamerdeur open en liep de trap af.

Het was muisstil in het kleine kerkje toen vier dragers de blankhouten kist tot vlak voor het altaar brachten. “Who wants to live forever”, zong Freddie Mercury vol overgave, ondertussen zelf neerblikkend vanuit de hemel.
Geoffrey had het moeilijk, merkte Sylvie door haar tranen heen. Zijn eer van waardig begrafenisondernemer nam echter de bovenhand, al had hij alle moeite van de wereld om zich sterk te houden. Ze zag hem even naar Tim blikken. Haar man boog meteen huilend zijn hoofd. De kist werd neergezet.

“Helena? Met Sylvie. Ik heb een vraagje voor je. Ik ben hier door wat oude foto’s aan het bladeren op de pc. Nu vraag ik me af of het mogelijk is om op de een of andere manier te checken wanneer die genomen zijn. Als fotografe kun jij me daar beslist mee helpen.”
“…”
“Eh, nee, ik kan Tim momenteel niet bereiken, en dus dacht ik: ik vraag het maar even aan Helena.” Sylvie hoopte dat haar geforceerde lachje wat geloofwaardig zou overkomen.
“…”
“En dat doe je door rechts op de foto te klikken? Ja, ik geloof wel dat Tim zoiets geïnstalleerd heeft, nu je de naam vermeldt.”
“…”
“Zeg, je bent een schat. Van harte bedankt, ik ga dat meteen eens uittesten. Doei.”
Sylvie liet haar telefoon in haar handtas glijden en haastte zich meteen weer naar boven. Op de eerste foto van Carolien klikte ze rechts en koos ze vervolgens voor Exif. Het menu dat opensprong gaf een schat aan informatie vrij. Ze zag dat Tim de EOS 5d mark III had gebruikt en die had aangewend op…
“… de vijfentwintigste? Maar hoe… hoe kan dát nu? Die gegevens raken kant noch wal!”
Ook de Exif-gegevens van de andere beelden in de reeks gaven aan dat de foto’s genomen waren vier dagen de begrafenis.
Ze hoorde hoe iemand een sleutel in de voordeur stak. Vervolgens weerklonk er gehoest.
‘Shit! Tim!’ flitste het door haar hoofd. In paniek reikte Sylvie naar de knop van haar scherm en stootte daarbij de lege theekop naast haar klavier om. Hij rolde van haar tafel en viel met veel kabaal in wild wegspattende scherven uiteen op de vloer.
“Schat?” klonk het vanuit de hal.

[ wordt vervolgd – nog twee afleveringetjes to go ]

Camera Mystica

“Soms gebeurt het dat bij het overzetten van de foto’s niet alle bestanden worden meegenomen. Normaal gezien moet alles in orde zijn, maar op zeker spelen kan natuurlijk geen kwaad. Daarom kopieer ik vooraf eerst alles naar een DVD. Die krijgt u uiteraard mee.”
Sylvie nam de DVD van de verkoper aan. Het schijfje stak in een doorzichtige hoes.
“Dus… eh, als ik het goed begrijp, staan hierop alle foto’s die zich ook op de laptop bevinden?”
“Ja, allemaal. Het aantal foto’s was gelukkig niet immens groot. Indien u merkt dat er op uw harde schijf foto’s ontbreken, kunt u ze vanop deze drager eenvoudig terugzetten.”
“Nou, dat is erg fijn. Dankuwel.”
“Zonder dank. Vergeet uw nieuwe laptop niet, mevrouw.” De verkoper lachte haar minzaam toe toen hij zag dat ze aanstalten maakte om de winkel te verlaten zonder de aankoop.
“Oeps. Het lijkt wel alsof ik met mijn hoofd in de wolken loop. Sorry. En nogmaals bedankt.”
Sylvie nam de laptop van de toonbank, liet de DVD in haar tas glijden en spoedde zich naar buiten. ‘Oh! My! God!’ schoot het door haar hoofd, terwijl ze naar haar autosleutel zocht. Had ze werkelijk alle foto’s van Tim op een DVD? Die foto’s die hij al die tijd stiekem had genomen, die hij angstvallig vergrendelde met codewoorden en doodzweeg als de pest? Die foto’s had ze nu ineens allemaal op één enkel stom schijfje.
“Yes!” kreet ze luid, terwijl ze de sleutel in het contact stak. En uiteraard zou ze Tim het bestaan van het schijfje verzwijgen. Ze zette de wagen in zijn eerste en gaf plankgas.

