Hondsberoerd

Toen ik de voordeur opendeed, zat er een hond op de dorpel. Nee, het dier had gebeld noch geklopt; de samenloop dezer omstandigheden was louter toevallig.
De hond leek niet in het minst geïmponeerd door de bruusk openzwaaiende deur. Al evenmin schrok hij van mijn plotse aanwezigheid in de deuropening. Allicht had hij mij horen stappen in de hall. En me de sleutel horen omdraaien.
Ik schrok wél. Even toch. Tot ik zag dat het beest hoegenaamd geen kwaad in zin had. Vervolgens hurkte ik behoedzaam neer en kwam alzo op ooghoogte van het op zijn poep zittende beest terecht. Het keek me met grote droeve ogen aan maar kwispelstaartte, wat op een teken van tevredenheid wees.
“Dag hond”, sprak ik de sloeber rustig toe. Hij was vrij groot, egaal zwart gekleurd en voorzien van een lange snoet en neerhangende oren. Ik gokte op een labrador, maar van hondenmerken heb ik al even weinig kaas gegeten als van autorassen. Terstond gaf het dier me een poot.
“Wat attent van je, hond. Jij bent zowaar een gemanierd beest.” Ik nam de poot aan en kneep er zacht in. Toen liet ik hem los. Direct daarop offreerde de hond me zijn andere voorpoot. Ik moest ongewild lachen toen ik ook deze schudde.
“Van wie heb je dat geleerd? Is je baasje in de buurt?” Ik stond op, liep naar de straat maar zag niemand. Daarna opende ik routinematig de brievenbus en vond er een folder van de plaatselijke traiteur. Die mens lapte immer de ‘geen reclame’-sticker vierkant aan zijn laars. Alleen al om die reden zou ik er nooit iets bestellen.
“Woef!” klonk het plots kort en luid achter me. Ik draaide me om en blikte in twee zielige hondenogen.
“Ga je terug wandelen, hond?” Het dier bleef me aankijken. Toen ik aanstalten maakte om terug naar binnen te gaan, weerklonk er opnieuw een kort geblaf. Meteen daarop duwde het beest zijn snoet tegen de reclamefolder aan.
“Wil je die? Mij best, hoor.” Ik stak de hond de opgerolde folder toe. Ogenblikkelijk nam hij de papierrol in zijn muil en liep er mee naar de voordeur alwaar hij het pakketje voorzichtig op de mat deponeerde. Vervolgens ging hij ernaast zitten, draaide zijn kop in mijn richting en keek me afwachtend aan.
“Prachtig”, zei ik oprecht verbaasd. “Jij kunt het een en ander, zo te zien.” Ik stapte nu ook naar de voordeur en aaide de hond over zijn bol. Hij liet zich deze attentie welgevallen. “Ga nou maar. Dit is een kattenhuis, weet je. Ik vrees dat mijn poezenfamilie je aanwezigheid niet zou weten te waarderen.” De hond hield zijn kop schuin. Toen ik de deur openduwde, stond het dier op en wandelde terug naar de straat.

De dag erop was de hond er weer. Hij kwam me een poot geven toen ik mijn bestelwagen aan het volstouwen was.
“Zo, ben je d’r weer?” begroette ik hem toen ik zijn poot aannam. Ik aaide de hond even kort over zijn kop en ging verder met inladen. Het dier liep daarop naar de lavendelpartij naast de oprit en vleide zich er tegenaan. Vanuit die positie bleef het mijn werkzaamheden gadeslaan.
Toen ik na een dikke drie kwartier de laadruimte dichtgooide, sprong de hond op en wandelde naar me toe.
“Ik ben klaar, hond.” Ik gaf hem een schouderklopje en stapte richting voordeur. Toen ik de deur openduwde, keek het beest me aan, blafte even, draaide zich om en ging heen.

Gisterenmiddag vond ik de hond voor de oprit. Hij lag in de goot in een vreemde houding. Zijn linkerflank was hevig bebloed.
Ik hurkte naast het dode dier neer en streelde zacht zijn kop.
“Hij werd aangereden door een vrachtwagen. Zowat een kwartier geleden.”
Ik stond op en zag buurvrouw Carla naar me toe komen stappen.
“En die vrachtwagen is gewoon doorgereden?”
“Ik denk dat de chauffeur zich geeneens bewust is van wat hij veroorzaakt heeft. Hij raakte het dier vol met zijn achterwiel.”
“Je hebt het dus allemaal zien gebeuren?”
“Ja. Weet jij wiens hond dit is?”
“Nee. Hij draagt zelfs geen halsband. Misschien is hij gechipt, ik weet het niet.”
Er viel even een stilte. Beiden keken we naar de hond.
“Het leek wel of hij op iemand zat te wachten”, zei Carla plots zacht. “Hij zat hier al bijna een uur.”
Mijn maag werd als door een grote vuist omvat. Omwille van mij was dit arme dier de dood ingejaagd. Op mijn wang voelde ik ineens een traan bengelen.
Carla zag het en sloeg een arm om mijn schouder. “Jij bent toch echt wel een enorme dierenvriend hè, Menck”, sprak ze troostend.
Ik slikte slechts en voelde hoe een dikke brok ironie zich een weg door mijn keel baande.

Advertenties

  1. Affodil

    Ik heb een heel stuk tekst overgeslagen om eerst naar de goede afloop op zoek te gaan. Maar onderaan kreeg ik enkel een vuistslag vol in het gezicht. Ik zit hier nu tranen met tuiten te blijten/bleiten (never mind, ik snotter me dus ongegeneerd te pletter). Zo is onze Nicky bij ons binnen gekomen.
    Als deze zwarte knuffel (no offence, ik ben geen racist) het hier had geprobeerd, was hij dus onder de pannen geweest. Zeker weten. We zijn er eigenlijk wel aan toe nu, maar hebben er voorlopig alsnog even geen tijd voor.

    Like

  2. zem

    Wat erg. Wat zul je je rot voelen – zelfs als het niet echt is gebeurd ….
    Bij “aanloopdieren” strijden hart en verstand altijd even met elkaar. In dat “even” kan het dus ook mis gaan.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s