“Op het eerste gezicht lijkt alles dik in orde”, glunderde Tim toen hij naar beneden kwam. Meteen nadat Sylvie was thuisgekomen, had hij de laptop geïnspecteerd. Daar was hij zowat anderhalf uur mee bezig geweest. Het was een ongeschreven regel dat hij dan liever geen pottenkijkers rond zich had, dus had ze maar wat aangerommeld in de keuken.
“Staan al je foto’s erop?” informeerde Sylvie langs haar neus weg.
“Ja. Wat eten we straks?”
Nee, Tim, het valt heus niet op dat je het onderwerp uit de weg gaat. Heus niet. Sylvie trok geërgerd een stuk keukenpapier van de rol en snoot haar neus.
“Kweenie. ‘k Heb nog niks voorbereid. Zal ik frieten halen? Of wil je liever…?”
“Laat maar. Ik moet toch meteen naar Geoffrey toe.”
“Oh? daar wist ik helemaal niks van af.” Ze gooide de papierprop in de pedaalemmer en staarde hem vragend aan.
“Niks speciaals hoor. Maar ik had Geoff beloofd om hem mijn nieuwe machine te laten zien van zodra ik ze had. Hij gaat uit zijn dak, ik zwéér het je.”
Tim verkneukelde zich zichtbaar op zijn op til staande ontmoeting met Geoffrey. Hij en Geoffrey. Altijd maar weer Geoffrey. Tim was de laatste tijd meer bij hem dan bij haar. Ze had er het raden naar wat die twee samen bedisselden. Eén keer had ze ernaar geïnformeerd. Toen had Tim haar toegesnauwd dat ze twee fotoamateurs zijn met grootse plannen. En dat ze het te zijner tijd allemaal wel zou zien.
“Dan eet ik wel een boterham.”
“Doe dat. Dag schat.” Hij kuste haar vluchtig op de mond en liep de hal in. Wat later hoorde ze hem de voordeur dichttrekken. Ze wachte nog even tot ze de motor van zijn wagen hoorde aanslaan en ging toen naar boven.

Chubby zoemde luid. Chubby was haar pc, een eenvoudige desktop. Ze had hem zo genoemd omdat hij verschrikkelijk dik afstak tegen de slanke laptop van haar man. En nu Tim een nieuw model bezat, zou Chubby zijn naam meer dan ooit eer aandoen.
Ze diepte de DVD uit haar tas op, opende de DVD-lader en legde het schijfje erin. Met een kort duwtje schoof ze het ding terug dicht. Daar was Tim altijd misnoegd over. “Die dingen hebben een knop waarmee je ze dicht kunt doen, Sylvie!”
Op haar scherm verscheen een schijficoontje. De DVD-speler was aan het opstarten.
Sylvie greep naar het pakje Marlboro op haar bureel. Zenuwachtig stak ze een sigaret op. Ze voelde zich als een veertienjarige die kon betrapt worden op masturberen. Indien Tim zou weten dat ze nu zijn foto’s in haar bezit had, zou hij woest worden.
“Laten we maar eens uitvissen waarom, Chubby.” Ze blies een wolk grijzige rook richting haar zacht zoemende vriend. Op het scherm sprongen talloze icoontjes van fotomappen open. Iedere map was netjes voorzien van een titel. De mappen waren bovendien alfabetisch gerangschikt.
‘Typisch Tim’, dacht ze terwijl ze dubbelklikte op de map ‘Expressions’ die helemaal bovenaan stond. Een twintigtal kleine fotootjes sprongen open.
“Dat zijn thumbnails, Chubby. Zie je dat? Daar moet ik op klikken om…”
De eerste foto gaf een oudere vrouw weer die haar nors aanstaarde. De rimpels om haar ogen waren diepgegroefd. Haar huid had een vaalgele teint.
“Maar… Maar enfin, dat is verdommer Aurélie. Hoe…?” Sylvie klikte op de foto waardoor die het maximumformaat aannam. Haar buurvrouw blikte haar nu zo mogelijk nog norser aan.
“Hoe heeft Tim Aurélie in ’s hemelsnaam zo ver gekregen?”
Ook de tweede foto was er eentje van haar. Hierop lachte ze met open mond.
“Wow, Chub, onze Aurélie heeft nog welgeteld drie tanden. Maar kijk nu toch eens!” Sylvie schaterlachte. Aurélie stond genoegzaam bekend als een niet te benaderen vrekkig vrouwmens. Met niemand uit de buurt had ze contact. Voor zover Sylvie wist, had ze een dochter die nog maar mondjesmaat op bezoek kwam.
“Djie-zus!” Ze keek vol ongeloof naar een derde foto van Aurélie die nu, haar hoofd deemoedig gebogen, in profiel was getrokken. Haar ogen waren gesloten. Ze wist dat ze Tim hier nooit zou kunnen over aanspreken. Haar nieuwsgierigheid was echter verschrikkelijk gewekt door deze opnames.
Sylvie sloot de map ‘Expressions’ en dubbelklikte vervolgens op ‘Facial’. Die handeling toverde dubbel zoveel thumbnails als daarnet tevoorschijn.
Toen ze de eerste foto opende, leek het alsof alle lucht door een reuzenvuist uit haar longen werd geperst. Sylvie’s mond viel open.

[ wordt vervolgd ]

In de maïs

De jongen strompelde naar buiten alwaar hij zijn armen met een brede, onhandige zwaai om het meisje sloeg.
“Kus me”, sprak hij haar lallend toe terwijl hij alle moeite van de wereld had om zich recht te houden. De hardcore uit de grote feesttent overstemde stampend zijn woorden zodat het meisje haar oor tot tegen zijn mond bracht.
“Kus me!” kreet hij nu in haar oorschelp. Meteen deinsde het meisje pijnlijk grimassend terug wijl ze over haar geteisterde oor wreef. Toch kuste ze hem onmiddellijk daarna vol op de mond. Hun beider lippen en tongen bespeelden elkaar meer dan een volle minuut zonder tussenpozen. Daarna maakte de jongen zich, enigszins naar adem snakkend en net iets te ruw, uit haar omhelzing los. Dat bracht het meisje aan het wankelen. Ze had reeds vier huisbereide cocktails achterovergeslagen en die kregen haar nu in hun greep.
“Laten we naar dat maïsveld gaan”, riep de jongen naar haar terwijl hij tabak op een vloeitje aan het schikken was. Met zijn hoofd maakte hij een knikbeweging richting het vijftig meter verderop gelegen veld.
“Waarom?” vroeg het meisje. Ze peuterde een sigaret uit haar verfomfaaide pakje Camel.
“Ik moet pissen.” Hij likte zijn sjekkie met een vloeiende beweging dicht en stak het tussen zijn lippen.
“Ik niet”, meesmuilde het meisje. Ze blikte hem, zo goed en zo kwaad als dat nog ging, brutaal in de ogen.
“Blijf dan hier. Ik moet.” Hij stak de brand in zijn sigaret en laveerde vervolgens naar het maïsveld. Na een tiental meter hielt hij halt, keek achterom en riep: “Kom je?”
Owkeej, ik kom al.” Haar zuchtend uitgesproken woorden bleven buiten het gehoor van de jongen, maar toch stak hij zijn duim naar haar op en waggelde daarna verder naar het maïsveld.

“Wat doe je?” vroeg het meisje toen ze uiteindelijk bij de jongen was aangekomen. Ze boerde luid en lachte vervolgens hardop.
“Ik ben die spin uit haar web aan het pissen.” Om zijn woorden kracht bij te zetten, begon hij hevig te heupwiegen. De urinedruppels spatten daarbij in het rond.
“Gètver, vuilak, je pist verdomme op je schoenen.” Ze deed een stap achteruit. De jongen minderde zijn bewegingen maar bleef plassen.
“Jij hebt heel de bar leeggezopen, zeker?” Opnieuw boerde het meisje luidop en weer moest ze daar vreselijk om lachen.
“Bwah. Een Leffe of tien. En twee Duvels. Maar pas op, ik ben niet zat, hè.”
“Nee, ik zie het.” Ze grinnikte. “Pff, ik anders wél al. Drie cocktails is mijn limiet. Ik heb er verdomme al vier binnen.”
De jongen was gestopt met plassen en ritste zijn jeans dicht. Toen hij zich naar haar wilde omdraaien, begon hij te wankelen. Het meisje zette een pas naar voor en sloeg haar arm om zijn schouders.
“Niet zat, zei je?”
“Nope, niet zat. Enkel wat, eh, in de wind.” De jongen nam het meisje bij de hand en trok haar in de maïs. “Kom.”
“Wat?” Ze hield hem staande met een ruk aan zijn arm.
“In de maïs zien ze ons niet, snap je?” Weer begon hij haar in het veld te dirigeren. Dit keer gaf ze, te dronken om zich nog veel te verzetten, toe en volgde ze hem.

“Er zitten hier toch geen beesten, hè?” Het meisje speurde enigszins onzeker in het rond. De volle maan liet de open plek midden in het maïsveld in een diffuus wit licht baden.
“Tuurlijk niet”, gaf de jongen haar zwaar zuchtend te kennen terwijl hij zich op zijn rug liet neervallen op een bussel platgestampte maïsstengels. Hij stak zijn beide armen naar het meisje uit. Ze glimlachte naar hem, nam zijn handen in de hare en vleide zich vervolgens naast hem neer.
De jongen draaide zich op zijn zij om haar gezicht te kunnen bekijken. Haar ogen waren gesloten.
“Je bent knap.” Zijn stem klonk allengs om onvaster.
“En jij lult”, suste ze hem.
De jongen liet zijn hand onder haar T-shirt glijden en begon haar borsten te strelen. Ze waren klein en stevig en dat beviel hem. Hij voelde haar tepels stijf worden.
Het meisje hield haar ogen gesloten, ook toen de jongen zich over haar heen boog om haar te kussen. Gretig zochten hun tongen elkaar. Al kussend ging de jongen op haar liggen en begon haar T-shirt omhoog te stropen.
“Mmmhf… wacht.” Ze duwde de jongen van zich af, ging rechtop zitten en met één vloeiende beweging gooide ze haar shirt af. Daarna knoopte ze haar bh’tje los. Ook de jongen trok zijn T-shirt uit.
Ze positioneerden zich op hun zij naast elkaar en lieten hun handen begerig over elkaars ontblote bovenlijf glijden. Nu en dan wisselden ze kussen uit, opgewonden hijgend. De jongen ritste haar jeans open en liet zijn hand in haar slipje verdwijnen. Ze omklemde zijn arm ten teken dat ze er niet klaar voor was. Het meisje trok de jongen bovenop zich, sloeg haar armen om zijn nek en plantte haar lippen stevig op de zijne. Ze voelde hoe hij stijf werd en steeds heviger met zijn bekken over het hare begon te schuren.
“Mag die broek niet…?” probeerde hij.
“Ssst”, suste ze hem. Haar mond zocht opnieuw de zijne.
Ineens plaatste de jongen zijn handen naast haar hoofd en richtte zich met een ruk op.
“Ik… Ik moet…” Hij ging rechtop zitten. Het meisje zag hem plots spastische buikbewegingen maken, alsof hij stuiptrekkingen kreeg. Meteen daarop spoot een armdikke straal gelig braaksel haar richting uit en bedolf haar ganse bovenlichaam. Ze zette het op een gillen en nog voor ze zich kon wegtrekken volgde er een tweede braakselstroom die haar buik warm maakte.

***

Hé, waar is Dieter eigenlijk?” Tom leunde op de tapkraan terwijl hij Kevin schreeuwend de vraag toewierp.
Kevin knipoogde. “Ik heb hem met Jolien in de maïs zien trekken. Die twee zijn zich kostelijk aan het amuseren.”
Tom knikte en glimlachte schalks. “Ik zal alvast maar een pint voor hem tappen. Hij zal ze kunnen gebruiken.”
Beiden lachten hardop en gaven elkaar een high-five.

Motomutilatie

Boven zich hoorde ze stemmen. Wilden haar ogen nu maar open. Haar hersenen stuurden in volle hevigheid prikkels naar de rest van haar lichaam, maar het reageerde er niet op.
Ze herinnert zich dat haar moto aan het slingeren ging in die ellendig lange bocht en dat ze, haar machine niet langer meester, op een bushokje afstoof. Daarna was er (lang? even?) niks meer. Dat was een stuk beter dan het meerstemmige gemurmel dat nu van alle kanten op haar afkwam.
‘Wil iemand mijn helm afnemen?’ Ze sprak de woorden uit in haar hoofd. Haar lippen bleven gesloten. Haar mond voelde kurkdroog aan. Water. Water zou enorm welkom zijn.
In de verte hoorde ze een sirene loeien. Het geluid kwam haar richting op. Er weerklonk gejammer van een gsm. Dat beltoontje was vlakbij. Iemand ritste het borstzakje van haar lederen pak open.
“Hallo?” Het daagde haar dat het haar eigen gsm was die ze had gehoord. ‘Wie belt er? Wie neemt er op?’
Weer trachtte ze haar ogen te openen. Ze leken wel dicht gekleefd. ‘Waarom denk ik, hoor ik en kan ik niks doen, verdomme?’ Op haar wang voelde ze een traan lopen. ‘Ik huil toch niet? Nee toch?’
De sirene was nu vlakbij. Het geluid hield op. Ze hoorde autodeuren slaan, een deur openschuiven en gekletter van metaal. Een stem klonk ineens luid en geagiteerd.
‘Wil iemand me helpen opstaan?’ Niemand gaf antwoord. Er was alleen dat constante, enerverende gemurmel.
“Mevrouw, kunt u me horen?” Een man met een diepe basstem. Ze voelde dat hij haar arm aanraakte.
‘Ja, ik hoor u. Wilt u me alstublieft rechtop helpen?’
“Ze reageert niet, Alex. Haar ogen zijn gesloten. Ze ademt traag. Zwakke pols ook.”
Ze hoorde de man de woorden snel na elkaar uitspreken. ‘Hey, ik hóór jullie! Maar luister dan toch naar me!’ Ze voelde weer tranen over haar wang stromen. Haar hoofd werd opgetild en haar helm voorzichtig afgeschoven. Ogenblikkelijk streek de wind langs haar natte wangen. Wat voelde dat goed aan.
“Rudi, geef me die schaar eens. Plaats jij het mondmasker?”
‘Rudi. Mijn man heet ook Rudi.’ Ze probeerde nogmaals haar ogen te openen. Ze zag een streepje blauwe lucht. Ze zag schimmige omstaanders. Ze bewogen niet.
Ze voelde hoe iemand haar pak losser maakte. De grote schaar die snel door het leder heen sneed, merkte ze niet op. Opeens werd er een masker op haar mond geplaatst. Even maakte een lichte paniek zich van haar meester. Toen ademde ze dieper in.
“Ze heeft haar hoofd bewogen, Alex.”
“Da’s goed.”
“Mevrouw, kunt u me horen? Als u me hoort, beweegt u dan even met uw hoofd.”
De stem klonk aangenaam. Ze trachtte iets te zeggen, maar slaagde er weerom niet in enig geluid uit haar keel te krijgen. Ze knikte even met haar hoofd. Moeizaam.
“Prima, mevrouw. Houdt u zich maar rustig, alles komt goed. U hebt een ongelukje gehad.”
Een nieuw sirenegeluid zwol aan. ‘Het klinkt anders. Luider ook.’ Ze trachtte haar hoofd op te tillen, maar dat lukte niet.
“Blijft u maar liggen, mevrouw.” Alex weer. Hij nam even haar hand vast terwijl hij haar toesprak.
Een injectienaald drong haar arm binnen. ‘Waarom krijg ik een spuit?’ Geen reactie. Haar ogen werden ineens loom. De druk van het masker verminderde en ze voelde dat ze rustiger begon te ademen. ‘Dit is een zalig gevoel. Ik ben jullie…’

***

Ik draalde een wijl, vermande me toen en opende voorzichtig de deur. Leen zat rechtop in bed, haar rug door een groot kussen ondersteund. Meteen begonnen haar ogen te blinken toen ze me zag.
“Menck, jij volgt me ook overal hè.” Ze glimlachte flauw en moeizaam.
Ik legde de blos bloemen neer op het voeteneinde van het bed, stapte op haar toe en omhelsde haar behoedzaam, de slangetjes van het infuus zoveel mogelijk zwichtend. Stilzwijgend hield ik haar een tijd tegen me aangedrukt. Toen voelde ik haar lichaam schokken. Ze huilde.
“Hebben ze je al ingelicht?” Ze vroeg het stil.
Ik ging op de rand van haar bed zitten. Ze hield mijn hand in de hare en keek me met roodomrande ogen aan.
“Ik weet ervan, lieve schat.” Ik knikte en voelde me ronduit schaapachtig.
“Weg. Mijn linkerbeen is helemaal weg, Menck.” Prompt barstte ze weer in tranen uit. Ze huilde thans met lange uithalen. Ik trok haar zacht tegen me aan voelde mijn ogen vochtig worden.

No kidding!

Op de Grote Markt wandel ik richting Steenstraat, Brugge’s immer eivolle winkelstraat waar paardenkoetsen, bussen en auto’s zich moeizaam door een kleurrijke menigte van minstens tien nationaliteiten dienen te wurmen. Het overgrote deel van die mensenmassa bestaat uit Japanners. Lente, zomer, herfst of winter: de Jappen zijn er altijd. Alsof ze met de stad vergroeid zijn. Ach, met Jappen heb je doorgaans weinig problemen. Vandaar ook dat ik voor een Nissan opteerde.

Net als ik de Steenstraat wil inslaan, tikt iemand me op de schouder. Ik schrik even op, draai me om en kijk in de lachende gezichten van een koppel van middelbare leeftijd. Op beider buik bengelt een camera met een joekel van een lens.
“Sorry to frighten you, sir, but could you please tell us what building that is?” Australiërs. Het onmiskenbare ‘Crocodile Dundee’-accentje heeft hen verraden. De man wijst naar het belfort.
“That? Oh, that is Saint Salvators Cathedral,” maak ik hen met een uitgestreken gezicht diets. “Nice building, isn’t it?”
Ze knikken gelijktijdig terwijl ze in opperste bewondering het belfort aanschouwen. “It’s splendid!” verzucht de vrouw. Ze richt haar overmaatse lens op de statige toren en na twee droge klikken laat ze het fototoestel weer op haar buik belanden.
“Do you know when it was constructed, sir?” vraagt de vrouw me.
Ik omvat mijn met rechterhand behoedzaam mijn kin, kijk met enigszins toegeknepen ogen naar het belfort, richt mijn blik vervolgens weer op het koppel en zeg: “No.”
“Oh.” Haar stemtimbre verraadt teleurstelling.
“But…” – en hierbij steek ik mijn rechterhand met gestrekte wijsvinger op – “… I know who designed it.” Waarna ik plechtstatig knik.
Meteen klaren de Australische smoeltjes op. De vrouw diept een balpen en een kleine blocnote uit haar tas op en houdt zich klaar om zoveel wijsheid terstond neer te pennen.
“Who was that great, great architect, sir?”
“Let me write down his name for you.” Ik ontfutsel de vrouw blocnote en balpen, buig voorover en met het boekje op mijn bovenbeen pen ik hanenpootgewijs de naam neer. Daarna geef ik haar het blokje en de balpen terug.
Ze kijkt naar de naam, tuit haar lippen, ontspant ze weer, lijkt even op de letterbrij te kauwen om hem te memoriseren en zegt tenslotte “Pieter Asjhpe? Aspay? Eshp?”
“No, no; Pieter Aspe. That is: Pie-ter As-pe.” Ik beklemtoon elke lettergreep.
“So this Pie-ter As-pe designed this wonderful Saint Salvators Cathedral? Fascinating. When did he die?”
Van een bruuske wending gesproken.
“Oh, long time ago. He was dead before he knew it.” Ik gooi het er achteloos uit. “He died from lung cancer. He was a smoker, you know. Belga.”
“Terrible!” Ze lijkt echt met de arme Aspe mee te leven. “But his spirit lives on in this amazingly beautiful constructure.”
“What is Belga, by the way?” vraagt de man me plots.
“That, eh, is the name of the church in which Pieter Aspe was buried.” Terstond meet ik me een air van ongebreidelde kennis aan.
“Is that the building over there?” De man wijst naar de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal.
“No, sir, that’s the belfort of Bruges,” deel ik hem, geheel naar onwaarheid, mee. “It is the building over there. Thát is Saint Belga’s Cathedral.” Ik zwaai mijn arm de andere kant uit, richting Sint-Salvatorskathedraal.
Het koppel lijkt even in de war. Toch zijn mijn woorden nog niet koud of de vrouw heeft ze al neergepend.
Ik pluk mijn pakje sigaretten uit mijn achterzak. Een merk als een kathedraal. Ik hou het hen voor. “You want one?”
“No thanks, we don’t smoke.”
Ik steek de brand in mijn saf. De vrouw laat het notablokje terug in haar tas glijden. Plots kijkt ze me recht in de ogen.
“Can I take a picture of you, sir?”
“Why?” vraag ik, dit keer geheel onwetend.
“Because you were such a wonderful guide. We’ll show your picture to our kids at home.”
Ineens overvalt me een gevoel van diepe schaamte. Ik heb deze ongetwijfeld lieve mensen ter eigen vermaak in het ootje genomen terwijl ze me nu, zich totaal van geen kwaad bewust, intens dankbaar bejegenen.
“Eh, look folks, it was all a graptjen,” probeer ik zwak.
“A what?”
“I mean, eh, it was my pleasure. That’s Dutch.” Een schaapachtige glimlach.
Haar camera laat twee klikken horen en daarmee is de leugenaar vereeuwigd. Ooit zal de waarheid hem achterhalen.
“What is your name, sir?”
“My name is Haas.”
“Haas?”
“Yes, Jan Haas.”
“Shall we send you the picture? Yes, let’s do that!” Weer diept ze haar notablokje op met de bedoeling mijn e-mailadres te noteren.
“Oh, but I don’t want to bother you,” breng ik enigszins stamelend uit.
“Don’t mention it,” repliceert de vrouw terwijl ze me een knipoog geeft. “It is really a graptjen.”

Een kemel geschoten

Onderstaand schrijfsel is, hoewel van mijn hand, geen bundeling van halve waarheden, fictie verweven met realiteit of een wild hersenspinsel. Dit stuk is je reinste objectieve verslaggeving van hoe het Ludo verging. Al zal hij het niet meer lezen, want the poor old chap is wijlen.

De tijding dat ouwe Ludo gestorven was, deed me wel wat. Ik heb altijd prima met hem kunnen opschieten, ook al gaapte er bij momenten een hemelsbrede kloof tussen ons. Hij was een mens van strikte principes terwijl ik in zijn ogen een onwereldse losbol was.
Als gepensioneerd brandweercommandant kon de norse beer als geen ander een stevige pint verzetten. Pas dan werd hij losser en grappiger en gooide hij – geheel onbewust, weliswaar – zijn strakke stelregeltjes even overboord. Trakteren deed hij pas nadat hij eerst zelf een stuk of wat glazen gerstenat achterover had gekapt. Ineens werd hij dan een allemansvriend, hoewel hij au fond zo stug was als het gemiddelde winkelkarretje in de Colruyt.
Op zo’n momenten stak hij doorgaans van wal over de grote passie in zijn leven: zijn vijver. Daar liep hij immer hoog mee op. Nogal onterecht, vond ik. Zijn vijver was een rechthoekige put die zowat drievierden van zijn stadstuintje inpalmde en bovendien volgestouwd was met ordinaire prullaria. U kent ze wel uit de tuincentra: een waterspuitende betonnen zeemeermin op de kant, drie fonteintjes die compleet verschillende straaltjes de hoogte instuurden en een handvol flesgroene polyester kikkers op wat lukraak neergelegde grote spierwitte keien. Kitsch in zijn zuiverste vorm, kortom.
Edoch, het water in zijn poel was helder als glas en zijn vissen waren ronduit prachtig. En vooral ook duur, want Ludo was een koiliefhebber. Voor zo’n beest had hij met gemak vijfhonderd euro veil. Als het maar voldeed aan wat hij omschreef als de regels van de Japanse koikunst. Het had iets te maken met de tekening op de vissenlijven, zei hij. En met de kleuren. Soit.

Ik herinner me nog levendig dat Ludo op zekere dag in zak en as zat aangaande zijn prijsbeesten. Ze bleken wekelijks in aantal te verminderen. Dat baarde hem, begrijpelijkerwijs, grote zorgen.
Aanvankelijk dacht hij aan diefstal. De laatste tijd kwam het in de regio steeds vaker voor dat ongure doch gewiekste sujets aan de haal gingen met dergelijke duren vissen en er een lucratieve zwarte handel in begonnen.
Op een morgen ontwaarde hij echter de werkelijke boosdoener: een reiger. Die olijkerd op stelten was net een vers koitje aan het verdonkeremanen. Volgens Ludo, die het schouwspel te verbouwereerd had gadegeslagen om de grote vogel alsnog te verjagen, geschiedde die handeling in slechts drie stappen: hap, slok en slik. Daarna was de reiger breed vleugelwiekend en likkebaardend opgestegen.

De dagen nadien had Ludo op vinkenslag gelegen. Vanuit zijn keuken, die uitkeek over de vijver, had hij van in alle vroegte geduldig zitten wachten op de gevederde rover. Tevergeefs. “Alsof zo’n beest me ruikt, Menck,” deelde hij me wat later mee.
Hij was daarna de zaken tactischer beginnen aan te pakken. Een bevriend koifanaat had hem de truc met de nylondraadjes van de hand gedaan. Die was Ludo vervolgens veelvuldig beginnen te spannen over en om zijn plas. Het was geen zicht. En vooral: het bracht geen zoden aan de dijk. Zijn vissen bleven verdwijnen. Ludo stond voor een raadsel. Feit was wel dat hij wist dat het beest zijn rooftocht onversaagd verderzette. Er lagen veren op de vijverrand. Er lag al eens wat poep in het water – “Dat geeft zo van die olieachtige vlekken, Menck” – en heel soms vond hij een koi die de reiger had laten vallen. Helaas iedere keer op het droge.

Ludo besloot om maar meteen de grote middelen in te zetten. In een smalle eikenhouten halkast bewaarde hij het jachtgeweer van zijn vader zaliger. Het verweerde doosje op het schap ernaast bevatte hagelpatronen. Daarmee laadde hij op een frisse woensdagmorgen het goed onderhouden wapen, installeerde zich ermee in de keuken, en wachtte. Dit keer zou hij niet versagen. Al moest hij een maand in zijn keuken kamperen: schieten zou hij hem, die rovende rotzak.
En u raadt het al: zo geschiedde. Na zes dagen werd zijn geduld beloond. Nog maar net was de indrukwekkende blauwe reiger neergedaald of Ludo legde aan. Hij mikte twee tellen en haalde daarna resoluut de trekker over. Met een luide knal stuurde hij een paar dozijn hagelbolletjes tussen de pluimen van de vissendief. Trillend zeeg de stakker neer. Vanuit de keuken steeg een luide juichkreet op.

“Ik heb hem onderuit gehaald, Menck!” gaf hij me die middag triomfantelijk mee aan de telefoon.
“Wie, wat, waar, Ludo?” viel ik compleet uit de lucht.
“Die gore klootzak van een reiger, natuurlijk. Wie anders?”
“Hoe heb je hem dat gelapt?”
“Ik heb hem neergeknald.”
“Je hebt wàt?”
“Ik heb die ellendeling neergelegd met het jachtgeweer van mijn ouwe.”
“Shit, Ludo, je meent het of wat? Wanneer is dat gebeurd?”
“Deze morgen.”
“En waar is dat beest nu?”
“Euh, ik heb het begraven. Achterin de tuin.”
“Volgens mij zijn die vogels beschermd, Ludo.”
“Kan best zijn, Menck, maar ik bescherm mijn vissenpopulatie. Met hand en tand.”
Met de belofte “er zeker ene op te drinken” haakte hij vervolgens in.

Arme Ludo. Zijn reigerperikel kreeg een staartje. Want een luttele drie dagen nadat de gevederde visdief het loodje had gelegd, werd er bij Ludo aangebeld. Twee mannen van de vzw Vogelbescherming dienden zich aan.
“Ze hadden een soortement van gps-toestelletje bij zich,” wist Ludo me naderhand verslagen te vertellen.
Ludo’s reiger bleek gechipt met een zendertje. Bovendien werd hij in het kader van een instandhoudingsprogramma, dat onder het beheer stond van het Vlaams Ministerie van Leefmilieu en Natuur, gevolgd door het tweekoppige team dat zich thans bij Ludo als dusdanig had geïntroduceerd.
Het duo had geconstateerd dat de door hen gevolgde reiger zich niet meer verplaatste en ging er dientengevolge van uit dat hij een nestplaats had gevonden. Of de geachte heer hier misschien een broedende reiger had waargenomen?
Dat had Ludo niet, nee. Al voelden zijn handen klam aan toen hij hun dat verkondigde.
De mannen stonden erop toch maar eens een kijkje te nemen in Ludo’s tuin. Hun toestelletje was naar eigen zeggen hoogst betrouwbaar en tot op de meter nauwkeurig.

Ludo viel zwaar door de mand. Een vers omgewoeld stukje tuin wekte in dezen behoorlijk wat argwaan.
“Driehonderd vijftig euro boete, Menck. Kun je je dat voorstellen? Voor een onnozele vogel, begot!”
Ontstemd zette hij hardhandig zijn lege Duvelglas op tafel neer. Dit keer liet hij mij nog een rondje bestellen.

[ Foto: Johan Verrips | aanklikbaar voor groter ]

Het hoofd verliezen

Hij knoopte het ene touwuiteinde aan de metalen dwarsverbinding en het andere knoopte hij dubbel rond zijn nek. Een strop die soepel zou schuiven, kreeg hij niet ineengeflanst. Hij had er thuis meermaals op geoefend met enkel een hoop ergernis tot gevolg. Daartoe had hij een dik kabeltouw gebezigd, een rol van twintig meter die hij zich ruim twee jaar geleden had aangeschaft. Om ooit eens te gebruiken. Ooit was vandaag geworden.
Het was een helse klim geweest daarnet. Op het motorgedeelte van de torenkraan stond te lezen dat de giekhoogte vijfendertig meter bedraagt. Hij had de rol touw over zijn hoofd geschoven en er één arm doorheen gewrikt. Zo was hij naar boven geklauterd. Naarmate hij hoger klom, had de wind hem steeds meer parten gespeeld. Nu hij gehurkt bovenop de kraanarm zat, bijna tegen het uiteinde waar het kabelwiel zich bevond, leek hij wel in een bulderstorm terechtgekomen.
De bouwwerf was slecht verlicht. En op het hoogste punt van zo’n kraan had je niks aan de straatverlichting. Hij wierp een blik naar beneden. De straatlantaarns leken oranjeverlichte speldenkopjes die uitwaaierden op het asfalt. Er was geen verkeer.
Hij schoorde zijn voeten op de beide dwarsliggers van de kraanarm en ging vervolgens traag en onzeker rechtop staan. Hij controleerde of het touw volledig ontwonden was, sloeg even zijn ogen ten hemel en zonder verder na te denken, zette hij zich af en sprong de gapende duisternis in.
Hij viel snel. Een lichaam in twintig meter vrije val. Na enkele seconden spande het touw zich strak. Waar hij, zoals zoveel dingen in zijn leven, geen rekening had mee gehouden, was met de touwlengte. Die was te ruim. Op het moment dat het touw de vorm van een perfect verticale lijn had aangenomen, had zijn lichaam al een grote snelheid ontwikkeld. Hij hoorde een luide knak en besefte vanaf dan niet meer dat zijn hoofd en romp van elkaar werden gescheiden. Zijn onthoofde lichaam viel eerst. Het tolde nog een keer om zijn as vooraleer het met een doffe klap de grond raakte. Zijn hoofd bleef aanvankelijk nog een wijl bengelen in de strakgetrokken knoop, raakte los en viel zijn lichaam achterna. De schedel kraakte toen het hoofd op een stalen steunpoot van de bouwkraan terechtkwam. Vier meter verder kwam het tot stilstand tegen een hoop rijnzand. Die morgen zou de werfleider een akelige ontdekking doen en de ziel uit zijn lijf kotsen.

Marie hoorde hoe Bart de telefoon opnam, een paar keer met ‘Hm’ en één keer met ‘Wat?’ antwoordde. Hij sloot het gesprek af met ‘Ik ben op de zaak. Tot vanavond dan.’
“Wie was het?”
“Hendrik. Hij brengt vanavond nog een lichaam binnen.”
“Nee, hè. Vanavond nog? Da’s al de vijfde deze week.” Marie zuchtte zwaar toen ze haar aandacht weer op het scherm richtte.
“Kun je bijspringen vanavond?” Bart vroeg het aarzelend.
“Bart, schat, ik raak nú al niet door mijn werk. Kun je niet vragen of je vader komt helpen?” Ze draaide met haar bureaustoel naar Bart.
“Pa is bezig met de zaak-Verschueren, weet je nog? Trouwens, ik heb een vaardige hand nodig.”
“Een vaardige hand? Zal wel. Om een lijk gedurig te helpen draaien is beslist geen vaardige hand vereist. Bart, ik heb hier een niet te overschouwen berg papierwerk voor me liggen en daar wil ik eindelijk eens komaf mee maken. Nú.” Ze keek hem indringend aan en draaide zich daarna ostentatief terug naar de computer.
“’t Is een zelfmoord. Zijn kop is eraf en die moet er terug aan. Dat betekent naaien. Of zo.”
Marie’s tokkelen op het klavier hield abrupt op. Even bleef het stil.
Wát zeg je?” Ze bleef naar haar scherm staren terwijl ze de woorden traag en nadrukkelijk uitsprak.
“Zijn familie wil dat hij terug, eh, toonbaar wordt. Voor de begroeting. Enfin ja, zijn hoofd moet terug tegen zijn romp. Hey, ’t is ook de eerste keer dat ik met zoiets te maken krijg, hè!” Bart begon zijn kalmte te verliezen.
“En ik moet dat doen?” Ze keek hem thans met onverholen verbazing aan.
“Zoiets kan ik niet alleen, Marie. Help dan gewoon vasthouden, oké? Daan naai ik die vent wel.”
Het dubieuze van zijn uitspraak drong tot hem door. Hij zag dat Marie haar lach niet meer kon inhouden en samen proestten ze het uit.
“Maar enfin, een onthoofding door zelfmoord. Hoe is dát in zijn werk gegaan?”
“Hij is van een torenkraan gesprongen met een veel te lang touw. De impact was zodanig hevig dat hij… nou ja, het hoofd erbij verloor.”
Weerom buldergelach.
“Kunnen we niet gewoon tape of zo gebruiken? En hem dan een foulard aandoen?” Ze giechelde nog wat na.
“Hm.” Bart streek even over zijn wang. “Misschien niet eens zo’n gek idee. Niemand zal het merken.”
“Of wacht!” Ze trok een bureaulade open, rommelde er wat in en hield hem haar vondst voor. “Kun je hier iets mee aanvangen?”
Bart schoot opnieuw in de lach. “Je bent gek, ja. Stop die Pritt maar weg voor ik in mijn broek doe.”
“Dit heeft je vader in zijn ganse carrière niet eens meegemaakt.” Marie gniffelde. Ze zag hem al grote ogen opzetten. “Benieuwd hoe hij zoiets zou oplossen.”
“Pa?” Bart keek haar grijnzend aan. “Pa zou daar beslist geld uit slaan.”’
Dat Barts vader nogal overijverig de centen najoeg, was een publiek geheim.
“Pa zou de klant twee kisten aansmeren: een gewone voor het lichaam en een koffermodelletje voor het hoofd. Dát zou pa doen, ja.”
Marie gierde het uit.

[ Foto: Menck | Twaait ]

_______

Zit je zelf met vragen over zelfdoding, dan kan je terecht bij de mensen van de zelfmoordlijn op 026499555 of via chat op zelfmoordlijn.be.